Conclusie
The Products are limited to the ones duly approved by GUY LAROCHE as per the
The products can only be imported in the frame of the promotion organized by Carrefour Supermarkets to develop customers ’ loyalty, which will take place from April 23rd, 2012 to November, 30th, 2012. Under no circumstances can the Products be imported and sold by PROMECO in another context than the above mentioned promotion.”
(…) Un état détaillé du stock devra également être adressé à GUY LAROCHE au plus tard le 31 juillet 2013. Les parties se réuniront alors afin de discuter des modalités d’écoulement des stocks restants, étant entendu qu’aucune action ne pourra être entreprise sans l’autorisation préalable écrite de LAROCHE.
Les produits devront refléter le prestige et la notoriété de la marque ‹‹ Guy Laroche ›› ; plus généralement, tout devra être mis en œuvre pour maintenir en développer ce prestige et cette notoriété.
Is sprake van uitputting?
“[PROMECO] is fully authorized as per a Mutual Agreement of Understanding signed between PROMECO and TEXTILES OLIVIER MERCIER Sarl on 12.04.12, duly approved by our company …”). Haar stelling (in punt 15 MvA) dat zij daarmee niet
“uitdrukkelijk”heeft ingestemd maakt dit niet anders.
in de licentieovereenkomsttussen de merkhouder en zijn licentienemer als vermeld in artikel 22, lid 2 UMV, in welk geval in zoverre geen sprake is van toestemming van de merkhouder.
in de contextvan de promotie Carrefour en haar stelling dat Promeco over de verkoop van de restvoorraad aan Carrefour België overleg heeft gevoerd, kunnen niet afdoen aan de eerder gegeven instemming met verkoop aan een derde. Nog daargelaten dat ook bij verkoop aan een derde van de restvoorraad van de actie Carrefour Frankrijk sprake is, althans kan zijn van verkoop
in de contextvan deze actie, leidt een eenzijdige verklaring in een later door Laroche opgemaakt stuk er niet toe dat haar instemming met hetgeen was overeengekomen in de MAU 1 niet langer gold. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat Promeco er de voorkeur aan gaf om (al dan niet om commerciële redenen) de restvoorraad met instemming van Laroche te verkopen aan Carrefour België (buiten het territoir waarvoor in de MAU 1 toestemming was gegeven derhalve), daarover overleg heeft gevoerd en bereid was daarvoor opnieuw een vergoeding te betalen.
www.4everyware.nl
www.eurotradefair.nl, welke website als een soort marktplaats fungeert en
presentatieop de websites van Carrefour en Promobutler. De enkele omstandigheid dat de aanbiedingen werden gedaan in het kader van een zegeltjesactie is onvoldoende om anders te oordelen. Mede in aanmerking nemende dat Laroche bovendien heeft ingestemd met verkoop van de merkproducten na de actie Carrefour Frankrijk aan willekeurige klanten, is het hof van oordeel dat Laroche haar stelling dat door de wijze van aanbieden en verkopen van de restvoorraad door 4 EW de reputatie van haar merk ernstig is geschaad, niet voldoende is onderbouwd. Als er al sprake is van schade aan het vermeende luxueuze en prestigieuze karakter van het merk heeft zij zelf ingestemd met handelingen waarvan dat (mede) het gevolg was of kon zijn.
actie CarrefourBelgië tot 22 juni 2013 liep doet daar niet aan af.
2.Bespreking van het cassatieberoep
Inleiding
Peak Holding-arrest betoogde A-G Stix-Hackl, aan de hand van een letterlijke, systematische en teleologische uitleg van art. 13 UMVo Pro (oud), dat van het Europees geharmoniseerde begrip
in de handel brengen in de EERsprake is wanneer een onafhankelijke derde de beschikkingsbevoegdheid heeft verkregen over de van het merk voorziene waren, bijvoorbeeld na een verkoop [13] . Uit het
Peak Holding-arrest volgt dat een verkoop die de merkhouder in staat stelt de economische waarde van zijn merk te realiseren de uitsluitende rechten van de merkhouder uitput, meer in het bijzonder het recht om een derde te verbieden de waren door te verkopen. Wanneer de merkhouder zijn waren invoert om ze in de EER te verkopen of te koop aan te bieden, brengt hij ze evenwel niet in de handel in de zin van art. 13, lid 1, UMVo (oud), omdat dergelijke handelingen derden niet het recht verlenen om over de van het merk voorziene waren te beschikken. Zij stellen de merkhouder niet in staat de economische waarde van het merk te realiseren. Zelfs na dergelijke handelingen behoudt de merkhouder zijn belang om de volledige controle over de van het merk voorziene waren te behouden, met name om de kwaliteit ervan te verzekeren. Bovendien moet onderscheid worden gemaakt tussen het aanbieden, in de handel brengen of daartoe in voorraad hebben van waren enerzijds en de invoer ervan anderzijds. Het in de EER invoeren of aanbieden van waren kan niet worden gelijkgesteld met het in de handel brengen ervan. Van een merk voorziene waren kunnen dus niet worden geacht in de EER in de handel te zijn gebracht wanneer de merkhouder ze in de EER heeft ingevoerd om ze aldaar te verkopen of wanneer hij ze in zijn eigen winkels of in die van een gelieerde vennootschap aan de consumenten in de EER te koop heeft aangeboden, maar er niet in geslaagd is om ze te verkopen [14] .
Davidoff-arrest volgt dat er sprake kan zijn van impliciete toestemming van de merkhouder tot het in de EER verhandelen van van zijn merk voorziene producten die eerder door die merkhouder of met zijn toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht, wanneer uit elementen en omstandigheden vóór, tijdens of na het buiten de EER in de handel brengen naar het oordeel van de nationale rechter met zekerheid blijkt dat de merkhouder afstand doet van zijn recht om zich te verzetten tegen het in de EER in de handel brengen. Een impliciete toestemming kan niet voortvloeien: (i) uit het feit dat de merkhouder niet aan alle achtereenvolgende kopers van de buiten de EER in de handel gebrachte waren heeft meegedeeld dat hij zich tegen het verhandelen in de EER verzet, (ii) uit het feit dat op de waren niet is vermeld dat het verboden is ze in de EER in de handel te brengen en (iii) uit de omstandigheid dat de merkhouder de eigendom van de van het merk voorziene waren heeft overgedragen zonder contractuele beperkingen op te leggen, en dat volgens de op de overeenkomst toepasselijke wet het overgedragen eigendomsrecht zonder dergelijke beperkingen een onbeperkt recht tot wederverkoop omvat of op zijn minst het recht om de waren later in de EER te verhandelen. Voor de uitputting van het merkrecht is niet relevant: (a) dat de handelaar die de van het merk voorziene waren invoert, niet weet dat de merkhouder zich ertegen verzet dat deze waren in de EER in de handel worden gebracht of op die markt worden verhandeld door andere dan erkende wederverkopers, of (b) dat de erkende wederverkopers en groothandelaars aan hun eigen kopers geen contractuele beperkingen hebben opgelegd waarin dat verzet tot uiting komt, hoewel de merkhouder hen daarvan op de hoogte had gebracht [16] . De
Davidoff-maatstaf geldt ook bij de vraag of sprake is van impliciete toestemming voor het in de handel brengen van producten direct in de EER (door een derde die niet economisch verbonden is met deze merkhouder) [17] .
Davidoff-maatstaf (impliciete toestemming) moet worden toegepast – welke maatstaf immers die toestemming, zij het in impliciete vorm, betreft – als in de gevallen waarin die toestemming (in beginsel) volgt uit economische verbondenheid, die bijvoorbeeld berust op een licentieovereenkomst. Het verschil is volgens Uw Raad hierin gelegen dat in het geval dat de
Davidoff-maatstaf moet worden aangelegd (er is geen economische verbondenheid), zwaardere eisen aan het bewijs van de (impliciete) toestemming worden gesteld dan in het geval dat sprake is van economische verbondenheid, waarin de toestemming geacht wordt te zijn gegeven [19] .
ten overvloede(vgl. rov. 21, laatste zin) is het hof vervolgens nog ingegaan op de kwestie of Laroche’s merkrechten zijn uitgeput door de verkoop aan Boxter na ommekomst van de opvolgende loyaliteitsactie Carrefour België. Het hof beoordeelt dat in een aantal overwegingen ten overvloede bevestigend, omdat de restproducten door Promeco aan Boxter zijn verkocht met toestemming van licentienemer TOM en sublicentienemer Promeco en daarom in beginsel ook met toestemming van Laroche (rov. 22-26) en het beroep van Laroche op lid 2 van art. 22 UMVo Pro (oud) [21] (de
Copad-uitzondering) niet opgaat (rov. 29). Bij de klachten van de onderdelen 4, 5 en 6, die zijn gericht tegen deze overwegingen ten overvloede, heeft Laroche volgens mij in deze lezing geen belang in cassatie.
tijdensde totstandkoming van de MAU 1 op de hoogte was van deze overeenkomst [24] .
ingestemdmet de MAU 1, omdat zij dat heeft erkend in cva rec 31 [25] en dat volgens het hof is af te leiden uit haar eigen douaneverklaring. Dat is volgens de klacht onbegrijpelijk, omdat Laroche in cva rec 31 niet (ongeclausuleerd) heeft “ingestemd” met de MAU 1, maar daarin heeft gesteld dat zij achteraf “toestemming” heeft gegeven voor de MAU 1, maar wel onder voorwaarden, met name dat Promeco de producten “under no circumstances” mocht verkopen in een “andere context” dan die van de loyaliteitsactie bij Carrefour in de periode van 23 april tot 30 november 2012. De klacht citeert daartoe een ander deel van de douaneverklaring van Laroche dan het hof doet in rov. 15. Het hof benadrukt in zijn citaat in rov. 15 dat Laroche de MAU 1 volgens de tekst van die verklaring “duly approved” heeft, terwijl de klacht benadrukt dat uit die verklaring blijkt dat de merkwaren door Promeco mochten worden geïmporteerd “in the frame of the promotion organized by Carrefour Supermarkets to develop customers’ loyalty” voor ruim een half jaar en dat Promeco deze “under no circumstances” mocht importeren en verkopen “in another context than the above mentioned promotion.”
in de contextvan deze actie (…)”), ook sprake is van onbegrijpelijkheid. De klacht poneert dat niet valt in te zien hoe verkoop aan een derde van een restvoorraad na afloop van een loyaliteitsactie redelijkerwijs kan kwalificeren als verkoop in de context van die loyaliteitsactie waarbij de producten werden verkocht aan klanten.
althansheeft miskend dat voor de beantwoording van de vraag of tussen twee partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen (en vervolgens is uitgevoerd), het ervan afhangt wat
dietwee partijen daaromtrent zijn overeengekomen (en wat er vervolgens daadwerkelijk is gebeurd). Anders dan het hof heeft aangenomen, kan de vraag of de merkproducten door Promeco aan Carrefour Frankrijk zijn verkocht dus niet alleen worden beantwoord op basis van wat
andere(koppels van) partijen in andere overeenkomsten zijn overeengekomen (hier: TOM en Promeco t.a.v. de MAU 1 en TOM en Laroche t.a.v. de licentievergoeding). Heeft het hof dit niet miskend, dan is hier sprake van een motiveringsgebrek, omdat de door het hof genoemde omstandigheden niet het oordeel kunnen dragen dat alle merkproducten door Promeco aan Carrefour Frankrijk zijn verkocht. Bovendien is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft het een (mede in het licht van art. 6 EVRM Pro) ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven, door aan art. 7 MAU Pro 1 een uitleg te geven die door 4 EW niet is verdedigd (en ook niet door Laroche). 4 EW heeft de conclusie dat de restvoorraad aan Carrefour was verkocht immers alleen verbonden aan art. 2 en Pro 5 van de MAU 1 en heeft over art. 7 MAU Pro 1 alleen opgemerkt dat daarin is vastgelegd dat Carrefour de producten na afloop van de actie aan Promeco kon retourneren en dat er in dat artikel een regeling voor de restvoorraad was opgenomen. Daaraan heeft 4 EW geen conclusie verbonden over verkoop door Promeco aan Carrefour (vgl. de toelichting op grief II). In zoverre is bovendien het oordeel van het hof in rov. 13 dat 4 EW met haar grief II ook gegriefd heeft tegen de uitleg van art. 7 van Pro de MAU 1 door de rechtbank in rov. 4.13 onbegrijpelijk, nu 4 EW in elk geval niets inhoudelijks heeft ingebracht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.13 dat 4 EW niets heeft gesteld over de tussen Promeco en Carrefour gemaakte afspraken met betrekking tot de acties en dat de conclusie dat Promeco ook de restvoorraad in de handel heeft gebracht door verhandeling aan Carrefour ten behoeve van de acties niet kan worden verbonden aan wat tussen TOM en Promeco is afgesproken over de restvoorraad in art. 7 van Pro de MAU’s.
althans, gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, de bestreden oordelen in rov. 17 niet naar behoren zijn gemotiveerd.
in elk gevalLaroche ten onrechte of zonder toereikende motivering niet heeft toegelaten tot het leveren van tegenbewijs (met name: door middel van getuigen) tegen de stelling of het oordeel dat Promeco alle merkproducten aan Carrefour Frankrijk had verkocht en/of tegen de door het hof aan art. 7 MAU Pro 1 gegeven uitleg [30] .
daartegenzou kunnen zijn. Het hof legt in de aangevallen rov. 17 art. 7 MAU Pro 1 uit en verdisconteert daarin dat Laroche heeft ingestemd met de MAU 1 (welk oordeel in onderdeel 1 volgens mij tevergeefs wordt aangevallen in cassatie, zoals we bij de bespreking daarvan hebben geconstateerd). Daarbij is het hof op zich niet gehouden op alle aangedragen argumenten van partijen in te gaan en mag het hof ook een eigen uitleg geven aan een contract die door geen van partijen is verdedigd [31] . ’s Hofs uitleg aan het contractsbegrip “ventes diminué avec les retours”, te weten: dit zijn verkopen verminderd met retouren, waaruit is af te leiden dat sprake moet zijn van formele verkoop aan Carrefour (lees: anders valt er niets te retourneren en zo men wil in het licht van het partijdebat: dat sprake zou zijn van consignatie is hiermee impliciet verworpen), waarbij Carrefour het recht had niet doorverkochte merkproducten te retourneren. Ook de regeling uit art. 7 MAU Pro 1 dat Promeco de restvoorraad aan derden mocht verkopen wijst er volgens het hof op dat Laroche ervan uitging dat zij hier na de loyaliteitsactie geen eisen meer aan kon stellen wegens uitputting; Laroche had immers in de ogen van het hof ingestemd met (ook) art. 7 MAU Pro 1. De derde aanwijzing voor verkoop van alle producten aan Carrefour ziet het hof in het vastgestelde feit dat Promeco over alle merkproducten – ook die uiteindelijk niet zijn doorverkocht door Carrefour, dus voor de volle mep – licentievergoedingen heeft betaald. Van miskenning van de stelplicht en bewijslast voor uitputting in de vorm van verkoop van alle producten aan Carrefour, zoals
subonderdeel 2.1aandraagt, is dan geen sprake. Zoals in de s.t. 3.9 zijdens 4 EW wordt aangegeven onder verwijzing naar haar mvg 29 e.v. heeft 4 EW betoogd dat uit art. 7 van Pro de MAU 1 (en 2) blijkt dat alle producten zijn verkocht aan Carrefour. Dat argument honoreert het hof in rov. 17. 4 EW heeft ook onderbouwd dat licentievergoedingen zijn voldaan over alle producten (prod. 14 EW EA en mvg 40). Daar zou subonderdeel 2.1 op kunnen afketsen.
alleenworden beantwoord op basis van wat TOM en Promeco in de MAU 1 zijn overeengekomen, ook al is door Laroche daarmee ingestemd in de ogen van het hof. Hetgeen TOM en Promeco zijn overeengekomen zegt op zichzelf niet per se of er in de rechtsverhouding Promeco-Carrefour sprake was van daadwerkelijke verkoop en overdracht. Heeft het hof dit niet miskend, dan slaagt de motiveringsklacht dat dit zonder nadere maar ontbrekende motivering niet is te volgen. De betreffende omstandigheden zien namelijk niet (zonder meer of rechtstreeks) op laatstgenoemde rechtsverhouding Promeco-Carrefour. Ook in onderlinge samenhang bezien zijn deze omstandigheden gelet op het gevoerde minutieuze verweer van Laroche niet toereikend om het oordeel te kunnen dragen dat alle merkproducten daadwerkelijk aan Carrefour Frankrijk zijn verkocht.
subonderdeel 2.2(eerste en tweede klacht) en het daarop voortbouwende
subonderdeel 2.5terecht zijn voorgesteld.
subonderdeel 2.4: het hof heeft Laroche ten onrechte, althans zonder begrijpelijke motivering, niet toegelaten tot het leveren van
tegenbewijsdat alle merkproducten door Promeco aan Carrefour Frankrijk zijn verkocht [36] .
nietaan Carrefour Frankrijk was verkocht maar wel in het kader van de actie aan Carrefour Frankrijk ter beschikking stond c.q. ter beschikking was gesteld. Ter onderbouwing hiervan voert de klacht het volgende aan:
zes verschillende handelingen van Promecode merkrechten zijn uitgeput [42] :
de subonderdelen 3.2 en 3.3eigenlijk geen bespreking meer.
althanshet volgende geldt (en gelet op de formulering behoeft daar wegens het slagen van subonderdeel 3.1 en/of subonderdeel 3.2. niet aan toegekomen te worden denk ik): wanneer een merkhouder toestemming geeft aan een (sub)licentienemer om via een derde alleen in het kader van een specifieke loyaliteitsactie onder voorwaarden een voorraad merkproducten te koop aan te bieden, waarbij die derde geen toestemming heeft gekregen om de restvoorraad die tijdens de loyaliteitsactie niet wordt verkocht na afloop van die actie aan te bieden en de restvoorraad niet is verkocht aan die derde, er dan geen sprake is van “in de handel” brengen in de zin van art. 13 lid 1 UMVo Pro (oud) [45] en dat de merkrechten daarop dus niet zijn uitgeput. Primair meen ik dat dit nu onbesproken kan blijven, omdat gelet op het slagen van onderdeel 2 na verwijzing eerst opnieuw moet worden vastgesteld of alle producten aan Carrefour Frankrijk zijn verkocht en geleverd. De klacht gaat ervan uit dat dat niet zo is. Het lijkt mij dan in primaire lijn niet opportuun om daar nu op vooruit te lopen met de veronderstelling dat de restvoorraad niet is verkocht aan Carrefour en of er in dat geval dan sprake is van “in de handel brengen”.
Peak Holding(vgl. hiervoor in 2.7) dat de merkhouder in staat is gesteld de economische waarde van zijn merk te realiseren. Het betreft in onze zaak een bijzondere vorm van exploitatie van de merken van Laroche door middel van licentiëring voor een specifieke loyaliteitsactie voor beperkte periode en voor een beperkt gebied en de kwestie spitst zich toe op de vraag of de merkrechten van Laroche op de restvoorraad die overbleef na de actie Carrefour Frankrijk zijn uitgeput. De kennelijke redenering van het hof in rov. 20-21 is volgens mij: hoe wordt hier geëxploiteerd door Laroche? Niet zo zeer door verkoop in eigenlijke zin langs de gebruikelijke omzetkanalen voor dit soort merkproducten, maar door het innen van overeengekomen licentievergoedingen voor deze beperkte loyaliteitsactie. Het hof benadrukt daarbij dat over
allemerkproducten, dus
met inbegrip van de restvoorraaddie resteerde na de actie, licentievergoedingen zijn voldaan aan Laroche. Dát is de economische waarde in de zin van
Peak Holdingdie Laroche hier maximaal kon verwezenlijken en ook heeft verwezenlijkt (vgl. in min of meer deze zin ook s.t. 4 EW 3.15). Zij kon immers niet meer aan de actie overhouden economisch gezien dan de maximale overeengekomen licentievergoeding, dus ongeachte welke verkopen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Het betoog dat het hier maar een fractie zou zijn van de “normale” economische waarde bij gebruikelijke licentiëring (s.t. Laroche 4.21) overtuigt (mij) niet (vgl. hierover ook s.t. 4 EW 3.18). Dat er daarnaast nog belang kan zijn om niettegenstaande merkenrechtelijke uitputting de merkhouder het recht te geven bezwaren in te roepen is een andere kwestie. Dat zijn de
Copad-uitzonderingen (die het hof ook naloopt). In deze specifieke situatie, die zo men wil enigszins van het gangbare normaaltype verkoopmodel van merkproducten (al dan niet middels licentiëring) afwijkt – en dat daarvan hier sprake is onderkent Laroche ook bij s.t. 4.8 – is denk ik heel goed voorstelbaar dat sprake kan zijn van verwezenlijking van de economische waarde van het merk door de merkhouder zonder verkoop [46] . Mocht dit aspect van de zaak, waar als besproken in mijn optiek niet aan toe behoeft te worden gekomen, niettemin beslissend worden geacht, dan zou hierover een prejudiciële vraag dienen te worden gesteld, indien geoordeeld zou worden dat niet buiten redelijke twijfel is of sprake kan zijn van “in de handel brengen” zonder verkoop in een geval als het onze. Ten overvloede: ik meen dat wel buiten redelijke twijfel is dat in de specifieke exploitatievorm van de merken die is gekozen voor de loyaliteitsactie Carrefour Frankrijk vanwege de ontvangst door Laroche van de overeengekomen licentievergoedingen over de hele voorraad merkproducten met inbegrip van de restvoorraad, sprake is van verwezenlijking van de economische waarde van de merken, zodat in die zin aan het vereiste voor “in de handel brengen” in lijn met
Peak Holdingis voldaan.
in fine: “Dat brengt mee (…) dat de vraag of de merkrechten op de restvoorraad zijn uitgeput door de verkoop aan Boxter geen behandeling behoeft. Ten overvloede zal het hof daarop hierna nog ingaan.”). Nu dit niet zeker is (vgl. hiervoor in 2.14, 3e alinea) en voor het geval Uw Raad hier aan toe zou komen, volgt hier een bespreking van dit onderdeel.
eerste rechtsklacht), althans dat bedoelde stelling in onze zaak binnen c.q. in het verlengde van de rechtsstrijd van partijen ligt en dat daarom de tweeconclusieregel hier geen beletsel vormt (
tweede rechtsklacht). Heeft het hof dit niet miskend, dan is zijn oordeel dat bedoelde stelling van Laroche in strijd is met de tweeconclusieregel, zonder nadere motivering, die nu ontbreekt, onbegrijpelijk (
eerste motiveringsklacht), net als de interpretatie door het hof van de stellingname van Laroche in dagvaarding 23 (
tweede motiveringsklacht).
nieuw verweeren niet als een nieuwe stelling die binnen of in het verlengde lag van de al door partijen omlijnde rechtsstrijd in appel, terwijl zich hier geen erkende uitzondering voordoet bedoeld in 2.44 [53] . Het lijkt mij dat de rechtsklachten uit subonderdeel 4.1 daarop moeten afstuiten. Daaraan doet in mijn ogen niet af dat de betreffende stelling een betwisting (niet zijnde een bevrijdend verweer) is van geïntimeerde van (een onderdeel van) een bevrijdend verweer van de oorspronkelijk gedaagde. De betreffende stelling kan op zichzelf leiden tot afwijzing van het uitputtingsverweer van 4 EW en strekt daarmee tot bekrachtiging van het vonnis in eerste aanleg. In zoverre is volgens mij niet onjuist dat het hof deze stelling beschouwt als een nieuw verweer [54] .
)dat merkproducten pas in de handel zijn gebracht als een onafhankelijke derde daarover beschikkingsbevoegdheid verkrijgt [57] , (iv) dat Boxter en Promeco op hetzelfde adres gevestigd zijn en dezelfde eigenaar hebben [58] en (v) dat het daarom maar de vraag is of Boxter wel kwalificeert als “klant” onder de (door Laroche betwiste) Promeco-licentie [59] . De stelling sub
iiihad Laroche immers alleen betrokken in het kader van de verkoop van Promeco aan Carrefour en niet ter zake de verkoop van Promeco aan Boxter. Ter onderbouwing van het betoog sub
iihad Laroche alleen aangevoerd dat zij
geen toestemmingvoor de verkoop aan Boxter had gegeven en niet dat de verkoop aan Boxter niet kwalificeert als in de handel brengen. Alleen al daarom is niet onbegrijpelijk dat het hof bedoelde stelling van Laroche bij pleidooi in hoger beroep kwalificeert als een nieuw verweer en niet als een nieuwe stelling die binnen of in het verlengde lag van de al door partijen omlijnde rechtsstrijd in appel: ter zake de verkoop aan Boxter had Laroche immers – tot aan pleidooi in hoger beroep – niet aangevoerd dat deze verkoop niet kwalificeert als in de handel brengen en dat
daaromvan uitputting geen sprake is. De omstandigheden sub
iven sub
vmaken dit niet anders. Ten aanzien van de omstandigheid sub
i,dat 4 EW bij mvg heeft gesteld dat door de verkoop van Promeco aan Boxter uitputting had plaatsgevonden, merk ik nog op dat Laroche haar verweer hiertegen al bij mva had kunnen/moeten kenbaar maken.
Onderdeel 5richt zich tegen het oordeel in rov. 29 dat het beroep op handelen door TOM in strijd met bepalingen van de met Laroche gesloten licentie-overeenkomst(en) over de duur van de licentie faalt, nu in de distributieovereenkomst België twee maal is opgenomen dat de overeenkomst loopt tot (en met) 31 juli 2013, terwijl de verkoop aan Boxter plaatsvond op 30 juli 2013 in België en de omstandigheid dat de actie Carrefour België tot 22 juni 2013 liep daar niet aan af doet (in rov. 29).
van de overeenkomstwaarin de licentie is opgenomen. Volgens de klacht is het hof dan uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omdat met “duur” in die bepaling de duur
van de licentiewordt bedoeld [60] en die periode niet (noodzakelijkerwijs) gelijk is aan de duur van de overeenkomst waarin de licentie is opgenomen. Weliswaar spreekt het hof in rov. 29 eerst over “de duur van de licentie” , maar baseert het zijn oordeel vervolgens op de duur van de overeenkomst, namelijk tot (en met) 31 juli 2013.
de actiebij Carrefour België aan derden te verkopen, niet zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van in elk geval een bepaling in de licentieovereenkomst België inzake de duur daarvan als bedoeld in artikel 22, lid 2, sub a, UMVo (oud) [65] .
in aanvulling op rov. 22aldus het hof en we hebben hiervoor in 2.14 en 2.41 gezien dat rov. 22 blijkens het laatste deel van rov. 21 een overweging ten overvloede zou kunnen zijn. Dan is een aanvulling op een overweging ten overvloede denk ik ook als een overweging ten overvloede aan te merken en zou Laroche geen belang hebben bij haar klachten uit onderdeel 5.
de duur van de licentiewordt bedoeld en niet de duur van de overeenkomst waarin de licentie is opgenomen [66] . Voor zover dat door het hof is miskend, slaagt de rechtsklacht.
de actie CarrefourBelgië tot 22 juni 2013 liep, doet daar volgens het hof niet aan af. Dat lijkt inderdaad niet voldoende inzichtelijk gemotiveerd, nu het stelsel hier lijkt te zijn dat de periode waarbinnen licentienemer TOM bevoegd was de merkproducten in de handel te (laten) brengen liep tot het einde van de actie Carrefour België, dus 22 juni 2013 en niet tot (en met) 31 juli 2013. Een feitelijke uitleg met als uitkomst een langere duur van de licentie is hier wellicht mogelijk, maar dat had in mijn ogen dan nader onderbouwd moeten worden, mede gezien het rechtbankoordeel hierover.
in finemogelijk een exercitie ten overvloede, in welk geval Laroche geen belang zou hebben bij deze klachten. Voor het geval dat anders moet worden gezien (vgl. hiervoor in 2.14, 3e alinea), volgt hier een inhoudelijke bespreking.
"Rappelle bien a Promeco, qu'après cette opération il n'y aura plus d'ecoulement de stocks." [72] . Volgens de klacht strookt dit met wat Laroche eerder met TOM was overeengekomen bij het geven van toestemming om met Promeco over een actie in België te gaan onderhandelen:
"Les parties se réuniront alors afin de discuter des modalités d'écoulement des stocks restants, étant entendu qu'aucune action ne pourra être entreprise sans l'autorisation préalable écrite de LAROCHE." [73] . Voor zover het hof van oordeel is geweest dat deze uitlatingen van Laroche niet kunnen afdoen aan het gerechtvaardigd vertrouwen van Promeco, heeft het hof miskend dat deze uitlatingen daaraan wel afdoen; heeft het hof dat niet miskend, dan is zijn oordeel zonder nadere motivering, die nu ontbreekt, niet begrijpelijk, aldus Laroche.
derdetoe (TOM) doen op zichzelf niets af aan het bij
Promecogewekte gerechtvaardigde vertrouwen. Althans niet zonder meer.
onderdeel 7gericht tegen rov. 30, 31-31, 43-44 en het dictum mist zelfstandige betekenis. Alleen voor zover het voortbouwt op de slagende klachten van de onderdelen 2, 3 en voor zover daar belang bij bestaat 5 treft ook deze klacht doel.