Conclusie
1.Feiten en procesverloop
[de percelen]). [verweerder] had de bedoeling op dit terrein een supermarkt te realiseren. [verweerder] heeft echter nimmer toestemming gekregen van de gemeente om ter plaatse een supermarkt te realiseren.
[betrokkene 2]), directeur van [A] B.V.
de leveringsakte) [4] heeft [verweerder] [de percelen] overgedragen aan De Kleine Meierij voor de koopsom van fl. 1.150.000,00. De leveringsakte is verleden ten overstaan van [notaris] . In deze akte zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen:
de meerwaardeclausule).
[B]). In deze akte staat onder meer het volgende:
de gemeente) deze vergunning verleend. [9] Deze omgevingsvergunning is onherroepelijk.
bewijsopdracht 1);
bewijsopdracht 2).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
niet relevantis dat het hof gebonden is aan de in appel onbestreden vaststelling van de rechtbank dat een taalkundige uitleg van de meerwaardeclausule niet tot toewijzing van de vorderingen van [verweerder] kan leiden, ten grondslag te leggen de (op zich juiste) overweging dat de uitleg van die clausule dient te geschieden volgens de Haviltex-maatstaf, miskent dat ook bij de uitleg van een schriftelijke contractsbepaling volgens die Haviltex-maatstaf de taalkundige betekenis van de bewoordingen relevant is. De Kleine Meierij heeft zich ter betwisting van de door [verweerder] bepleite uitleg van de meerwaardeclausule ook op (de door de rechtbank gegeven beoordeling van) de bewoordingen van de meerwaardeclausule beroepen [29] , aldus het subonderdeel.
alleen maar” gaat om de taalkundige betekenis van de bewoordingen van een bepaling, maar aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
uitsluitend” taalkundige uitleg (rov. 9.1.4, laatste volzin).
De zogenoemde meerwaardeclausule … luidt weliswaar …”).
niet ter zake (doet)” (rov. 9.1.4), kennelijk slechts tot uitdrukking willen brengen dat die gestelde gebondenheid in het midden kan blijven, omdat de tekst slechts één van de uitlegfactoren is en óók indien, zoals De Kleine Meierij betoogt, het hof gebonden zou zijn aan het oordeel dat op grond van uitsluitend de tekst van de meerwaardeclausule [verweerder] geen recht heeft op enige vergoeding, de andere omstandigheden van het geval mogelijk alsnog tot een andere uitleg kunnen leiden.
niettot bindend uitgangspunt dient en klaagt dat de overweging van het hof, dat voor De Kleine Meierij voldoende kenbaar is dat [verweerder] met zijn eerste grief opkomt tegen de uitleg door de rechtbank van de meerwaardeclausule, een onbegrijpelijke motivering is van dat oordeel. Daartoe wordt aangevoerd dat [verweerder] zijn grief I onmiskenbaar en ondubbelzinnig heeft beperkt tot rov. 4.7.3 van het vonnis en dat [verweerder] ter onderbouwing van die grief alleen argumenten heeft geformuleerd tegen rov. 4.7.3 van het vonnis (en niet tegen rov. 4.7.1). [verweerder] heeft ook geen verweer gevoerd tegen het door De Kleine Meierij in hoger beroep gevoerde betoog dat [verweerder] niet heeft gegriefd tegen rov. 4.7.1 van het vonnis en dat hetgeen de rechtbank daarin heeft overwogen in hoger beroep derhalve bindend uitgangspunt vormt [32] , aldus het subonderdeel.
in haar rov. 4.7.1– grief I is inderdaad onmiskenbaar niet tegen die overweging gericht – maar, in het verlengde van grondslag (i), dat [verweerder] met zijn grief I opkomt tegen de uitleg die de rechtbank
voor het overige(“overigens”, aldus het hof) heeft gegeven in haar rov. 4.7.3 (waartegen grief I onmiskenbaar wél was gericht [33] ). Ik wijs in dit verband ook op rov. 6.3.2 van het tussenarrest, waarin het hof vaststelt dat grief I betoogt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de door [verweerder] gestelde
partijbedoeling(die, zo voeg ik toe, het onderwerp vormt van rov. 4.7.3 van het vonnis).
Partijen zijn nog met elkaar overeen gekomen dat als koper[De Kleine Meierij, hof]
op (een van) de bij deze akte aangekochte percelen grond substantieel commerciële ruimtes bouwt of doet bouwen, koper verplicht is nader met verkoper[ [verweerder] , hof]
in onderhandeling te treden over een eventuele winstdeling”, maar onduidelijk is hoe deze formulering, waarop De Kleine Meierij zich beroept, in het contract is gekomen. Bovendien blijkt uit de verklaring van [betrokkene 2] dat [verweerder] en [betrokkene 1] niet hebben gesproken over een dergelijke beperking tot het (doen) bouwen door (alleen) De Kleine Meierij en dat partijen pas naar de notaris zijn gegaan nadat de afspraak mondeling was gemaakt. Een dergelijke beperking ligt ook niet voor de hand. Bij het bepalen van de koopprijs, waarvan de omstreden afspraak onderdeel uitmaakt, gaat het er immers om wat de grond waard is en is in beginsel niet relevant welke partij opdracht geeft tot bouwen. Verder zou met een dergelijke beperking de verplichting om meer te betalen makkelijk te omzeilen zijn door de grond te verkopen en de commerciële ruimtes door een andere partij te laten bouwen. Uitgaande van de verklaring van [betrokkene 2] , strookt dat niet met de bedoeling van partijen die er zonder deze oplossing niet uit zouden zijn gekomen.
“Partijen zijn nog met elkaar overeen gekomen dat als koper[De Kleine Meierij, hof]
op (een van) de bij deze akte aangekochte percelen grond substantieel commerciële ruimtes bouwt of doet bouwen, koper verplicht is nader met verkoper[ [verweerder] , hof]
in onderhandeling te treden over een eventuele winstdeling”, maar onduidelijk is hoe deze formulering, waarop de Kleine Meierij zich beroept, in het contract is gekomen. (…)”
niet relevantis voor de uitleg van de meerwaardeclausule. Het hof heeft in rov. 9.1.5 alle relevante omstandigheden van het geval afgewogen, waaronder de tekst van de meerwaardeclausule, en heeft vervolgens een oordeel gegeven over de uitleg van de meerwaardeclausule. Het oordeel van het hof is dan ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd om de in het subonderdeel genoemde reden.
niet (alle)” zijn terug te voeren op door [verweerder] ingenomen stellingen. In zoverre heeft het hof in strijd met art. 24 Rv Pro beslist op andere gronden dan door [verweerder] zijn aangevoerd. De motivering van het hof houdt tevens een schending van art. 19 Rv Pro en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing in, nu De Kleine Meierij geen gelegenheid heeft gehad om zich over de betreffende argumenten uit te laten, aldus het subonderdeel.
welk(e)van de argumenten niet op stellingen van [verweerder] kan/kunnen worden teruggevoerd. Een cassatiemiddel dient eigenstandig te voldoen aan de daaraan te stellen eisen; motivering van de klachten kan niet worden uitgesteld tot de schriftelijke toelichting. Van de verweerder kan niet worden verwacht dat hij bij dupliek verweer voert tegen het middel zoals dat op grond van de pas bij toelichting verschafte gegevens kennelijk moet worden gelezen. [35]
argument (b)luidt dat
onduidelijk is hoe de formulering van de meerwaardeclausule in het contract is gekomen.
een beperking tot het (doen) bouwen door (alleen) De Kleine Meierij niet voor de hand ligt, omdat het er bij het bepalen van de koopprijs, waarvan de bestreden afspraak onderdeel uitmaakt, om gaat wat de grond waard is en in beginsel niet relevant is welke partij opdracht geeft tot bouwen.
de bouwvan commerciële ruimten daarop
zou zijn toegestaan(o.a. MvG, par. 8-9, 13). Volgens hem was het de bedoeling van partijen dat in geval van
waardevermeerderingvan het terrein, als gevolg van
de mogelijkheidtot realisatie van commerciële ruimte, de heer [verweerder] de prijsverlaging gecompenseerd zou zien (pleitnota [verweerder] , p. 3). [39]
mogenrealiseren van commerciële ruimtes aanzienlijk meer waard waren (o.a. MvG, par. 19).
argument (e), dat inhoudt dat met een beperking tot (doen) bouwen door (alleen) De Kleine Meierij
de verplichting om meer te betalen makkelijk te omzeilen zou zijn door de grond te verkopen en commerciële ruimtes door een andere partij te laten bouwen.
niet voor de hand ligt. Ook dit argument ziet derhalve op de (on)aannemelijkheid van een taalkundige uitleg en is als zodanig toelaatbaar.
Uw strikt taalkundige uitleg (…) doet geen recht aan de werkelijke bedoeling van partijen, en zou de clausule ook zinledig doen zijn, omdat u dan immers door een simpele verkoop (zoals thans heeft plaatsgevonden) aan de werking van het beding zou kunnen ontkomen (…)”
onduidelijk is hoe de formulering van de meerwaardeclausule in het contract is gekomen(argument (b)), het hof miskent dat de meerwaardeclausule is neergelegd in een notariële akte, hetgeen meebrengt dat partijen van de inhoud van de akte kennis hebben kunnen nemen, de notaris hen mededeling heeft gedaan van de zakelijke inhoud daarvan [43] , en hen daarop zo nodig een toelichting heeft gegeven.
niet relevantzijn voor de betekenis van die clausule. Ik verwijs naar alinea 2.17 hiervoor.
uit de verklaring van [betrokkene 2] blijkt dat [verweerder] en [betrokkene 1] niet hebben gesproken over de uit de tekst van de meerwaardeclausule blijkende beperking tot het (doen) bouwen door (alleen) De Kleine Meijerij.Uit de verklaring van [betrokkene 2] blijkt niet
ofpartijen toen of later hebben gesproken over de tekst van de meerwaardeclausule en de daaruit blijkende beperking, maar dat niet wil zeggen
datzij daarover niet hebben gesproken.
partijen pas naar de notaris zijn gegaan nadat de afspraak mondeling was gemaakt(eveneens onder (c)), maakt niet dat de tekst van de meerwaardeclausule als nadere invulling van die afspraak niet relevant is voor de betekenis daarvan.
Wij zijn denk ik drie keer bij een gekomen, dat weet ik niet meer zeker. De derde keer was er een deal. (…) Wij hebben tijdens de gesprekken gesproken over mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Als het zo zou zijn dat er later commerciële ruimtes zouden komen, dan zou er meer betaald worden. Anders waren wij er nooit uitgekomen. (…) Besproken is dat als er een supermarkt zou komen we weer aan tafel zouden gaan om weer te heronderhandelen. (…)
tijdens de gesprekken waarbij [betrokkene 2] aanwezig was.
tijdens de gesprekken waarbij [betrokkene 2] aanwezig wasen dat partijen tijdens
dezegesprekken tot een mondelinge afspraak zijn gekomen, waarna zij naar de notaris zijn gegaan om de gemaakte afspraak vast te leggen.
niet relevantis voor de betekenis daarvan. Voor zover het subonderdeel hiervan uitgaat berust het opnieuw op een verkeerde lezing van het eindarrest.
uitgaande van de verklaring van [betrokkene 2]een beperking
niet strookt met de bedoeling van partijen.Daartoe wordt (wederom) aangevoerd dat uit de verklaring van [betrokkene 2] niet blijkt
ofpartijen toen of later hebben gesproken over de tekst van de meerwaardeclausule en de daaruit blijkende beperking en dat [betrokkene 2] na de bespreking van 24 april 1997 niet meer betrokken is geweest bij de nadere vastlegging van de afspraken in de akte van levering.
dat er meer betaald zou worden aan [verweerder] uit de winst die De Kleine Meierij zou kunnen maken (bestaande uit de waardevermeerdering als gevolg van demogelijkheidtot ontwikkeling van commerciële ruimte).
eersteplaats dat, temeer nu het hof in rov. 9.1.5 heeft overwogen dat het voor de partijbedoeling aansluit bij hetgeen [betrokkene 2] hierover op overtuigende wijze heeft verklaard, deze uitleg onvoldoende begrijpelijk is in het licht van de verklaring van [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft namelijk niets verklaard dat kan bijdragen aan de opvatting dat reeds de
mogelijkheidtot ontwikkeling van commerciële ruimte de meerwaardeclausule zou activeren.
tweedeklaagt subonderdeel 2.7 dat de uitleg van de meerwaardeclausule door het hof onvoldoende begrijpelijk is, omdat het hof bij zijn beoordeling niet (kenbaar) heeft betrokken het betoog van De Kleine Meierij dat geen winst is gemaakt omdat [de percelen] met verlies zijn verkocht. [49] Dit betoog kan volgens het subonderdeel niet anders worden begrepen als (mede) inhoudende de stelling dat de meerwaardeclausule alleen inroepbaar is als
daadwerkelijkwinst wordt gemaakt.
uitgelegddat zij alleen kan worden ingeroepen als daadwerkelijk winst wordt gemaakt. Dit is niet onbegrijpelijk. Ik licht dit als volgt toe.
koper zelf(De Kleine Meierij) zou (doen) bouwen, en had dit partijdebat geen betrekking op (het al of niet fictieve karakter van) het
winstbegrip. In lijn hiermee heeft het hof in rov. 9.1.5 van het eindarrest (slechts) beoordeeld welk gewicht moet worden gehecht aan de tekstuele “beperking tot het (doen) bouwen door (alleen) De Kleine Meierij”. In de kennelijke en niet onbegrijpelijke opvatting van het hof was tussen partijen niet in geschil dat áls er overeenkomstig de door [verweerder] voorgestane uitleg van de meerwaardeclausule een onderhandelingsverplichting zou ontstaan (door het toegestaan zijn van commerciële ruimte), deze betrekking zou hebben op de
waardevermeerdering(als gevolg van de
mogelijkheidtot ontwikkeling). Daarbij is de vraag of – gegeven bijvoorbeeld verkoop aan een derde beneden de waarde –
daadwerkelijkwinst is gemaakt, niet relevant.
tweedeklacht stuit mijns inziens dan ook af op de omstandigheid dat de uitleg van het winstbegrip niet in geschil was.
eersteklacht.
waard is, niet onbegrijpelijk zou zijn indien het hof als uitlegoordeel zou hebben gegeven dat als op de percelen grond commerciële ruimte zou worden
toegestaanpartijen zouden onderhandelen en er meer betaald zou worden aan [verweerder] uit de winst die De Kleine Meierij zou
kunnenmaken (bestaande uit de waardevermeerdering als gevolg van de
mogelijkheidtot ontwikkeling van commerciële ruimte). Dit geldt temeer nu het hof in rov. 9.3.1 vaststelt dat partijen ten tijde van de verkoop in 1997 wisten dat de grond meer waard zou worden op het moment dat daar commerciële ruimte zou worden toegestaan. Nu hier in cassatie geen klachten tegen zijn gericht, staat tussen partijen vast dat zij ten tijde van de transactie wisten dat de grond meer waard zou worden op het moment dat commerciële ruimte door de gemeente zou worden
toegestaanen dus
mogelijkwas.
derdeklaagt subonderdeel 2.7 dat de (motivering van de) uitleg van dit onderdeel van de meerwaardeclausule temeer onvoldoende begrijpelijk is, omdat zij in geen van de (overige) onderdelen van de door het hof gegeven motivering steun vindt.