Conclusie
de Curator,
[verweerster],
1.Feiten en procesverloop
[A]) te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 1.346,85, een billijke vergoeding van € 10.000 en een vergoeding op grond van art. 7:672 lid 10 BW Pro van € 2.020,27. [verweerster] beriep zich op onregelmatige opzegging van haar arbeidsovereenkomst door [A] .
het hof). Het beroepschrift was gericht tegen [A] .
2.Juridisch kader
uitsluitend ziet op de instantie waar het geding aanhangig is op het moment van faillietverklaring. [14] Is op dat moment reeds uitspraak gedaan, dan wordt het geding niet geschorst indien daarna een rechtsmiddel wordt aangewend. Dit betekent dat in die gevallen niet de uitkomst van de verificatievergadering wordt afgewacht, maar wordt doorgeprocedeerd. Als het de curator is die het rechtsmiddel heeft ingesteld, wordt aangenomen dat daarin reeds ligt besloten zijn keuze om de aanhangige procedure voort te zetten. Het gaat om vier arresten.
The Mill Resort. [15] Daar ging het, net als hier, om een rechtsvordering van een werknemer, de processuele wederpartij van de failliet. Anders dan hier echter (i) was de vordering toegewezen, (ii) was de schuldenaar in appel gekomen en (iii) was daarna diens faillissement uitgesproken. Op het moment van de faillietverklaring was het geding aanhangig in hoger beroep.
Wertenbroek q.q./Erven […](ook wel aangeduid als
Wertenbroek q.q./ […] c.s.). [16] In die zaak was (i) vóór de faillietverklaring een voor de schuldenaar veroordelend vonnis uitgesproken (ii) en was ná de faillietverklaring (iii) door de curator daartegen hoger beroep ingesteld, en volgde later nog cassatieberoep. De Hoge Raad overwoog (rov. 3.3):
Dekker q.q./ […]. [17] In die zaak was de uitzondering van art. 30 lid 1 Fw Pro aan de orde. De Hoge Raad overwoog (rov. 3.6):
[…] /S., een schuldsaneringszaak. Hangende het door hem ingestelde appel werd S. onder bewind gesteld. Ingevolge de schakelbepaling van art. 313 lid 1 Fw Pro is art. 29 van Pro overeenkomstige toepassing op de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Desondanks was de procedure hangende het hoger beroep niet geschorst. […] stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het hem onwelgevallige arrest en bracht de dagvaarding uit aan S. In cassatie lag onder meer de vraag voor of het cassatieberoep ingevolge art. 29 Fw Pro moest worden geschorst. Deze vraag werd door de Hoge Raad ontkennend beantwoord: de schorsingsregeling ziet uitsluitend ziet op de instantie waar het geding aanhangig is als het faillissement wordt uitgesproken of de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard.
Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014: [18] een loonvordering van een ontslagen werknemer was in eerste aanleg (deels) toegewezen. Kort na deze uitspraak ging de werkgever failliet. De werknemer stelde hoger beroep in tegen de curator. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat een dergelijke situatie “
op één lijn [dient] te worden gesteld met de situatie van aanhangig zijn als bedoeld in artikel 29 Fw Pro. Dit brengt mee dat de procedure op grond van artikel 29 Fw Pro van rechtswege is geschorst (…) om alleen dan te worden voortgezet, indien de verificatie van de vordering betwist wordt.”
Hof Den Haag 15 juli 2014: [19] op het moment van faillietverklaring lag er een toewijzend vonnis tegen de failliet, de curator stelde hoger beroep in en bepleitte zelf schorsing als bedoeld in art. 29 Fw Pro. Op grond van de hiervoor genoemde rechtspraak van de Hoge Raad oordeelde het hof Den Haag echter dat doorgeprocedeerd moest worden.
Hof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2015: [20] een vordering van een schuldeiser was in eerste aanleg afgewezen. Kort daarna ging gedaagde failliet. De schuldeiser stelde hoger beroep in. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de procedure op grond van art. 29 Fw Pro “
alsnog moet worden geschorst”. Het overwoog dat in de zaak
Wertenbroek q.q./Erven […]het de curator was die hoger beroep en cassatie had ingesteld “
zodat, anders dan in de onderhavige zaak, de vraag of de curator de vordering wilde betwisten niet aan de orde was.” De zaak werd (alsnog) geschorst op de eerste dienende dag van het hoger beroep tot het moment waarop de curator kenbaar maakt dat hij de verificatie van de vordering betwist.
Hof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2015: [21] de faillietverklaring werd uitgesproken toen de procedure over een vordering zich in staat van wijzen bevond. Tegen het daarna gewezen vonnis stelde de schuldeiser hoger beroep in, gericht tegen de curator. Omdat de vordering ter verificatie moest worden ingediend, werd geoordeeld dat het geding van rechtswege is geschorst op de voet van art. 29 Fw Pro.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
tegen wieeen schuldeiser een rechtsmiddel moet instellen. Indien het rechtsmiddel wordt ingesteld na de datum waarop de schuldenaar failliet is verklaard, is duidelijk dat het dient te worden gericht tegen de curator. Als dat niet is gebeurd, bijvoorbeeld omdat de appellant onkundig is van het kort daarvoor uitgesproken faillissement en het rechtsmiddel daarom heeft gericht tegen de schuldenaar, vormt dat geen reden voor niet-ontvankelijkverklaring van het rechtsmiddel. De curator treedt dan in de plaats van de failliet. Dat heeft het hof, in cassatie onbestreden, terecht bepaald.
belangen van alle betrokken partijen: van de processuele wederpartij (hier zal de vordering van [verweerster] in elk geval geverifieerd moeten worden zodat schorsing haar niet zou moeten benadelen), van de andere schuldeisers (zij kunnen er belang bij hebben de rechtsvordering in kwestie te betwisten) en uiteraard van de boedel.
beoordelingsruimtehebben om te handelen op de wijze waarmee de boedel het meest is gediend. Als de curator een rechtsmiddel instelt om te voorkomen dat een voor de failliet ongunstige uitspraak in eerste aanleg kracht van gewijsde krijgt en daarmee de mogelijkheid te behouden de vordering te betwisten, moet het hem ook zijn toegestaan op onmiddellijke schorsing van de procedure aan te sturen. Anders kan het voorkomen dat zinloze procedures worden gevoerd.
The Mill Resort(mijn cursivering):
Alleen wanneer de procedure voor dezelfde rechter wordt voortgezet, bijvoorbeeld na een tussenvonnis, wordt art. 25 Fv Pro (29 FW) opnieuw toepasselijk. Wordt daarentegen het proces voor een hogere rechter voortgezet, dan geschiedt dit niet, aldus Molengraaff-Star Busmann, t.a.p. 1951, p. 200 (nt. 1), verwijzend naar p. 219 (bedoeld is, denk ik, p. 199), tenzij, zo voeg ik er als m.i. vanzelfsprekend aan toe, de eerdere instantie herleeft indien in appel of cassatie vernietigd wordt op de grond dat geschorst had moeten worden. (…).”
Het geding wordt, zodra het aanhangig is, geschorstom na de betwisting der vordering ter verificatie te worden voortgezet. (…)
Is de eiser degene die het proces heeft verloren, dan handele hij op dezelfde wijze. Hij dagvaarde den gefailleerde in hoger beroep of cassatie. Ingevolge art. 29 wordt Pro het geding geschorst, zodra het aanhangig is.Tevens diene hij zijn vordering in ter verificatie. Wordt in de verificatie-vergadering de toelating betwist, dan wordt het nu in hoger beroep of cassatie aanhangige geding voortgezet tegen den curator of den schuldeisers die de betwisting doet.”
eerste kritiekpunthoudt in dat de toepasselijkheid van art. 29 Fw Pro afhankelijk is gemaakt van de willekeurige volgorde tussen het uitspreken van het faillissement en het aanwenden van het rechtsmiddel. [33] Indien op het moment van faillietverklaring wél al een rechtsmiddel is ingesteld, dan is op grond van art. 125 Rv Pro sprake van een aanhangig geding en is het geding daarom op grond van art. 29 Fw Pro van rechtswege geschorst. Indien op dat moment geen rechtsmiddel is ingesteld (bijvoorbeeld omdat de termijn daarvoor pas een week later zou verstrijken), is er geen geding aanhangig en moeten partijen doorprocederen. Indien kort daarna (binnen de termijn) alsnog een geding aanhangig wordt gemaakt, zou dat niet anders worden omdat het faillissement al is uitgesproken. Deze formele benadering leidt tot een moeilijk te billijken verschil in rechtsgevolg tussen twee vergelijkbare situaties.
tweede kritiekpuntwerd hiervoor in 3.10 al even aangestipt. De curator of wederpartij die na het uitspreken van het faillissement beroep instelt – teneinde te voorkomen dat een beslissing onherroepelijk wordt – zal moeten doorprocederen, terwijl niet steeds duidelijk zal zijn of in het faillissement een uitkering zal kunnen worden gedaan. Als dat niet het geval is, dan is de voortzetting zinloos gebleken en zijn de daarmee gepaard gaande kosten tevergeefs gemaakt. [34] De in
Dekker q.q./ […]daarvoor gegeven reden, te weten dat de curator die een rechtsmiddel aanwendt daarmee al de keuze heeft gemaakt voor voortzetting van de procedure, kan mij niet overtuigen. [35] Zoals opgemerkt, zal aan het instellen van een rechtsmiddel door de curator veelal ten grondslag liggen de wens te voorkomen dat de uitspraak in kracht van gewijsde gaat. [36]
derde kritiekpuntheeft te maken met de positie van betwistende schuldeisers. Doordat geen schorsing plaatsvindt, moet de procedure door of tegen de curator worden voortgezet tot in hoogste instantie, terwijl nog geen verificatievergadering heeft plaatsgevonden. Dat heeft tot gevolg dat de schuldeisers van de failliet niet of nauwelijks invloed op de procedure kunnen uitoefenen. Het is niet ondenkbaar dat de procedure zich ten tijde van de verificatievergadering, die vaak in een laat stadium van het faillissement wordt gehouden, in een vergevorderd stadium bevindt. [37] Andere schuldeisers mogen zich pas in de procedure voegen nadat zij de in het geding zijnde vordering ter verificatievergadering hebben betwist. Als er toch al een procedure tussen de curator en de wederpartij loopt, verdient het vanuit het oogpunt van doelmatigheid en een goede rechtsbedeling de voorkeur dat schuldeisers daaraan meteen kunnen deelnemen. Verstijlen heeft mijns inziens met recht het standpunt verdedigd dat het verkieslijker is de door een rechtsmiddel geopende instantie meteen op de voet van art. 29 Fw Pro te schorsen. [38]