Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het vereiste opzet van de verdachte niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Het
tweede middelkomt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte de Whatsapp-berichten heeft “toegezonden of aangeboden” als bedoeld in art. 266, eerste lid, Sr. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage pagina 3-5 van het stamproces-verbaal), voor zover inhoudendede op 26 februari 2016 afgelegde verklaring van [benadeelde]-zakelijk weergegeven-:
Deverklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 28 augustus 2019, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Het als bijlage op pagina 17 bij het stamproces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheid, inhoudende de inhoud van Whatsapp-berichten (verzonden op 24-02-2016 door [verdachte] ):
Deverklaring van [betrokkene 1], afgelegd tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 13 februari 2018, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Standpunt raadsman
NJ2019/253, m.nt. Vellinga. Evenals in de onderhavige zaak stond in die zaak de strafbaarheid van beledigende uitingen wanneer zij schriftelijk worden aangeboden of toegezonden aan een ander of aan anderen dan de beledigde in het licht. De Hoge Raad oordeelde “dat met een ‘toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding’ is bedoeld een geschrift dat of afbeelding die aan de desbetreffende (beledigde) persoon is toegezonden of aangeboden”. Het oordeel van het hof in de zaak die toen voorlag, dat de geschriften niet aan de beledigde waren toegezonden was evenwel zonder nadere uitleg niet begrijpelijk. Daartoe nam de Hoge Raad in aanmerking dat het hof had vastgesteld dat de brieven van de verdachte over de beledigde persoon waren gericht aan zijn gezagsdrager, de (loco)burgemeester van Amstelveen of diens opvolgers, en dat het hof eveneens had overwogen dat erop kon worden gerekend dat de beledigde van de inhoud van deze brieven op de hoogte zou raken, hetgeen ook daadwerkelijk was gebeurd.
NJ2019/253, m.nt. Vellinga de vrijspraak van het hof wegens een motiveringsgebrek casseerde. In die zaak had de verdachte zich op eigen initiatief schriftelijk tot de derden gewend. Er was geen sprake van een vertrouwelijke setting of een uitnodiging het hart te luchten. De geschriften waren gericht aan verschillende ambtsdragers met zeggenschap over de beledigde en niet aan één persoon. Daarom had het hof in die zaak moeten onderzoeken of niet toch gezegd kon worden dat de verdachte de geschriften de beledigde had toegezonden of aangeboden.
Stb. 2017/82) heeft onder meer tot gevolg dat met ingang van die datum de rechter niet langer de mogelijkheid heeft om vervangende hechtenis te verbinden aan de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, voor het geval geen volledige betaling of volledig verhaal volgt. In plaats daarvan kan de rechter het dwangmiddel van de gijzeling opleggen, die evenals de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar kan duren.