Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
d.d. 16 december 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende (blz. 154 en 158):
3.Beslissing
19 november 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplichtigheid aan hennepteelt door het gezamenlijk pand ter beschikking te stellen aan haar man, de medeverdachte, die in twee ruimtes hennep kweekte. Het hof baseerde zich op het feit dat de verdachte als mede-eigenaar en hoofdbewoner van de woning de ruimtes aan haar man ter beschikking had gesteld en wist van de hennepkwekerij.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft dat de verdachte door actieve gedragingen gelegenheid heeft verschaft tot de hennepteelt. Het enkele feit dat zij mede-eigenaar en hoofdbewoner was en de ruimtes aan haar man ter beschikking stelde, is onvoldoende omdat haar man die ruimtes kennelijk al ter beschikking had. Ook de bekendheid met de hennepteelt door haar man leidt niet zonder meer tot een rechtsplicht voor de verdachte om dit te beletten of te beëindigen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. De advocaat-generaal had het cassatieberoep verworpen. De zaak betreft het hof Den Haag arrest van 24 april 2017.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.