Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelkeert zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van gewoontewitwassen.
4. Waardering van het bewijs
[…]”
NJ2019/298, m.nt. Rozemond de uitgangspunten voor het bewijs van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420 bis Pro e.v. Sr) als volgt heeft samengevat:
NJ2019/298, m.nt. Rozemond, tevens geklaagd dat het hof (door het onderliggende vonnis te bevestigen) een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Ter onderbouwing wijst de steller van het middel erop dat door de verdediging ook in hoger beroep stukken in het geding zijn gebracht, waaronder aan- en verkoopakten van een tweetal gronden, een taxatierapport, een nadere uitleg van een makelaar, en een bij de notaris opgemaakte verklaring van [betrokkene 3] naar aanleiding van door de verdediging gestelde vragen. De verklaring van de verdachte is, althans volgens de steller van het middel, concreet en verifieerbaar aan de hand van de gegevens op de akten van de aan- en verkoop van de gronden, zoals de kadastrale aanduiding van de gronden en de in de akten vermelde namen van de aan- en verkopende partijen. Het lag op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte, nu de verdachte “een concrete verwijzing [heeft] gegeven voor de legale herkomst van de gelden zijnde een nalatenschap waarmee belegd is” en de verdachte “meerdere malen [heeft] verzocht tot het horen van getuigen/deskundigen die deze verklaring (nog) concreter kunnen maken”. [14]
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat door het niet oproepen van de door de verdachte opgevoerde “getuige” [betrokkene 3] en “getuigen/deskundigen” [betrokkene 5] en notaris [betrokkene 6] het verdedigingsbelang niet is geschonden.
[…]
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen
Voorwaardelijk verzoek
[betrokkene 5] is derhalve deskundig op het gebied van alle aspecten rond onroerende zaken in Suriname.
NJ2014/441, m.nt. Borgers (rov. 2.5) ten aanzien van de maatstaf van het verdedigingsbelang overwogen dat in de rechtspraak en de doctrine wordt aangenomen dat die maatstaf het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van “getuigen” te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing [20] dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. [21]
i) de opgegeven getuige [betrokkene 3] iets zou kunnen verklaren over de door de verdachte gestelde erfenis na het overlijden van zijn vader, omdat er geen enkel stuk en geen enkele verklaring in het geding is gebracht waaruit blijkt dat sprake is geweest van zo een erfenis;
ii) notaris [betrokkene 6] noch als getuige noch als deskundige iets zou kunnen verklaren over de concrete grondtransacties, aangezien zij geen enkele feitelijke betrokkenheid heeft gehad bij die grondtransacties of de totstandkoming van de daarbij behorende aktes;
iii) makelaar [betrokkene 5] noch als getuige noch als deskundige iets zou kunnen verklaren over de concrete grondtransacties, aangezien hij geen enkele feitelijke betrokkenheid heeft gehad bij die grondtransacties of de totstandkoming van de daarbij behorende aktes.
derde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het hof ten onrechte althans op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat de aan de verdachte en zijn echtgenote toebehorende woning kan worden verbeurdverklaard. Het hof zou in zijn motivering zijn voorbijgegaan aan het bepaalde in art. 33a, eerste lid onder a, Sr, aangezien vaststaat dat de woning door middel van een reguliere aankoop is aangekocht en dus niet geheel of grotendeels uit baten van een strafbaar feit is verkregen.
Beslag
onder b, Sr. [24] Het gaat hier immers om voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan (corpora delicti). Dit volgt ook uit de aanvullende overwegingen van het hof ten aanzien van de verbeurdverklaring van de woning. In die aanvullende overwegingen ligt dus
nietbesloten dat het hof heeft geoordeeld dat de woning geheel of grotendeels uit baten van een strafbaar feit is verkregen. In weerwil van het betoog van de steller van het middel, heeft het hof niet de verkeerde maatstaf toegepast.