Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
ik begrijp: “wat”, EH) verdachte niet kon zien aankomen, moet verdachtes gedraging - waarbij het hof de ruime ervaring van verdachte in het ijshockey betrekt - naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als te zijn gericht op het ten val brengen van aangever. Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte opzet heeft gehad aangever te mishandelen en acht het hof mitsdien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De stelling van de verdediging dat het gevolg
(het hof begrijpt: het letsel)veeleer is veroorzaakt door een gebrekkige helm en het feit dat [slachtoffer] niet stevig op zijn schaatsen stond, blijkt niet uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en wordt dan ook verworpen.
eerstemiddel beoogt te klagen, als ik het nagenoeg geheel feitelijke betoog (met een uitleg van de spelregels) in dat verband goed begrijp, dat door het hof niet begrijpelijk dan wel niet toereikend is gemotiveerd dat de handelwijze van de verdachte “buiten de grenzen van de sport- en spelsituatie was gelegen” en derhalve wederrechtelijk was.
NJ2008/375, m.nt. Keijzer en 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1769,
NJ2019/453, m.nt. Wolswijk [2] heeft de strafkamer van de Hoge Raad tot algemeen uitgangspunt genomen dat de omstandigheid dat een gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie in het voorkomende geval van belang kan zijn voor de vraag of het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als mishandeling. Deelnemers aan een sport hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl bij een door duidelijke spelregels afgebakende sport die spelregels mede van belang zijn voor het bepalen van de grenzen van de wederrechtelijkheid. “Dat geldt echter niet – zo nuanceert de Hoge Raad nader – voor gedragingen die losstaan van een spelsituatie waarbij een speler een andere speler letsel toebrengt, terwijl bij gedragingen die in een spelsituatie plaatsvinden, een speler de spelregels op dusdanige wijze kan schenden en zo gevaarlijk kan handelen dat van het ontbreken van wederrechtelijkheid geen sprake kan zijn.” [3] Dit toetsingskader in strafzaken is in overeenstemming met een aantal door de civiele kamer van de Hoge Raad gewezen arresten in het verband van een onrechtmatige daad door deelnemers aan een sport of een spel. Daarbij wordt telkens vooropgesteld dat de vraag of de desbetreffende deelnemer onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een ander letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in een sport- en spelsituatie had plaatsgevonden. [4] In een sport- of spelsituatie zal, zo overweegt (ook) de civiele kamer, men tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen van elkaar mogen verwachten.
buiteneen spelsituatie dan wel
in een directespelsituatie. [5] Deze noodzaak tot nuancering geldt uiteraard ook voor ijshockey, een sport die bekend staat om zijn snelle spel met veel lichamelijk contact. [6] Wat betreft de directe spelsituatie dringt zich het beeld van de bodycheck op. Deze is op het hoogste niveau bij de heren op het moment dat een speler met het lichaam de tegenstander de puck tracht te ontnemen op zichzelf geoorloofd en is, sterker nog, op dat niveau een wezenlijk onderdeel van het spel. Wanneer de bodycheck volgens de regels der kunst wordt uitgevoerd, zou hij geen (voorzienbaar) gevaar of verwonding bij de tegenspeler moeten opleveren. Wordt een bodycheck in een directe spelsituatie gemankeerd toegepast en leidt deze overtreding, want dat is het in dat geval, tot een (ernstige) blessure bij de tegenspeler, dan volgt een straf, bijvoorbeeld een match penalty.
buitende spelsituatie is verricht en dat het slachtoffer geen spelgevaarlijke gedraging (meer) van de verdachte had te verwachten. Anders dan de steller van het middel lijkt te willen betogen, is, gezien de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, geen sprake geweest van een situatie waarin de door de verdachte uitgevoerde handelingen onderdeel uitmaakten van een door het slachtoffer eerder ingezette overtreding en deze handelingen aldus voortkwamen vanuit een emotionele reflex. In het licht van de bewijsmiddelen kon, zoals het hof heeft gedaan, de situatie worden beoordeeld vanaf het moment dat de verdachte en het slachtoffer reeds uiteen waren gegaan. De opmerking van de steller van het middel dat “van de beoordeling door het hof van het onderhavige, bepaald niet uitzonderlijke voorval moet worden gezegd dat deze geen blijk geeft van kennis van en begrip voor de bijzondere kenmerken van de ijshockeysport”, laat ik verder voor wat het is.
tweede middelbehelst welwillend gelezen de klacht dat de bewezenverklaring van het opzet onvoldoende met redenen is omkleed.
derde middel, de schriftuur opnieuw welwillend gelezen, richt zich tegen ’s hofs motivering van (wat ik kortheidshalve maar noem) het causale verband tussen de gedraging en het letsel.
NJ2019/453, m.nt. Wolswijk en met herhaling van zetten die reeds in feitelijke aanleg waren gedaan – aan, dat voor het aannemen van enig causaal verband “twee momenten” in de weg staan: (i) het slachtoffer viel omdat hij niet op zijn schaatsen bleef staan en (ii) het slachtoffer verloor zijn helm vanwege een tekortkoming daaraan.
out of game(cursivering van mij, EH), but I will find appropriate that a player who act in the way described above and isn’t able to control himself, injure severely opponent and put his life in balance, should be suspended definitively from every ice rink or for a very long period.”
vierde middelklaagt dat de toewijzing van de schadevergoeding – de toewijzing van de
vorderingvan de benadeelde partij door het
hof, begrijp ik welwillend, EH – onjuist, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd.