ECLI:NL:PHR:2020:868

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2020
Publicatiedatum
29 september 2020
Zaaknummer
19/03452
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 116 SvArt. 134 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid klager in beklag tegen beslag na teruggave aan rechthebbende

De rechtbank Gelderland heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag tegen het beslag op goederen die zich bevonden in een Mercedes A180, omdat de auto met de goederen inmiddels was teruggegeven aan de rechthebbende, een in Bulgarije gevestigd autobedrijf. Klager was passagier in de auto en stelde eigenaar te zijn van de goederen, maar de rechtbank oordeelde dat het beslag onder een ander was gelegd en dat het klaagschrift daarom niet ontvankelijk was.

Klager voerde aan dat het klaagschrift mede moest worden opgevat als een beklag ex art. 116 lid 3 Sv Pro, dat ziet op een beklag van degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen, maar deze stelling werd door de Hoge Raad verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat het klaagschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het beslag door teruggave aan de rechthebbende is beëindigd en klager niet de beslagene was.

De Hoge Raad volgt hiermee de conclusie van de procureur-generaal en verwijst naar eerdere jurisprudentie die bevestigt dat art. 116 lid 3 Sv Pro alleen ziet op de beslagene. Hierdoor kan klager niet ontvankelijk worden verklaard in het cassatieberoep. De zaak toont de strikte toepassing van ontvankelijkheidsregels bij beklag tegen beslag na teruggave.

Uitkomst: Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep omdat het beslag is beëindigd door teruggave aan de rechthebbende.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/03452 B
Zitting30 juni 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de klager.
1. De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft de klager bij beschikking van 18 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag gericht tegen de zich in de onder een ander [1] inbeslaggenomen auto (Mercedes A180 met Bulgaars kenteken [kenteken]) bevindende goederen (rookwaren, kleding, schoeisel en papieren van de ING-bank).
2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/03454B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4.
Het middel
4.1.
Het middel klaagt dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag.
4.2.
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De procedure
Uit het politiedossier blijkt dat op 13 maart 2019 in beslag is genomen een Mercedes A180 met Bulgaars kenteken [kenteken]. Klager was passagier in deze auto.
Op 22 mei 2019 is bij deze rechtbank binnengekomen het klaagschrift van klager ingevolge artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, welk klaagschrift betrekking heeft op de verschillende goederen die zich in deze auto zouden bevinden, te weten rookwaren, kleding en schoeisel en papieren van de ING-bank.
Het onderzoek in raadkamer
In openbare raadkamer van 18 juli 2019 zijn gehoord:
- mr. S. van Minderhout, ter vervanging van mr. A.W.A.P. Doesburg;
- de officier van justitie.
De raadkamer deelt mee dat er twee aanvullende processen-verbaal van politie zijn binnengekomen, waaruit blijkt dat de Mercedes, met de zich daarin bevindende goederen, door tussenkomst van bureau “Sirene”, reeds is teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde een in Bulgarije gevestigd autobedrijf [A].
Het standpunt van klager
In het klaagschrift heeft klager zich op het standpunt gesteld dat de onder klager inbeslaggenomen goederen aan hem moeten worden geretourneerd. Daartoe is, kort samengevat, aangevoerd klager eigenaar is van de vermelde goederen. Hij heeft deze goederen niet door enig strafbaar feit verkregen of onttrokken aan de rechthebbende. Klager wordt bezwaard door de inbeslagneming en voortduring daarvan, om hij hierdoor in zijn eigendomsrecht wordt beperkt. Naar het oordeel van klager verzet het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave, nu immers de strafzaken tegen klager en (medeverdachte) [betrokkene 1] zijn geseponeerd.
Ter zitting heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de raadkamer.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangegeven dat de Mercedes, met de zich daarin bevindende goederen, reeds is teruggegeven aan de rechthebbende, te weten een leasemaatschappij in Bulgarije. Het klaagschrift dient derhalve ongegrond verklaard te worden.
De beoordeling
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
In een procedure als deze toetst de raadkamer de rechtmatigheid van het beslag en slechts marginaal het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering. De raadkamer overweegt voorts dat in het kader van deze raadkamerprocedure op basis van een klacht ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek, gelet op de aard van die procedure, niet anders dan summier kan zijn.
Het is niet komen vast te staan dat het beslag onrechtmatig is.
Uit de aanvullende processen-verbaal is komen vast te staan dat de Mercedes, met de zich daarin bevindende goederen, door tussenkomst van bureau “Sirene”, is teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde een in Bulgarije gevestigd autobedrijf. Ingevolge artikel 134, lid 2, Sv wordt het beslag beëindigd doordat het inbeslaggenomen voorwerp wordt teruggegeven. Door de teruggave van de auto is het beslag derhalve beëindigd. Nu er geen beslag meer ligt, dient klager niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn klaagschrift. Dit geldt ook voor de goederen die zich volgens klager in de auto bevonden.
De raadkamer zal daarom beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.
De beslissing
De raadkamer
verklaart klager niet-ontvankelijk in het klaagschrift.”
4.3.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de klager ontvankelijk is in zijn beklag, omdat de auto is teruggegeven aan een ander dan de beslagene, terwijl art. 116, derde lid, Sv niet is toegepast, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het beklag het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de officier van justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv Pro het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene te doen teruggeven, alsof die teruggave nog niet had plaatsgevonden.
4.4.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de auto, waarin de goederen waarvan door de klager de teruggave wordt verzocht zich bevonden, op 13 maart 2019 in beslag is genomen en de klager passagier in deze auto was. Als gezegd blijk uit een zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindend mutatierapport dat de auto onder [betrokkene 1] (de bestuurder van de auto) in beslag is genomen. In het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 18 juli 2019 heeft de raadkamer opgemerkt dat er geen apart beslag is gelegd op de spullen in de auto. Voorts heeft de rechtbank in de bestreden beschikking vastgesteld dat de auto, met de zich daarin bevindende goederen, door tussenkomst van bureau “Sirene”, reeds is teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde een in Bulgarije gevestigd autobedrijf [A]. [2]
4.5.
Het middel berust op de opvatting dat de rechtbank, niettegenstaande de teruggave van de auto aan de rechthebbende autobedrijf [A], het klaagschrift ontvankelijk had moeten achten, omdat het klaagschrift mede moet worden opgevat als een beklag in de zin van art. 116, derde lid, Sv. Die opvatting is onjuist, in aanmerking genomen dat die bepaling ziet op een beklag van degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen (vgl. o.a. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3106). In deze zaak is, zoals de rechtbank - in het licht van de processtukken niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld, de auto - met de zich daarin bevindende spullen - in beslag genomen onder [betrokkene 1] en niet onder de klager. De Rechtbank heeft het klaagschrift dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. [3]
4.6.
Het voorgaande brengt mee dat de klager, nu het beslag op de auto door de teruggave daarvan is beëindigd (art. 134, tweede lid, onder a Sv) niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep. [4]
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Uit het mutatierapport (PL0600-2019111461-1, blad 5), dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, blijkt dat de klager in de samenhangende zaak 19/03454B, [betrokkene 1], de beslagene is.
2.Uit het aanvullende proces-verbaal d.d. 10 juli 2019 (PL0600-2019111461-23) blijkt dat de auto op 26 maart 2019 is overgedragen aan een speciaal naar Nederland afgereisde “vertegenwoordiger” van de in Bulgarije gevestigde leasemaatschappij.
3.Vgl. HR 25 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1017 en HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3106.
4.Vgl. HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:756.