Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
22 mei 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van klager tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een klaagschrift op grond van art. 552a Sv. Het klaagschrift strekte tot teruggave van een inbeslaggenomen Porsche die op naam stond van de vader van klager.
De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard en de auto bleef in beslag. Later werd de auto op 11 september 2017 teruggegeven aan de verzekeraar Kravag-allgemeine Versicherungs-AG, waarmee het beslag feitelijk was beëindigd.
De Hoge Raad oordeelt dat nu het beslag is beëindigd, het cassatieberoep niet-ontvankelijk is. Bovendien is klager niet de beslagene, waardoor de bijzondere regeling van art. 116, derde lid, Sv niet van toepassing is. De Hoge Raad verklaart het beroep van klager daarom niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens beëindigd beslag en ontbreken van beslagene-status.