Conclusie
1.Feiten en procesverloop
BENEDENde vrijgavenorm van 0,01 v/ml lucht. Op grond van de resultaten van de visuele inspectie en eventueel het beschreven onderzoek mag de onderzochte ruimte
WELzonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen worden betreden.’
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klachtheeft betrekking op het oordeel van het hof in rov. 5.6-5.7 dat Bart’s Retail op grond van art. 7:208 BW Pro aansprakelijk is voor schade als gevolg van de aanwezigheid van asbestverontreiniging in het bedrijfspand en de daarop volgende (herhaalde) stopzetting van de exploitatie van de bakkerij. Bart’s Retail klaagt dat het hof in rov. 5.4 tot en met 5.7, met name in rov. 5.6-5.7, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijke gedachtegang omtrent het bepaalde in art. 7:208 BW Pro, meer in het bijzonder van de in dat artikel bedoelde derde situatie, dat de verhuurder bij het aangaan van de overeenkomst heeft te kennen gegeven dat de zaak het gebrek niet had. [6]
kan bij voorbeeld al naar die bedoeling een garantie inhoudenin dier voege dat de verhuurder alle gevolgen voor zijn rekening neemt die de aanwezigheid van het gebrek - nu of ook in de toekomst - voor de huurder zal hebben.
Maar in elk geval behoort een te kennen geven door de verhuurder dat het goed een zeker gebrek niet heeft terwijl dat gebrek op dat ogenblik wel aanwezig is, de verplichting tot schadevergoeding mee te brengen. En dat geldt niet alleen bij opzettelijke onjuistheid: de verhuurder behoort het risico van onjuiste mededelingen te dragen. (…) (onderstreping A-G)’ [14]
gaat dit artikel ervan uit dat de enkele aanwezigheid van een gebrek weliswaar een tekortkoming oplevert, maar dat deze niet zonder meer aan de verhuurder mag worden toegerekend,zoals nodig is, wil de huurder recht op schadevergoeding terzake van dit gebrek hebben.
Dit artikel bepaalt nader op welke gronden toerekening aan de verhuurder kan plaatsvinden. (…)
of uitdrukkelijk gezegd heeft dat het dak niet lekte,hetzij omdat het lek later is ontstaan door een oorzaak die hem is toe te rekenen, bijv. door een ondeugdelijke reparatie. (onderstreping A-G)’ [15]
Artikel 208 geeft Pro met het oog hierop een nadere precisering, in die zin dat in de hier genoemde gevallen de tekortkoming krachtens de wet voor rekening van de verhuurder komt. Dit artikel heeft daarmee in ieder geval deze functie dat in die gevallen discussie is uitgesloten over de vraag die zou moeten worden beantwoord indien het artikel niet zou bestaan, te weten of de tekortkoming krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de verhuurder komt. Men zou bijvoorbeeld geredelijk kunnen aarzelen over de vraag of in een geval waarin de verhuurder te kennen heeft gegeven dat de zaak een bepaald gebrek niet had, terwijl hij dit gebrek niet kende noch behoorde te kennen, kan worden gezegd dat het om een tekortkoming gaat die krachtens verkeersopvattingen voor zijn rekening komt’(onderstreping A-G). [16]
Artikel 208 namelijk Pro noemt uitdrukkelijk een paar omstandigheden die een tekortkoming van de verhuurder betekenen.Als de verhuurder het gebrek kende bij het aangaan van de overeenkomst, moet hij de schade die door het gebrek is veroorzaakt, vergoeden.
Heeft de verhuurder tegen de huurder gezegd dat de zaak geschikt was voor een bepaald gebruik, maar dit blijkt onjuist, dan is er sprake van een gebrek en moet de verhuurder de schade veroorzaakt door het gebrek, aan de huurder vergoeden.
NJ2010/474 (
KPN/[…] ) – in de huurovereenkomst of de daarbij behorende Algemene Bepalingen geen verklaring omtrent de afwezigheid van asbest is opgenomen (zie hof r.o. 3.6). Ten tweede voert Bart’s Retail aan dat de in rov. 5.6 bedoelde asbestvrij-verklaring slechts (een) rapport(en) van externe deskundigen betreft met de daarin opgenomen eindcontrole die heeft plaatsgevonden op 6 februari 2010, waaruit volgt, kort samengevat, dat de asbestsanering was voltooid en (alle) (schadelijke) asbest was verwijderd. Bart’s Retail heeft enkel en alleen melding gemaakt van de in het verleden door een deskundige derde partij uitgevoerde asbestsanering en niet gemeld dat met de verwijdering van asbestplaten het pand asbestvrij zou zijn. [20] Ook wijst Bart’s Retail erop dat zij de afwezigheid van asbest niet heeft gegarandeerd en dat zij op grond van het certificaat geen wetenschap van de aanwezigheid van asbest in het gehuurde had ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met [verweerder 2] , noch wetenschap behoorde te hebben. [21] Een en ander, in onderling verband en samenhang bezien, vormt geen verklaring van Bart’s Retail aan [verweersters] in de zin van art. 7:208 BW Pro. [22]
NJ2010/474 (
KPN/ […]), biedt dat geen soelaas. In dat arrest staat niet de kennisgeving uit art. 7:208 BW Pro centraal, maar de vraag of de aanwezigheid van asbest kwalificeerde als een gebrek. In dat verband heeft Uw Raad in rov. 5.1.2 overwogen:
.
in het geheelgeen asbest bevat. Dat is mijns inziens gezien het tussen partijen gevoerde debat niet onbegrijpelijk, ondanks dat uit het rapport van de door AMOS verrichtte asbestinventarisatie op basis waarvan in 2010 gesaneerd is, blijkt dat de inventarisatie was beperkt tot de besmette bron, te weten de plafondbeplating. [25] Bart’s Retail heeft zelf gesteld dat zij zelf en [verweersters] er op grond van het certificaat op mochten vertrouwen dat asbestgebreken afwezig waren en dat (ook zij ervan uitging dat) de sanering op het gehele gehuurde betrekking had. [26] Gezien de uitleg die volgens mij moet worden gegeven aan de kennisgeving zoals bedoeld in art. 7:208 BW Pro is met deze stelling deels tegenstrijdig de stelling van Bart’s Retail dat [verweersters] uit het certificaat niet mocht afleiden dat zij garandeerde, althans mededeelde, dat het pand asbestvrij was. [27] Verder heeft Bart’s Retail niet gesteld dat ze [verweersters] heeft medegedeeld dat alleen de plafondbeplating onderzocht is of dat [verweerder 2] onderzoek had moeten verrichten of navraag had moeten doen naar de omvang van de asbestinventarisatie en -sanering. Uit de stukken blijkt niet dat [verweersters] bij het aangaan van de overeenkomsten over het rapport van AMOS beschikte of anderszins op de hoogte was gebracht van het feit dat de asbestinventarisatie alleen zag op de plafondbeplating. [28]
tweede klachtheeft betrekking op het oordeel van het hof in rov. 5.8 dat het beroep van Bart’s Retail op de exoneratie(s) in de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof overwoog als volgt.
derde klachtheeft betrekking op het oordeel van het hof in rov. 5.9-5.12 dat sprake was van schuldeisersverzuim aan de zijde van Bart’s Retail , waardoor Bart’s Retail de overeenkomsten niet rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft kunnen ontbinden. Het hof overweegt in rov. 5.9-5.12:
geen gebruik kon worden gemaaktblijvend onmogelijk.’ (onderstreping A-G)
als eersteis tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de huur- en de franchiseovereenkomst. Dit oordeel is door Bart’s Retail in hoger beroep en cassatie niet expliciet bestreden. Bart’s Retail heeft in hoger beroep en cassatie wel gewezen op de ‘houding’ van [verweersters] ‘gedurende de periode dat partijen met elkaar in overleg zijn geweest.’ Ook heeft Bart’s Retail in hoger beroep onder meer gesteld dat [verweersters] al in 2011, dus voor de langere sluiting van de winkel ten behoeve van de asbestsanering in september 2012, te kennen had gegeven met de exploitatie te willen stoppen. [63] Zij heeft echter ook vermeld dat aan het door [verweersters] in maart 2012 geïnitieerde verkooptraject geen verder gevolg is gegeven. [64] [verweerder 2] heeft de exploitatie van de winkel voortgezet tot de sluiting in september 2012. Bart’s Retail heeft de ontbinding van de overeenkomsten pas bij brief van 11 juni 2013 aangezegd. Het hof heeft de stelling van Bart’s Retail dat zij uit mededelingen en gedragingen van [verweersters] gerechtvaardigd heeft kunnen afleiden dat [verweersters] haar verplichtingen niet, althans niet zonder tekortkomingen zou nakomen mijns inziens daarom aldus mogen begrijpen dat de vrees voor tekortschieten ziet op de hervatting van de exploitatie van de winkel na de sanering die in april 2013 is afgerond. [65] Het oordeel van het hof dat Bart’s Retail als eerste tekortschoot en het daarmee verwerpen van het beroep van Bart’s Retail op art. art. 6:80 lid 1 sub b jo Pro. 6:83 sub c BW voor zover dat ziet op de periode voor sluiting van de winkel in september 2013 – voor zover dat beroep al ziet op die periode – , is mijns inziens daarom ook niet onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd. In zoverre falen de onderdelen van de derde klacht.
In de onderhavige zaak was nakoming voor de dagen dat geen gebruik kon worden gemaakt van het gehuurde blijvend onmogelijk, zo heeft het hof terecht overwogen in rov. 5.11. [72] Bart’s Retail kon het schuldeisersverzuim dus niet zuiveren. Hetgeen het hof in het tweede deel van rov. 5.11 van het bestreden arrest overweegt, kort samengevat dat het door partijen gestelde omtrent de onderhandelingen over een oplossing over de tussen hen gerezen problemen niet afdoet aan het oordeel dat het schuldeisersverzuim doorliep aan de zijde van Bart’s Retail , zodat zij niet kon ontbinden, is in het licht van het vorenstaande mijns inziens niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk. De op deze passage betrekking hebbende subklacht slaagt niet.
vierde en vijfde klachtzijn voortbouwende klachten, inhoudende dat als de tweede en/of derde klacht slaagt, het oordeel van het hof in rov. 5.15- evenmin in stand kan blijven.