Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat door veranderde wetgeving de rechter bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel thans de duur van de gijzeling die met toepassing van art. 6:6:25 Sv Pro ten hoogste kan worden gevorderd dient te bepalen. Omdat deze wetgeving op het moment dat het hof uitspraak deed in de onderhavige ontnemingszaak nog niet van kracht was, heeft het hof nagelaten een beslissing te nemen over de maximale duur van de gijzeling.
De – in het middel gestelde - omstandigheid dat de rechter die de ontnemingsmaatregel oplegt de maximale duur van de te vorderen gijzeling kan matigen met het oog op de financiële draagkracht van de betrokkene maakt dat mijns inziens niet anders. Daarbij neem ik allereerst in aanmerking dat bij het bepalen van de maximale duur van de te vorderen gijzeling geen voorziening hoeft te worden getroffen voor het geval sprake zou zijn van betalingsonmacht, omdat evenals de vordering tot lijfsdwang de vordering tot gijzeling door de rechter niet kan worden toegewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling. Bovendien heeft de Wet USB mijns inziens geen gevolgen voor de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de draagkracht in beginsel aan de orde dient te worden gesteld in de executiefase en dat de draagkracht in het ontnemingsgeding alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. [7] In dat laatste geval ligt gelet op art. 36e, vijfde lid, Sv meer voor de hand dat de rechter bij de vaststelling van het te betalen bedrag rekening met dit gebrek aan draagkracht houdt dan bij het bepalen van de maximaal te vorderen duur van de gijzeling.