Conclusie
[eisers]) en verweerders in cassatie sub 1 en 2 (hierna:
[verweerders]) zijn buren van elkaar. [eisers] zijn sinds 2007 eigenaar van een pand (bruidswinkel en bovenwoning) aan de [a-straat 1a] . [verweerders] hebben in 2010 van verweerster in cassatie sub 3 (hierna:
Wooncompagnie) de naastgelegen woning aan de [a-straat 1] gekocht en in eigendom verkregen.
1.Feiten en procesverloop
[a-straat 1a].
[a-straat 1].
[betrokkene 1]), die het pand (ook) heeft laten bewonen door zijn werknemer(s). Vanaf 1991 hebben [verweerders] het pand ter bewoning gehuurd van Wooncompagnie, tot het moment dat zij in 2010 tot aankoop ervan overgingen.
de kadastrale erfgrens) is niet in geschil tussen partijen.
[verweerster 2]) heeft een progressieve ziekte, die op termijn tot gebondenheid aan een rolstoel zal leiden. [verweerders] willen een aanbouw maken aan hun woning om daar een mantelzorgkamer te bouwen.
in conventiegevorderd, voor zover in cassatie van belang, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primairomdat zij door verjaring daarvan eigenaar zijn geworden,
subsidiairomdat het [verweerders] niet vrijstaat zich als eigenaar daartegen te verzetten, omdat de ingestelde vorderingen misbruik van recht opleveren althans in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. [7]
in reconventie(onder meer) een verklaring voor recht gevorderd dat zij eigenaar zijn van het litigieuze stukje grond. [8]
principaal appel– zakelijk weergegeven – dat het hof het vonnis van 8 juli 2015 vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de in de inleidende dagvaarding van [verweerders] ingestelde vordering afwijst en de eis van [eisers] toewijst, met veroordeling van [verweerders] in de kosten van beide instanties. [12]
incidenteel appelingesteld, met conclusie - na vermeerdering van eis - het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 juli 2015 te vernietigen en opnieuw rechtdoende (onder meer):
tussenarrest van 28 november 2017 [14] heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, [verweerders] in de gelegenheid gesteld te reageren op de producties als door [eisers] in het geding gebracht bij memorie van antwoord in incidenteel appel.
tussenarrest van 25 september 2018 [16] heeft het hof overwogen dat grief I in het incidenteel appel – gericht tegen de in reconventie in rov. 5.11 toegewezen verklaring voor recht (zie hiervoor, onder 1.7) en de daaraan ten grondslag gelegde rov. 4.29 (zie hiervoor, onder 1.8) alsmede tegen de in rov. 5.12 bedoelde kostencompensatie in reconventie (zie hiervoor, onder 1.7) [17] – faalt.
eindarrest van 18 juni 2019 [18] heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 juli 2015 bekrachtigd (onder meer) voor zover het de onder 5.1 (in conventie) en onder 5.11 (in reconventie) uitgesproken verklaring voor recht betreft.
zeventig(en dus geen vijftig) centiare. Er zijn geen aanwijzingen die tot een andere conclusie nopen. Het hof zal dus ervan uitgaan dat [verweerders] (ook) eigenaar van de bewuste grond zijn.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Stichting Eelder Woningbouw/ […] [19] is het vaste rechtspraak dat het voor de uitleg van de goederenrechtelijke overeenkomst die besloten ligt in een notariële akte waarbij een onroerende zaak wordt geleverd, aankomt op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht, en dat deze partijbedoeling moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.
[…] / […]was sprake van de vestiging van een opstalrecht, waarbij (mogelijk) een discrepantie bestond tussen de beweerdelijke obligatoir overeengekomen duur van het te vestigen opstalrecht enerzijds en de in de (objectief uitgelegde) akte van vestiging vermelde duur anderzijds. In dat arrest sprak uw Raad van een ‘voor de in de akte vermelde duur
gevestigdopstalrecht’, waarin ‘geen verandering’ zou komen door de eventuele vaststelling dat partijen in de obligatoire overeenkomst een afwijkende duur zijn overeengekomen. Wel zou die vaststelling repercussies hebben tussen partijen. [28]
is overgedragenhetgeen in de akte van levering is vermeld. Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Een positief antwoord miskent het causaal stelsel van overdracht en het negatief registerstelsel. Derden kunnen ten hoogste onder omstandigheden bescherming genieten tegen leveringen die als gevolg van een titelgebrek gedeeltelijk effect missen.
meer is geleverd dan partijen bij de koopovereenkomst (die aan de overdracht ten grondslag lag) voor ogen stond [32] en waaruit, aldus [eisers] , voortvloeit dat de koopovereenkomst niet op het meerdere toezag waardoor voor overdracht van het meerdere een geldige titel ontbrak. [33]
eerste klacht(
randnrs. 4-5) begrijp ik aldus dat het hof in rov. 2.2 – vanwege de miskenning van het in 2.16 bedoelde betoog – ten onrechte (uitsluitend) uitleg heeft gegeven – naar objectieve maatstaven – aan de notariële akte van levering. Het hof had (ook) uitleg moeten geven aan de titel die ten grondslag lag aan de levering van de onroerende zaak, en wel aan de hand van de Haviltex-maatstaf.
tweede klacht(
randnr. 5) brengt naar voren dat het hof, nu [eisers] in essentie hebben gesteld dat er (20 m²) meer is geleverd dan partijen bij de koopovereenkomst voor ogen stond, [eisers] “
aldus” ex art. 151 lid 2 Rv Pro tot tegenbewijs had behoren toe te laten. Het hof heeft dit ten onrechte niet gedaan, danwel is het onbegrijpelijk waarom het hof zonder motivering is voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van [eisers] [40]
derde klacht(
randnr. 6) is “
in dit licht” – naar ik aanneem de stelling van [eisers] dat meer is geleverd dan partijen bij de koopovereenkomst voor ogen stond – onbegrijpelijk dat het hof in rov. 2.2 heeft overwogen dat:
dat meer is geleverd dan partijen bij de koopovereenkomst voor ogen stond, waaruit voortvloeit dat de koopovereenkomst niet op het meerdere toezag waardoor voor overdracht van het meerdere een geldige titel ontbrak.Ik wijs erop dat [eisers] in hun memorie van antwoord in incidenteel appel (nr. 5) aan het taxatierapport (nr. 2) en de koopovereenkomst (nr. 3) slechts de gevolgtrekking verbinden dat in de koopovereenkomst
en in de leveringsakteten onrechte sprake is geweest van het vermelden van 270 m², zijnde “een ‘slip of the pen’ althans een typefout, dan wel een hinderlijke slordigheid aan de zijde van de notaris.” Ik lees hierin niet het betoog dat de (objectief uitgelegde) levering niet wordt gedekt door de titel.
“(ook) eigenaar” van de bewuste grond zijn.
zeventigcentiare is verkocht. In het vervolg van rov. 2.2 (vanaf “De omstandigheden”) ligt het oordeel besloten dat hetgeen [eisers] overigens hebben aangevoerd, niet kan afdoen aan voormelde uitleg van hetgeen “
in de verkoop (…) was begrepen”.
tegenbewijstegen dwingend bewijs als bedoeld in art. 157 lid 2 Rv Pro, nu het hier niet een geschil tussen partijen bij de leveringsakte of hun rechtverkrijgenden betreft.
voortbouwende klacht(
randnummer 7).