Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
contracting(in dit geval: aanneming van werk) kenmerken: [13]
uitleenbedrijven (uitzendorganisaties, onderaannemers) die meer dan 75% van de totale activiteiten verrichten binnen de pluimveeverwerkende industrie”.
contracting:
contracting, A-G] gekomen door de door mr. dr. J.P.H. Zwemmer geformuleerde deelaspecten van contracting in diens artikel ‘Contracting en arbeidsrecht: over schijnconstructies, juridisch houdbare varianten en de gevolgen van de WAS en de WWZ’,
Tijdschrift Arbeidsrechtspraak2015/3, te bespreken. FNV had in eerste aanleg een beroep op dit artikel gedaan (productie 26 bij de inleidende dagvaarding). Met de grieven gaat FNV in op de deelaspecten van de door Zwemmer geformuleerde definitie van contracting. FNV betoogt dat er hier geen sprake is van een houdbare vorm van contracting. Daarbij verwijst zij naar een opinie die zij heeft laten opstellen door Zwemmer over het vonnis waarvan beroep (productie 22 bij de memorie van grieven).
Mevrouw LG2P is mijn leidinggevende bij [A].” en “
LG1P is voor de administratieve afhandeling van personeelsaangelegenheden”. In haar verklaring legt deze getuige verder uit waar(…) het leiding geven door LG2P uit bestaat. Zo bekijkt deze leidinggevende de bestellingen en vertelt zij de werknemers van [eiseres] hoe zij de kipfilets moeten bewerken. Ook geeft deze getuige aan waaruit het contact met LG1P bestaat. Bij LG1P moet je je bijvoorbeeld ziek melden.
Aan de knop van de lopende band zit de medewerker van [A] , maar het is [eiseres] die aangeeft of de snelheid omhoog moet en dit is omdat ook enkel [eiseres] gebaat is bij die snelheid. Hoe sneller dit kan en mag gaan, hoe beter dit voor [eiseres] is. Immers hoe meer er kan worden afgeleverd, des te hoger is de marge die [eiseres] behaalt. Maar hier staat tegenover, als het te snel gaat en het product niet aan de kwaliteit voldoet dat [eiseres] hiervoor aansprakelijk is.”. Voor een ander voorbeeld van hoe [eiseres] het werktempo bepaalde, kan worden verwezen naar getuigenverklaring 3. Daarin staat dat LG2P de pauzes van de medewerkers van [eiseres] aan de drie lopende banden een aantal keren heeft ingekort.
Deze Collectieve Arbeidsovereenkomst is van toepassing op de onderneming, welke zich bezighoudt met één van de volgende activiteiten:
(…)
het be- en verwerken van pluimvee, wild en/of tamme konijnen
het vervaardigen van producten van pluimvee, wild en/of tamme konijnen
uitleenbedrijven (uitzendorganisaties, onderaannemers) die meer dan 75% van de totale activiteiten verrichten binnen de pluimveeverwerkende industrie.
aannemerheeft uitgevoerd – en niet als
uitzendorganisatieof
onderaannemer– is naar het oordeel van het hof het 75%-criterium uit artikel 2 Cao Pro Pluimvee (randnummer 2.21, vierde gedachtestreepje, hiervoor) niet op [eiseres] van toepassing:
uitzendkrachten(artikel 31). Het hof acht de (rechts)gevolgen van de hier gegeven uitleg van de cao ook niet onaannemelijk, namelijk dat, nu [eiseres] (onder meer) een pluimveewerkend bedrijf is, zij ook gebonden is aan de CAO Pluimvee.”
het merendeelvan haar activiteiten in de pluimveeverwerkende industrie heeft verricht (zie de laatste zin van artikel 2 Cao Pro Pluimvee, randnummer 2.21 hiervoor), heeft het hof geoordeeld dat de Cao Pluimvee rechtstreeks op [eiseres] van toepassing is:
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
randnummer 1.1van haar verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep op tegen rov. 3.5.-3.7., 3.12., 3.17., 3.18., 3.21.-3.27. van het bestreden arrest. Daarin heeft het hof geoordeeld dat FNV niet heeft aangetoond dat [A] in de controleperiode (2014) over de werknemers van [eiseres] werkgeversgezag had dat van dien aard was dat de werknemers van [eiseres] de arbeid onder toezicht en leiding van [A] hebben verricht. Volgens FNV is dit oordeel onjuist, omdat het hof het bereik van art. 7:690 BW Pro aldus te zeer heeft ingeperkt. Voor het aannemen van ‘toezicht en leiding’ in de zin van art. 7:690 BW Pro is immers voldoende dat [A] als opdrachtgever in belangrijke mate zeggenschap had over (de wijze waarop) de werknemers van [eiseres] (hun werkzaamheden uitvoerden), althans dat [A] de mogelijkheid had om aan de werknemers van [eiseres] instructies te geven ten aanzien van de werkzaamheden, de goede orde binnen de onderneming en/of het werkverband.
mogelijkheidvoor [A] om (incidenteel) instructies aan het personeel van [eiseres] te geven, niet automatisch meebrengt dat sprake is van ‘toezicht en leiding’ in de zin van art. 7:690 BW Pro. Dit oordeel is niet onjuist. In dit kader is van belang dat, zoals het hof ook heeft overwogen (rov. 3.12.), de beantwoording van de vraag of sprake is van ‘toezicht en leiding’ een waardering van de feiten verlangt. [16] Dit betekent dat er een veelheid aan factoren zal zijn die, in samenhang bezien, bepalen of sprake is van ‘toezicht en leiding’. [17] Eén van die factoren betreft de vraag of de opdrachtgever de mogelijkheid heeft om instructies aan het personeel van de aannemer te geven (en zo ja, in hoeverre die instructies in de praktijk ook worden gegeven). Het voert echter te ver om die factor in zijn algemeenheid beslissend te achten, in die zin dat bij een instructiemogelijkheid van de opdrachtgever per definitie sprake is van ‘toezicht en leiding’ over het personeel van de aannemer, ongeacht de overige feiten en omstandigheden van het geval. Dat zou immers afdoen aan het maatwerk dat de rechter kan leveren door van geval tot geval – op basis van alle feiten en omstandigheden – te beoordelen of sprake is van ‘toezicht en leiding’ door de opdrachtgever.
randnummer 1.2van haar verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep klaagt FNV dat, indien het hof het bereik van art. 7:690 BW Pro niet heeft miskend, het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Uit het rapport van de Inspectie SZW en de daarbij behorende getuigenverklaringen blijkt immers, kort gezegd, dat leidinggevenden van [A] (1.) dagelijks op de werkvloer aanwezig waren, (2.) toezicht hielden op en geregeld (via leidinggevenden van [eiseres] ) concrete aanwijzingen gaven aan de werknemers van [eiseres] over de uitvoering van de werkzaamheden, (3.) concrete aanwijzingen gaven over hygiëne en kledingvoorschriften en (4.) toezagen op het naleven van de huisregels. [18] Volgens FNV is het gelet hierop onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.21. en 3.22. heeft overwogen dat [A] slechts incidenteel (rechtstreeks) werkinstructies aan de werknemers van [eiseres] gaf en de contacten tussen de leidinggevenden van [A] en [eiseres] beperkt waren tot contacten over de aanlevering, kwaliteit en oplevering van de producten. Om dezelfde reden is volgens FNV onbegrijpelijk het (impliciete) oordeel van het hof dat [A] niet in belangrijke mate zeggenschap had over (de wijze waarop) de werknemers van [eiseres] (hun werkzaamheden uitvoerden), althans dat [A] de mogelijkheid had om aan de werknemers van [eiseres] instructies te geven ten aanzien van de werkzaamheden, de goede orde binnen de onderneming en/of het werkverband.
de voormannen van [eiseres] het meeste aan hun [productie]lijnen zelf oplossen”. [19]
Algemene regels”) en veiligheids- en hygiënevoorschriften (hoofdstuk III
.“
Veiligheid”). [20]
niets te zeggen had” en geen invloed had op de snelheid van de lopende band, mist de klacht feitelijke grondslag. Dit heeft het hof namelijk niet geoordeeld.
Bestek”) bij de overeenkomsten van aanneming van werk tussen [eiseres] en [A] [21] blijkt dat de snelheid van de band door de opdrachtgever ( [A] ) werd bepaald en afhankelijk was van de specificatie van het product. In lijn hiermee heeft [betrokkene 1] tijdens pleidooi in hoger beroep namens [eiseres] verklaard dat een medewerker van [A] aan ‘de knop’ van de lopende band zat. Volgens [betrokkene 1] was het echter [eiseres] die bij de betreffende medewerker van [A] aangaf of de (standaard) snelheid van de lopende band omhoog moest. Gelet op deze gang van zaken is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat (uiteindelijk) [eiseres] bepaalde hoe snel de lopende band kon gaan.
De operator van [A] stelt de snelheid van de productieband in. Als ik zie dat het te snel of te langzaam is (…) dan spreek ik met de operator om de snelheid aan te passen.” Hetzelfde geldt voor de verklaring van de assistent-teamleider van [A] , waarnaar FNV ook verwijst: [23] “
De operator van [eiseres] [ [eiseres] ] komt bijvoorbeeld naar mij toe en zegt dat de band te hard gaat. Ik moet dan naar de produktieleider [van [A] ] die het gaat regelen of zegt tegen mij dat de band harder of zachter mag. Dan regel ik dat.” Het is gelet op deze verklaringen niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] de snelheid van de lopende band bepaalde, ondanks het feit dat [A] letterlijk ‘aan de knop’ zat.
was, geldt dat het ongetwijfeld behoorlijk kostbaar is voor [A] om de fabriek en de machines te laten ‘draaien’. Het ligt dan niet in de rede dat [A] slechts voor de werknemers van [eiseres] haar fabriek openstelt.
Niettegenstaande de andere indruk die hierover bij de werknemers van [eiseres] kennelijk soms bestond (…)”), heeft het hof deze (incidentele) verklaring in zijn beoordeling betrokken. Dat het hof vervolgens aan die verklaring minder gewicht heeft toegekend dan aan de arbeidsovereenkomsten, het handboek van [eiseres] en de rol van leidinggevende LG1P, is niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat uit getuigenverklaring 6 ook blijkt dat slechts [eiseres] haar werknemers overwerk kon opdragen (rov. 3.25., een na laatste volzin). Datzelfde blijkt uit getuigenverklaringen 3, 5, 8, 11 en 23.
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
geenpartij is bij de cao en ook
nietis aangesloten bij een werkgeversvereniging die partij is bij de cao. We spreken dan van een ‘ongeorganiseerde’ werkgever. In dat geval zijn zowel werkgever als werknemer
nietaan de cao gebonden, ook niet als de werknemer wél lid is van een werknemersvereniging die partij is bij de cao. Werkgever en werknemer zijn in dit geval vrij de inhoud van de tussen hen toepasselijke arbeidsvoorwaarden zelf vast te stellen (behalve als de cao algemeen verbindend is verklaard, waarover in randnummer 4.8 meer). [27] [eiseres] is zo’n ‘ongeorganiseerde’ werkgever, omdat zij niet (zelf maar evenmin via werkgeversvereniging NEPLUVI) partij is bij de Cao Pluimvee.
beidenlid zijn van een vereniging die partij is bij de cao. Het betrokkenheidsvereiste onder (ii) geeft aan dat werkgever en werknemer onder de werkingssfeer van de cao moeten vallen. [28] Indien sprake is van een georganiseerde werknemer, treden de rechtsgevolgen in van (onder meer) art. 12 Wet Pro Cao. [29] Ingevolge deze bepaling is elk beding tussen werkgever en werknemer, dat strijdig is met de cao waaraan zij beiden zijn gebonden, nietig. De cao-bepaling vervangt van rechtswege de (nietige) contractuele afspraak en gaat als zodanig onderdeel vormen van de individuele arbeidsovereenkomst. [30]
verplichtis de cao-arbeidsvoorwaarden ook jegens hen na te komen. Dit betekent echter niet dat de cao-bepalingen ook rechtstreeks en automatisch doorwerken in de individuele arbeidsovereenkomsten van niet of anders georganiseerde werknemers, zoals het geval is bij georganiseerde werknemers. De niet of anders georganiseerde werknemers behouden immers hun recht op nakoming van de individuele afspraken die zij met hun werkgever hebben gemaakt. Anders dan het geval is bij art. 9 en Pro 12 Wet Cao, laat art. 14 Wet Pro Cao de contractvrijheid tussen de individuele werkgever en werknemer intact. In de praktijk lossen werkgevers de ‘problematiek’ met niet of anders georganiseerde werknemers vaak op door in de individuele arbeidsovereenkomsten een zogenaamd incorporatiebeding op te nemen, dat bepaalt dat een bepaalde cao van toepassing is. Op deze wijze worden de cao-voorwaarden alsnog in de arbeidsovereenkomst van de niet of anders georganiseerde werknemer geïncorporeerd. [31]
allewerkgevers en werknemers in de betreffende bedrijfstak,
ongeachtof zij zijn georganiseerd via een werkgevers- of werknemersvereniging die partij is bij de cao. [34] Dit volgt uit art. 3 Wet Pro AVV, dat – vergelijkbaar met art. 12 Wet Pro Cao – bepaalt dat gedurende de looptijd van de avv alle arbeidsvoorwaarden die in strijd zijn met de algemeen verbindend verklaarde cao van rechtswege nietig zijn en automatisch door cao-arbeidsvoorwaarden worden vervangen. Dit betekent dat, gedurende de looptijd van de avv, werkgevers en werknemers hun individuele en collectieve contractvrijheid verliezen om zelf te bepalen welke arbeidsvoorwaarden tussen hen van toepassing zijn. [35] De Cao Pluimvee is in de jaren 2010 tot en met 2013 driemaal voor een zekere periode algemeen verbindend verklaard.
uitleenbedrijven (uitzendorganisaties, onderaannemers)”, zoals opgenomen in de werkingssfeerbepaling van de Cao Pluimvee (artikel 2 Cao Pro Pluimvee, randnummer 2.21 hiervoor, vierde gedachtestreepje). [eiseres] betoogt dat het hof die woorden ten onrechte als een limitatieve opsomming heeft beschouwd. Daardoor heeft het hof [eiseres] (een aannemer) ten onrechte niet aangemerkt als een uitleenbedrijf in de zin van artikel 2, vierde gedachtestreepje, Cao Pluimvee. De uitleg die het hof aan de werkingssfeerbepaling van de Cao Pluimvee heeft gegeven, heeft tot gevolg dat een
aannemerreeds aan de Cao Pluimvee is gebonden zodra het merendeel van zijn activiteiten binnen de pluimveeverwerkende industrie plaatsvindt, terwijl een
onderaannemerpas onder de werkingssfeer van de Cao Pluimvee valt als hij meer dan 75% van zijn activiteiten binnen de pluimveeverwerkende industrie verricht. Die uitleg is volgens [eiseres] ongerijmd, onaannemelijk en dus onjuist.
uitleenbedrijven (uitzendorganisaties, onderaannemers) die meer dan 75% van de totale activiteiten verrichten binnen de pluimveeverwerkende industrie” onder de werkingssfeer van de Cao Pluimvee vallen. Net zo min als in artikel 1 worden Pro (hoofd)aannemers dus genoemd in de werkingssfeerbepaling van de Cao Pluimvee.
uitleenbedrijven (uitzendorganisaties, onderaannemers)” in artikel 2 Cao Pro Pluimvee niet limitatief, maar enuntiatief moet worden gelezen, acht ik niet overtuigend. [eiseres] onderbouwt haar standpunt met een verwijzing naar artikel 2, vierde gedachtestreepje, onder e., Cao Pluimvee, dat als volgt luidt:
geensprake is van een paritair afgesproken arbeidspool) – van de definitie ‘uitleenbedrijven’ uitsluiten. Uit het feit dat bepaalde uitzendorganisaties en onderaannemers
nietonder de definitie van ‘uitleenbedrijven’ vallen, kan niet worden afgeleid dat een (hoofd)aannemer wél onder die definitie valt.
uitleenbedrijven (uitzendorganisaties, onderaannemers) die meer dan 75% van de totale activiteiten verrichten binnen de pluimveeverwerkende industrie”. [45] Als de sociale partners in 2012/2013 hadden bedoeld om ook (hoofd)aannemers als uitleenbedrijf aan te merken, maar dat abusievelijk niet hadden opgeschreven, dan hadden zij die fout – al dan niet naar aanleiding van de jarenlange discussie tussen [eiseres] en FNV hierover – inmiddels wel aangepast.
in dat tijdvakheeft verricht. Het hof heeft dit in rov. 3.35. miskend door bij de beoordeling van de activiteiten van [eiseres] in de periode van 22 maart 2010 tot 30 april 2013, slechts redengevend te achten dat in 2014 het merendeel van de activiteiten van [eiseres] tot de pluimveeverwerkende industrie behoorde. Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het heeft hof zijn oordeel immers uitsluitend gemotiveerd met een verwijzing naar de situatie zoals die zich in 2014 voordeed. Niet valt in te zien waarom de situatie in 2014 meebrengt dat ook al in 2010 sprake was van een situatie waarin het merendeel van de activiteiten van [eiseres] binnen de pluimveeverwerkende industrie plaatsvond. Dit geldt temeer nu [eiseres] en [A] pas in 2011 voor het eerst overeenkomsten tot aanneming van werk zijn aangegaan (randnummer 1.6 hiervoor).
De gemachtigde van [eiseres]geeft aan dat zij nu ongeveer 150 mensen in dienst heeft. In 2014 ongeveer hetzelfde aantal, misschien nu iets minder.” [51]
randnummer 29.van de procesinleiding dat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dat het hof [eiseres] in het dictum van het bestreden arrest ongeclausuleerd heeft veroordeeld tot het maken van loonberekeningen, het verrichten van nabetalingen en het overleggen van deugdelijke salarisspecificaties aan haar (ex)werknemers. Het hof heeft hiermee miskend dat een vordering, zoals door FNV is ingesteld, alleen betrekking kan hebben op (ex-)werknemers die daarop aanspraak
kunnenen
willenmaken.
CNV/Pennwaltvan 19 december 1997 en
FNV/Inretailvan 22 juni 2018. [52]
CNV/Pennwaltdraaide om het volgende. Werknemersvereniging CNV en werkgever Pennwalt waren een cao overeengekomen, die liep van 1 april 1989 tot en met 31 maart 1991. De (ondernemings-)cao was niet algemeen verbindend verklaard. [53] De cao bepaalde dat Pennwalt in het begin van elk jaar, in overleg met de ondernemingsraad, maximaal twee vaste snipperdagen kon vaststellen. In strijd hiermee heeft Pennwalt in november 1989, zonder overleg met de ondernemingsraad, een productiestop van 23 december 1989 tot en met 1 januari 1990 afgekondigd en daarvoor vrije snipperdagen van de werknemers afgeboekt. CNV heeft een procedure jegens Pennwalt aanhangig gemaakt, waarin zij nakoming van de cao heeft gevorderd. Uw Raad heeft geoordeeld dat uitgangspunt dient te zijn dat een werknemersvereniging (zoals CNV) gerechtigd is als contractspartij uit eigen hoofde nakoming van een door haar met een werkgever (Pennwalt) gesloten cao te vorderen. [54] Wel moet volgens Uw Raad bij toewijzing van een dergelijke vordering met het volgende rekening worden gehouden (onderstrepingen door mij, A-G):
wensen te makenen
ook kunnen maken, hetgeen bijv. niet het geval is wanneer zij vòòr de betreffende kerstperioden reeds alle snipperdagen waarop zij toen recht
kanen
wilmaken op de arbeidsvoorwaarde waarvan nakoming wordt gevorderd.
FNV/Inretail. Die zaak ging om de cao voor mode- en sportdetailhandel, waarbij FNV aan werknemerszijde en Inretail aan werkgeverszijde partij waren. De cao gold onder meer van 1 juli 2010 tot en met 30 juni 2012 en is van 8 oktober 2011 tot en met 30 juni 2012 algemeen verbindend verklaard. [55] FNV heeft op enig moment Inretail in rechte betrokken en gevorderd dat Inretail haar leden (werkgevers) oproept om de cao correct na te komen. Specifiek ging het om nakoming van een per 1 juli 2011 overeengekomen loonsverhoging van 2%. Volgens FNV dienden de werkgevers deze loonsverhoging aan hun werknemers uit te keren zonder verrekening met een eerder door de werkgevers eenzijdig toegekende loonsverhoging. Uw Raad heeft eerst het zelfstandige vorderingsrecht van werknemersverenigingen als FNV bevestigd:
CNV/Pennwaltherhaald (onderstreping door mij, A-G):
Uit dat arrest volgt slechts dat een eventuele toewijzing van de nakomingsvordering alleen betrekking kan hebben op de nakoming van een verplichting van een werkgever jegens werknemers die daarop aanspraak kunnen en willen maken.Blijkens genoemd arrest moet die clausulering tot uitdrukking gebracht worden in het dictum van de uitspraak, indien daarin een werkgever wordt veroordeeld tot het verrichten van een prestatie jegens zijn werknemers.”
CNV/Pennwalten
FNV/Inretailzijn niet één op één toepasbaar op de onderhavige zaak. In
CNV/Pennwalten
FNV/Inretailwas namelijk sprake van een nakomingsvordering ingesteld door een werknemersvereniging (respectievelijk CNV en FNV) tegen een werkgever respectievelijk een werkgeversvereniging
die partij waren bij de betreffende cao. De vordering van de werknemersvereniging kan in dat geval worden gebaseerd op nakoming en op art. 9 Wet Pro Cao, voor zover de vordering is gericht tegen individuele werkgevers die lid zijn van de werkgeversvereniging die partij is bij de cao (randnummer 4.9 hiervoor). [56] In de onderhavige procedure vordert FNV echter geen nakoming van de Cao Pluimvee door een partij bij de Cao Pluimvee (zoals werkgeversvereniging NEPLUVI) of een werkgever die lid is van NEPLUVI (zoals [A] ). FNV vordert nakoming van de Cao Pluimvee door [eiseres] , die géén partij is bij de Cao Pluimvee en daaraan ook niet via werkgeversvereniging NEPLUVI wordt gebonden. [eiseres] is – als ‘ongeorganiseerde’ werkgever – slechts aan de Cao Pluimvee gebonden voor zover de Cao Pluimvee algemeen verbindend is verklaard (randnummers 4.5 en 4.8 hiervoor). Dit brengt ons op de volgende twee vragen:
CNV/Pennwalt?
nakomingvan algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen kunnen vorderen. [57] Ook [eiseres] lijkt ervan overtuigd dat FNV op grond van art. 3 Wet Pro AVV een eigen recht heeft om van [eiseres] nakoming te vorderen van de Cao Pluimvee, voor zover algemeen verbindend verklaard. [58] Ik schaar mij achter deze brede lezing van art. 3 Wet Pro AVV. Het inroepen van nietigheid heeft tot doel – en als het goed is tot gevolg – dat algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen worden nagekomen (en derhalve niet de daarmee strijdige bepalingen). De bevoegdheid tot het inroepen van nietigheid is derhalve zo nauw verbonden met de bevoegdheid tot het vorderen van nakoming, dat het in de rede ligt om onder de bevoegdheid tot het inroepen van nietigheid tevens de bevoegdheid tot het vorderen van nakoming te begrijpen. De vraag onder (i) beantwoord ik derhalve bevestigend.
CNV/Pennwaltblijkt niet dat Uw Raad onderscheid heeft gemaakt tussen nakomingsvorderingen die zien op cao-bepalingen die algemeen verbindend zijn verklaard en nakomingsvorderingen die zien op cao-bepalingen die
nietalgemeen verbindend zijn verklaard. Dat Uw Raad dit onderscheid in
CNV/Pennwaltniet heeft gemaakt, is niet verwonderlijk. De (ondernemings-)cao die in
CNV/Pennwaltcentraal stond, was immers niet algemeen verbindend verklaard (randnummer 4.38 hiervoor). Het zojuist genoemde onderscheid speelde in die zaak dus geen rol. In de zaak
FNV/Inretailstond echter een cao centraal die wél (voor een bepaalde periode) algemeen verbindend was verklaard. De nakomingsvordering die FNV in die procedure had ingesteld, zag ook op de periode waarin de cao algemeen verbindend was verklaard (randnummer 4.39 hiervoor). Bij de herhaling van de ‘kunnen en willen’-clausulering uit
CNV/Pennwaltheeft Uw Raad echter wederom geen onderscheid gemaakt tussen wél en niet algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen. Uw Raad heeft volstaan met de overweging dat blijkens
CNV/Pennwaltde ‘kunnen en willen’-clausulering tot uitdrukking moet worden gebracht in het dictum van de uitspraak indien daarin een werkgever wordt veroordeeld tot het verrichten van een prestatie jegens zijn werknemers (randnummer 4.40 hiervoor). Hierin lees ik niet dat deze ‘kunnen en willen’-clausulering enkel aan de orde zou zijn als een werkgever wordt veroordeeld een cao-bepaling na te komen die
nietalgemeen verbindend is verklaard. Kennelijk behoeft bij de ‘kunnen en willen’-clausulering geen onderscheid te worden gemaakt tussen algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen en cao-bepalingen die niet algemeen verbindend zijn verklaard.
moetennaleven, óók in het geval zij dat niet zouden willen. Dat is nu juist het idee van de avv: met het oog op het hogere belang wordt de contractvrijheid van werkgevers en werknemers terzijde geschoven (wederom randnummer 4.8 hiervoor).
willenmaken op nakoming van de cao-bepaling. De clausulering dat werknemers aanspraak
kunnenmaken op nakoming, dient (al dan niet impliciet) wel in acht te (blijven) worden genomen. Die clausulering voorkomt immers dat werknemers méér krijgen dan waarop zij uit hoofde van de algemeen verbindend verklaarde cao-bepaling recht hebben. [62]
willenmaken op verloning conform de Cao Pluimvee (randnummer 2.28 hiervoor). Uit het voorgaande volgt dat het hof dit mijns inziens terecht niet heeft gedaan. Dit betekent dat de klacht van [eiseres] , voor zover die strekt tot toevoeging van de ‘willen’-clausulering aan het dictum, faalt.
kunnenmaken op verloning conform de Cao Pluimvee, geldt dat een dergelijke clausulering mijns inziens in het dictum van het bestreden arrest ligt besloten. Het hof heeft [eiseres] immers veroordeeld om haar (ex)werknemers conform de Cao Pluimvee te verlonen door (1) het maken van loonberekeningen en (2) het doen van nabetalingen ter hoogte van de bedragen die uit de loonberekeningen voortvloeien (randnummer 2.28 hiervoor). Deze formulering impliceert dat [eiseres] slechts is veroordeeld tot het doen van een nabetaling als uit de loonberekeningen volgt dat de betreffende (ex-)werknemer recht heeft op en dus aanspraak kan maken op die nabetaling. De klacht van [eiseres] faalt dus ook voor zover die ziet op toevoeging van de ‘kunnen’-clausulering in het dictum van het bestreden arrest.
CNV/Pennwaltmijns inziens evenmin van toepassing zou moeten zijn als een werknemersvereniging nakoming vordert van een (niet algemeen verbindend verklaarde) cao-bepaling, waaraan zowel de werkgever (al dan niet via een werkgeversvereniging) als de werknemer (via een werknemersvereniging) rechtstreeks [63] zijn gebonden. [64] Art. 12 lid 1 Wet Pro Cao bepaalt immers dat elk beding dat strijdig is met de cao, waarbij zowel de werkgever als de werknemer zijn gebonden, van rechtswege nietig is en door de cao-bepaling wordt vervangen (randnummer 4.6 hiervoor). Net als bij een algemeen verbindend verklaarde cao gaat de cao, waarbij zowel de werkgever als de werknemer zijn gebonden, dus bóven de individuele arbeidsovereenkomst die werkgever en werknemer zijn overeengekomen. De wil van de werknemer is ook hier niet (meer) relevant. Dit is gerechtvaardigd omdat de werknemer, door lid te worden/zijn van de werknemersvereniging (die partij is bij de cao), zijn individuele contractvrijheid aan de werknemersvereniging heeft overgedragen (wederom randnummer 4.6 hiervoor). In dit systeem past mijns inziens niet – net zo min als bij algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen – dat de nakomingsvordering van een werknemersvereniging moet worden geclausuleerd in die zin dat de vordering slechts kan worden toegewezen voor zover de (reeds aan de cao gebonden) werknemers aanspraak
willenmaken op naleving van de cao-bepaling. [65] Dat de werknemers aanspraak
willenmaken, blijkt immers reeds uit het feit dat zij op enig moment lid zijn geworden van de werknemersvereniging die partij is bij de cao.
CNV/Pennwaltslechts te worden toegepast voor zover de nakomingsvordering van de werkgevers- of werknemersvereniging wordt toegewezen en:
nietalgemeen verbindend is verklaard; én
niet(via een werknemersvereniging) rechtstreeks aan de cao zijn gebonden. [66]
wilmaken. Zonder een dergelijke clausulering kan de werknemer die niet rechtstreeks aan de cao is gebonden immers iets opgedrongen krijgen waarop hij geen prijs stelt. Daarvan kan geen sprake zijn, anders dan bij een werknemer die via een avv of via lidmaatschap van een werknemersvereniging reeds dwingend aan de cao is gebonden.
CNV/Pennwalt, zoals herhaald in
FNV/Inretail, op de volgende wijze te nuanceren, althans te preciseren. Het ‘kunnen’-gedeelte van de clausulering kan gehandhaafd blijven, onder de opmerking dat dit gedeelte van de clausulering ook impliciet uit het dictum mag blijken, zoals in het bestreden arrest het geval is. Het ‘willen’-gedeelte van de clausulering hoeft echter slechts in het dictum van de uitspraak te worden opgenomen indien en voor zover een werkgever wordt veroordeeld tot het verrichten van een prestatie op grond van een niet algemeen verbindend verklaarde cao-bepaling jegens een (ex-)werknemer(s) die niet rechtstreeks aan de cao is (zijn) gebonden.
randnummer 30.van de procesinleiding dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door [eiseres] te veroordelen tot het overleggen van deugdelijke salarisspecificaties, op straffe van een (aanzienlijke) dwangsom. [eiseres] zal immers moeten onderzoeken welke (ex-)werknemers aanspraak op verloning conform de Cao Pluimvee kunnen en willen maken. Bij dit onderzoek kan nader overleg tussen [eiseres] en FNV zijn aangewezen. Het is volgens [eiseres] niet wenselijk als dit overleg onder dreiging van mogelijk te verbeuren dwangsommen moet plaatsvinden.
CNV/Pennwaltgebaseerd. In dat arrest heeft Uw Raad het volgende over het opleggen van een dwangsom opgemerkt: [68]
CNV/Pennwaltreden was om géén dwangsom op te leggen – hoeft in het onderhavige geval niet te worden gevoerd. Het hof heeft de vordering van FNV toegewezen voor zover, kort gezegd, uit loonberekeningen blijkt dat de betreffende (ex)werknemer van [eiseres] aanspraak op verloning conform de Cao Pluimvee
kanmaken (randnummer 4.48 hiervoor). Dit oordeel acht ik juist (randnummer 4.46 hiervoor). Voor het maken van de loonberekeningen is geen nader overleg tussen [eiseres] en haar (ex)werknemers nodig; [eiseres] kan deze berekeningen zelfstandig maken op basis van haar administratie. Dit staat derhalve niet aan de oplegging van een dwangsom in de weg.
randnummer 32.van de procesinleiding betoogt [eiseres] primair dat het hof met de toewijzing van de wettelijke verhoging heeft miskend dat art. 7:625 BW Pro niet van toepassing is op de vordering zoals ingesteld door FNV. De beoordeling of en in hoeverre aanleiding bestaat om de wettelijke verhoging te matigen, vereist immers een afweging van de individuele omstandigheden van iedere afzonderlijke (ex-)werknemer.
randnummer 33.van de procesinleiding betoogt [eiseres] subsidiair dat, indien art. 7:625 BW Pro wél van toepassing is op de vordering van FNV, de veroordeling tot betaling van de wettelijke verhoging moet worden geclausuleerd in die zin dat de verhoging slechts ziet op de (ex)werknemers van [eiseres] die aanspraak op de wettelijke verhoging
kunnenen
willenmaken.