3.2.Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2020 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden, voor zover van belang, het volgende in (met weglating van voetnoten):
“1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de verklaringen van de aangeefster, op detailniveau, onderling consistent zijn. Haar verklaringen vinden naar het oordeel van de Rechtbank bovendien steun in de verklaring van getuige [betrokkene 1] , een omwonende waarbij aangeefster overstuur heeft aangebeld, een geluidsfragment waarop te horen is dat cliënt en aangeefster ruzie hebben en een What’s app-bericht waaruit de Rechtbank afleidt dat de aangeefster bang was dat [verdachte] haar zou gaan verkrachten (p. 6, vonnis).
2. De verdediging zal betogen dat de verklaring van aangeefster juist op detailniveau onderlinge consistentie mist. Daarbij zal ook worden verwezen naar het verhoor van de aangeefster bij de raadsheer-commissaris. Voorts zal de verdediging betogen dat aangeefster een reden had om [verdachte] te belasten en dat de bewijsmiddelen die zijn opgevoerd als steunbewijs eveneens hierdoor kunnen worden verklaard.
II Betrouwbaarheid aangeefster
II. 1 Inconsistenties en weglaten cruciale informatie
3. Anders dan de rechtbank, is de verdediging van oordeel dat aangeefster wel degelijk strijdig verklaart. Dit is duidelijker geworden met het verhoor door de raadsheer-commissaris. Daarnaast vermeldt ze cruciale zaken niet totdat ze ermee wordt geconfronteerd.
4. Een belangrijk voorbeeld van inconsistentie in de verklaringen is hetgeen aangeefster verklaart over het inbrengen van de vuist. Bij de raadsheer-commissaris doet aangeefster het voorkomen alsof dit iets was wat alleen cliënt wilde en van hem kwam:
5. “Hij wilde zijn vuist in mij stoppen. U vraagt mij of dit vaker is gebeurd. Ja. U zegt mij dat [verdachte] heeft verklaard dat ik dit prettig vond. Nee. Dat is iets wat vanuit zijn kant kwam. Het gebeurde wel, ja.” (randnr. 17).
5. Dat staat op gespannen voet met wat zij daarover bij de recherche heeft verklaard.
“V: Bij wie komt dan het initiatief vandaan om dat te doen?
A: Ik kan mij herinneren dat we naar bed gingen en hij zijn vingers er in stopte. Ik zei toen: hoeveel vingers kun jij er instoppen. Zo is het ontstaan.
V: Hoe is dat bij jou?
A: in het begin deed dat pijn. Maar later was het wel fijn. Ga ik niet over liegen.
[…]
V: Brengt jou dat op een hoogtepunt?
A: Ja.” (p. 81/82).
6. En ook over andere seksuele handelingen verklaart ze strijdig.
7. Bij de raadsheer-commissaris:
“U zegt mij dat [verdachte] hierover zei dat ik dat prettig vind en u vraagt mij of hij mij vaker op mijn vagina sloeg. Nee.” (randnr. 17, RHC-verhoor).
8. Maar bij de recherche verklaart ze daar het volgende over:
“V: En slaan op jouw schaamstreek?
A: Heeft hij vaker gedaan. Maar ik geniet niet van pijn.” (p. 82).
9. Over de directe aanleiding voor de verkrachting legt aangeefster ook wisselende verklaringen af. Bij haar eerste contact met de politie in de woning van getuige [betrokkene 1] verklaart ze dat de aanleiding een ruzie over opruimen was:
“Ze verklaarde dat hij tegen haar heeft gezegd dat ze iets moest opruimen en dit wilde zij niet. Ze verklaarde dat ze de woning wilde verlaten maar werd tegengehouden door hem.
[...]
Ze verklaarde dat hij haar vervolgens heeft gedwongen zich uit te kleden. Ik zag dat [benadeelde] begon te huilen. Ze verklaarde dat hij haar verkracht heeft.” (p. 39).
10. In het informatief gesprek zeden verklaart ze niets over een ruzie over opruimen, maar noemt ze haar wens om de woning van cliënt te verlaten en naar huis te gaan als aanleiding voor de vermeende verkrachting (p. 97/98).
11. Om vervolgens in haar aangifte te benoemen dat er ruzie ontstaat nadat zij cliënt confronteert met de berichten aan andere vrouwen die ze op zijn laptop heeft zien staan (p. 30/32). Diezelfde reden herhaalt ze in haar tweede politieverhoor (p. 86).
12. Terwijl zij bij de raadsheer-commissaris weer verklaart over het conflict over het opruimen van de tafel op het moment dat ze aangeeft weg te willen gaan (omdat ze op zijn laptop heeft gezien dat hij contact had met andere vrouwen).
13.
“Ik had allemaal dingen op zijn laptop gezien. Ik zei tegen hem dat ik weg wilde. Hij zei dat ik eerst de tafel moest opruimen. Daar had ik geen zin in. Het was zijn troep.” (randnr. 14).
14. De verdediging meent dat ook de wijze waarop de aangeefster verklaart maakt dat aan haar verklaring moet worden getwijfeld. Zo verklaart zij over bepaalde handelingen waarvan in beginsel mag worden verondersteld dat deze onvrijwillig zijn. Ik doel dan op het slaan (o.a. met de vlakke hand in het gezicht) en het inbrengen van de vuist. Pas nadat cliënt verklaart dat zij dit soort handelingen vaker met wederzijds goedvinden en ook op initiatief van de aangeefster uitvoerden, bevestigt zij dat en verklaart ze er zelf over (zie o.a. p. 82 en 85). Ik wijs in dit verband ook op het tijdens de seks openkrabben van de rug van cliënt om haar territorium af te bakenen en het schelden en domineren (p. 86).
15. De verdediging heeft in eerste aanleg ook gewezen op het feit dat aangeefster verklaart dat zij eerder door hem is gedwongen tot seks en dat er gewelddadige incidenten tussen haar en cliënt hebben plaatsgehad en dat daar zelfs politie bij is gekomen. De rechtbank heeft overwogen dat het gegeven dat daarover niets in het dossier is opgenomen niet betekent dat het niet is gebeurd (p. 7, vonnis). Dat is inderdaad niet uit te sluiten, maar het geeft op zijn minst te denken. Aangeefster verklaart namelijk ook dat zij en cliënt zijn meegenomen naar het politiebureau (p. 87). Bij de raadsheer-commissaris vult aangeefster aan dat het 5 of 6 keer is zo is geweest dat de politie is gekomen (randnr. 24). Zeker van een melding waarbij mensen zijn meegenomen naar het bureau valt te verwachten dat daarvan in de politiesystemen mutaties zijn opgenomen.
16. Nu er wel degelijk strijdigheden in de verklaringen van aangeefster zitten, juist daar waar het cruciale details betreft en aangeefster relevante omstandigheden niet vermeldt kan wat de verdediging betreft het oordeel dat zij consistent verklaart niet in stand blijven.
II.2 Reden voor beschuldigingen en wijze van uiten
17. De beschuldigingen van aangeefster zijn ernstig, de vraag rijst waarom zij dergelijke beschuldigingen zou uiten als hetgeen zij verklaart niet zou hebben plaatsgevonden. De verdediging meent dat er een duidelijke reden aan te wijzen is. En dat is de ruzie over de beschuldigingen van het over en weer over het hebben van seksueel contact met anderen.
Aangeefster verklaart zelf dat kort voor de vermeende verkrachting een ruzie ontstaat als zij cliënt confronteert met het feit dat zij op zijn laptop leest dat hij via een datingsite chatcontact onderhield met andere vrouwen (p. 30). Ze geeft ook toe dat ze jaloers was (p. 85). Cliënt heeft haar op zijn beurt geconfronteerd met het vermoeden dat zij seksueel contact heeft gehad met de persoon die haar heeft getatoeëerd. Dit volgt ook uit de geluidsopname die aangeefster heeft gemaakt (p. 92). Ze geeft ook toe dat zij zelf ‘wel eens iemand over de vloer heeft gehad.’ (p. 84). Aangeefster verklaart eerder in datzelfde verhoor dat zij cliënt gewoon heel erg had gemist (p. 29) en zij verklaart in haar tweede verhoor ook dat zij echt van hem hield (p. 79). Bij de raadsheer-commissaris verklaart aangeefster dat zij verder dat zij bij eerdere gelegenheden dat zij erachter kwam dat cliënt contact had met andere vrouwen ‘altijd heel erg kwaad werd’, ‘echt woest’, ‘woest en verdrietig’ (randnr. 8). De ontdekking dat cliënt contact had gehad met andere vrouwen is dus waarschijnlijk zeer pijnlijk voor aangeefster, mogelijk pijnlijker dan zij durft toe te geven.
II.3 Persoonlijkheidsproblemen en middelengebruik aangeefster
18. In eerste aanleg is met betrekking tot de betrouwbaarheid van aangeefster gewezen op de persoonlijkheidsproblematiek van aangeefster en haar middelengebruik.
19. De rechtbank heeft naar aanleiding van dat verweer overwogen dat in het dossier geen aanknopingspunten zijn aangetroffen waaruit blijkt dat de persoonlijkheidsstoornis en het drankgebruik van aangeefster van invloed zijn geweest op de verklaringen die zij heeft afgelegd over de gebeurtenissen van 8 mei 2018 (p. 7, vonnis).
20. Dat is ook niet eenvoudig voor de verdediging. Bij verdachten wordt er door gedragsdeskundigen gerapporteerd over de vraag of er sprake is van een stoornis en in hoeverre een vastgestelde stoornis het handelen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft beïnvloed. Dergelijk deskundigenbewijs over een aangeefster is er niet en wordt gewoonlijk ook niet opgemaakt. Desalniettemin kan er in de optiek van de verdediging niet voorbij worden gegaan aan hetgeen er bekend is over de stoornis(sen) waar aangeefster mee kampt en de invloed die die stoornissen op haar handelen en haar verklaringen (kan) hebben gehad. Belangrijk daarvoor is het gegeven dat met het verhoor van aangeefster bij de raadsheer-commissaris er meer duidelijkheid is gekomen waar aangeefster mee kampt en hoe deze stoornissen zich bij haar uiten.
21. Aangeefster verklaart dat zij een persoonlijkheidsstoornis NAO heeft (randnr. 21, RHC verhoor). Dit is de meest voorkomende persoonlijkheidsstoornis waarbij iemand kenmerken van verschillende persoonlijkheidsstoornissen vertoont. Per persoonlijkheidsstoornis vertoont de persoon te weinig kenmerken om tot een officiële diagnose voor die stoornis te komen, maar bij elkaar opgeteld vertoont iemand toch zoveel kenmerken dat van een persoonlijkheidsstoornis kan worden gesproken.
22. Desgevraagd verklaart aangeefster dat zij kampt met een hechtingsstoornis. Dat uit zich bij haar door problemen om mensen toe te laten en angst om in de steek te worden gelaten (randnr. 21, RHC-verhoor).
23. Daarnaast is er bij haar sprake van kenmerken van borderline. Dat uit zich in zwart-wit denken en stemmingswisselingen (randnr. 21 RHC-verhoor).
24. Naar aanleiding van vragen over haar middelengebruik geeft aangeefster ook nog aan dat zij ADHD heeft (randnr. 23, RHC-verhoor).
25. De angst om in de steek te worden gelaten zal in combinatie met de pijn/woede die zij voelde waarover aangeefster verklaart zeer waarschijnlijk aanwezig zijn geweest. Het is goed voorstelbaar dat de hechtingsstoornis deze emoties heeft versterkt. Het is ook goed voorstelbaar dat het zwart-wit denken op het moment dat duidelijk wordt dat door het (seksueel) contact met anderen de relatie (wederom) stukloopt is gereageerd vanuit woede jegens cliënt.
26. Daar komt nog bij dat aangeefster ten tijde van de ruzie, maar ook tijdens de aangifte onder invloed was van alcohol en cannabis. Aangeefster heeft in relatief korte tijd redelijk veel gedronken:
“U vraagt mij op welk moment ik had gedronken. In de middag. U vraagt mij of ik nog weet op welk moment het incident plaatsvond. In de middag. U vraagt mij of het klopt dat ik de alcohol had gedronken voor het incident. Ja.” (randnr. 22 RHC-verhoor).
27. Getuige [betrokkene 1] verklaart dat aangeefster rondom 14:30 uur bij hem aanbelt (p. 35). Dat betekent dat zij in de tijd tussen 12:00 en 14:30 uur behoorlijk wat heeft gedronken. Bij de raadsheer-commissaris verklaart zij 2 of 3 glazen pure pure Pina Colada 150 milliliter te hebben gedronken (randnr. 22) en bij de politie geeft aangeefster aan dat het er ook 4 kunnen zijn geweest (p. 33). Pina Colada is een rumcocktail met kokos sap en in beginsel dus een drankje dat uit verschillende dranken wordt samengesteld, maar er is ook een voor gemixte versie te koop onder de merknaam Malibu. Deze mixdrank wordt onder andere verkocht in 700 milliliterflessen met 21% alcohol. Als zij 4 glazen van 150 milliliter op had, dan had zij dus bijna een hele fles opgedronken in tweeënhalf uur tijd. Daar komt bij dat ze die dag ook nog cannabis had gebruikt (randnr. 23). Het is een feit van algemene bekendheid dat alcohol een ontremmend effect heeft. Het is dus goed mogelijk dat de kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis nog eens zijn verstrekt door het middelengebruik en dat dit haar handelen ten tijde van het incident, maar ook tijdens het informatief gesprek om 15:30 uur (p. 97) en haar aangifte om 16:10 uur (p. 27) heeft bepaald. Op het moment dat de aangifte is gedaan is het niet eenvoudig daarop terug te komen.
II. 3 Wens tot intrekking aangifte
28. Het dossier bevat een concreet aanknopingspunt dat aangeefster dat wel zou hebben gewild.
“Door slachtofferhulp werd namens aangeefster contact opgenomen met de afdeling Zeden. De aangeefster wilde kennis geven dat zij de aangifte wenste in te trekken.'’ (p. 96).
29. Aangeefster is hier mee geconfronteerd bij de raadsheer-commissaris en geeft daarop aan dat zij dat nooit heeft gezegd, maar dat zij had aangegeven dat zij geen zin had in de begeleiding van Slachtofferhulp (randnrs. 4 en 10). Dat komt de verdediging niet voor als een afdoende uitleg waarom de hiervoor geciteerde passage in het dossier is opgenomen. Iedere aangever, en zeker aangevers in zedenzaken, wordt gewezen op de mogelijkheid van begeleiding door Slachtofferhulp. Een deel van de aangevers maakt daar geen gebruik van, maar het feit dat iemand daar geen gebruik van wenst te maken wordt niet teruggekoppeld aan de Politie zo is mij verteld door een advocaat die slachtofferzaken behandelt. Het is ook moeilijk voorstelbaar dat een medewerker van Slachtofferhulp abusievelijk namens aangeefster meldt dat zij haar aangifte wenst in te trekken terwijl zij zou bedoelen dat zij geen bemoeienis van Slachtofferhulp wil. Evenmin is voorstelbaar een politiemedewerker van de afdeling Zeden dwaalt omtrent de aard van het bericht.
Medewerkers van beide organisaties zijn zich als geen ander bewust van het gewicht en de strekking van een dergelijke mededeling. In de optiek van de verdediging dient derhalve te worden uitgegaan van het ambtsedig proces-verbaal van gecertificeerd zedenrechercheur [verbalisant] (p. 96).
II.4 Relatie met cliënt na aangifte
30. Maar deze passage in het dossier is niet het enige. Aangeefster en [verdachte] hebben
na de aangifte en na zijn invrijheidstelling weer een relatie gehad.
31. Daar is in eerste aanleg ook aandacht voor gevraagd en de rechtbank heeft daarover overwogen dat het de rechtbank ambtshalve bekend is dat aangeefsters in zaken die zien op huiselijk geweld vaker dergelijk gedrag vertonen (kenbaar maken aangifte te willen intrekken en wederom een relatie aangaan) maar dat er in die gevallen wel degelijk huiselijk geweld heeft plaatsgehad (p. 7, vonnis). Het verdient in deze opmerking dat deze zaak niet (enkel) om huiselijk geweld gaat, maar om een verdenking van verkrachting waardoor de ervaringsregel niet een-op-een opgaat. Maar wat verder een rol speelt is dat er in huiselijk geweldzaken waarin aangeefsters de aangifte wensen in te trekken en weer
32. een relatie aangaan vaak sprake is van een sterke binding met de pleger van dat geweld. Vaak is er sprake van een huwelijk/langdurige relatie, wonen aangeefster en pleger in dezelfde woning en zijn er kinderen waardoor er altijd een binding zal zijn. In casu is daarvan geen sprake. De verdediging meent daarom dat de door de rechtbank aangehaalde ervaringsregel de verwerping van dit onderdeel van het betrouwbaarheidsverweer niet kan dragen.
33. Verder is van belang dat de momenten waarop de aangeefster belastend verklaart, momenten zijn waarop zij uit elkaar zijn 8 mei 2018 (p. 27), 14 mei 2018 (p. 78) en 12 februari 2020 terwijl de mededeling van slachtofferhulp valt in de periode dat er weer sprake was van affectief contact 31 juli 2018 (p. 109 en randnr. 2, RHC-verhoor).
34. Daarbij is de verdediging van oordeel dat het moeilijk voorstelbaar is dat aangeefster, als zij werkelijk heeft meegemaakt wat zij in de aangifte omschrijft, weer een relatie met cliënt aangaat en het niet uitpraat met cliënt omdat hij er niet over wil praten (randnr. 2 RHC-verhoor).
II.5 Conclusie
35. Aan de hand van het voorgaande meent de verdediging dat de verklaring van aangeefster onvoldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te worden gebezigd.”