Conclusie
eerste middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij grotendeels heeft toegewezen en dat het hof zijn beslissing op dit punt, gelet op hetgeen de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd, onvoldoende heeft gemotiveerd.
betwist, hetgeen op zichzelf dikwijls al reden is voor (gedeeltelijke) niet-ontvankelijk verklaring van de (geschatte) vordering. (voetnoot 1: HR 17 november 1998, NJ 1999/151; ECLI:NL:HR:2006AV2654, r.o.3.3.2.)
Immateriële schade
Materiële schade
derde middelklaagt dat de verwerping door het hof van het draagkrachtverweer onbegrijpelijk is en ontoereikend gemotiveerd.
wettelijke schadevergoedingsverplichting te matigengebruik te maken (ex. Art. 6:109 BW Pro), voor zover uw Hof toch aan toekenning van de gevorderde 15.000 euro, of een soortgelijk aanzienlijk bedrag, zou toekomen. Gelet op de geringe verdiencapaciteit, de schulden van mijn jeugdige schoolgaande cliënt die al geruime tijd (zonder bron van inkomsten) vast zit, zou toekenning van de volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen (in de toekomst) leiden. Naar verwachting zal het CJIB eerst alle schade op cliënt verhalen gelet op zijn naderende einddatum en hoofdelijke aansprakelijkheid, terwijl het CJIB in beginsel geen betalingsregeling treft en een eventueel betalingsvoorstel van cliënt niet snel als reëel aanbod zal beschouwen, ten opzichte van het bedrag en de betalingstermijn. Gelet op de geringe draagkracht van cliënt en zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, alsmede nu nagenoeg vaststaat dat oplegging van de maatregel in de toekomst zal leiden tot tenuitvoerleggen van de vervangende hechtenis, dient de schadevergoedingsmaatregel niet te worden opgelegd dan wel de betalingsverplichting te worden gematigd.’