Conclusie
1.Feiten en procesverloop
4.6. Het komt er gelet op het voorgaande op neer dat de beslissing op het verzoek van Werkgever staat of valt met de beantwoording van de vraag of er in dit geval sprake is van een opzegverbod. Immers staat volgens artikel 7:671b lid 2 BW een opzegverbod inwilliging in de weg. Werknemer heeft zich ziekgemeld op 14 oktober 2020 en op grond daarvan moet er van worden uitgegaan dat, nu niet anders is gebleken, zijn arbeidsongeschiktheid toen is ingetreden. Het ontbindingsverzoek van Werkgever is op 27 november 2020 door de rechtbank ontvangen, derhalve na het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
Als er sprake is van een ziekmelding die heeft plaatsgevonden nadat de werkgever een verzoek om ontbinding heeft gedaan, hoeft dit evenmin aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter in de weg te staan (artikel 7:671b, zevende lid, BW).”
2.Het cassatiemiddel
3.Inleiding op de bespreking van het cassatiemiddel
nadathet UWV een verzoek van de werkgever om toestemming voor opzegging heeft ontvangen, maar
voordathet op de afwijzing volgende ontbindingsverzoek door de kantonrechter is ontvangen. Als het UWV toestemming zou hebben verleend voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, zou de arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet in de weg hebben gestaan aan opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. Art. 7:670 lid 1 onder Pro b BW bepaalt namelijk dat het opzegverbod tijdens ziekte
nietgeldt als de ongeschiktheid een aanvang heeft genomen nadat het UWV het verzoek om toestemming voor opzegging heeft ontvangen. Het UWV heeft de aanvraag echter afgewezen, waarna de werkgever zich op de voet van art. 7:671b lid 1 aanhef en onder b BW tot de kantonrechter heeft gewend. Volgens art. 7:671b lid 2 BW kan de rechter het ontbindingsverzoek slechts inwilligen indien aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan, én er geen opzegverboden gelden.
4.Het duale ontslagstelsel
gewichtige redenen’. Dat begrip omvatte niet alleen omstandigheden die een dringende reden zouden hebben opgeleverd indien tot een ontslag op staande voet zou zijn overgegaan, maar ook een andere, zeer ruim geformuleerde grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst: ‘
veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen’. Ook bedrijfseconomische omstandigheden konden hieronder worden geschaard. [9]
Als de werknemer meent dat hij ondanks toestemming van UWV of de commissie ten onrechte is ontslagen dan kan hij zich binnen twee maanden na het eindigen van de arbeidsovereenkomst tot de kantonrechter wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst te herstellen. (…) De rechter toetst daarbij aan dezelfde (wettelijke) criteria als die voor UWV en de commissie gelden. Als UWV of de commissie toestemming heeft geweigerd, kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen. Als de werkgever het niet eens is met de beslissing van UWV of de commissie, kan hij de kantonrechter verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden, waarbij de rechter ook dan het verzoek toetst aan dezelfde criteria als UWV en de commissie.”
5.Het opzegverbod tijdens ziekte: ratio en strikte toepassing
Melchers/De Haan-arrest: [29]
mede ten doel […] de werknemer te vrijwaren van de psychische druk welke een ontslagaanzegging tijdens zijn ziekte kan veroorzaken.”
NJ-noot onder dit arrest constateert Stein dat de wetsgeschiedenis geen uitsluitsel geeft over de ratio van het opzegverbod. Volgens hem kan aan het volgende worden gedacht: [30]
Die bescherming zou worden uitgehold en met die gedachte verdraagt zich niet goed wanneer de werkgever wel, tamelijk eenvoudig, op staande voet zou kunnen ontslaan om een reden die weliswaar niet gelegen is in de ziekte zelf, maar daar wel dicht tegenaan zit, althans daaraan gelieerd is.’ [39]
Levison/MAB-arrest [40] uit 1992. In die procedure tot cassatie in het belang der wet speelde de vraag of ook bestuurders van een besloten vennootschap onder de bescherming van het opzegverbod vallen. Nadat de Hoge Raad vooropstelt dat vennootschapsrechtelijk ontslag niet steeds hoeft te leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst (rov. 3.3), overweegt hij in rov. 3.4:
Het in art. 1639h lid 3 neergelegde, bij de wet van 17 dec. 1953, Stb. 619, ingevoerde verbod van opzegging van de dienstbetrekking zolang de werknemer wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en die ongeschiktheid nog geen twee jaren heeft geduurd, geldt ook indien de werknemer bestuurder van een naamloze of besloten vennootschap is. De tekst van die bepaling zondert bestuurders van vennootschappen niet uit en ook in de wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het aanvaarden van een dergelijke uitzondering. De ratio van de bepaling – de werknemer te vrijwaren van psychische druk welke een ontslagaanzegging tijdens zijn ziekte kan veroorzaken (HR 24 okt. 1986, NJ 1987, 292) – pleit, integendeel, ervoor haar ook ten aanzien van zodanige bestuurders van toepassing te achten. Niet valt in te zien dat de positie van een in dienstbetrekking werkzame bestuurder zo wezenlijk verschilt van die van andere werknemers, waaronder niet tot bestuurder benoemde maar wel met leidinggevende taken belaste werknemers, dat de bestuurder/werknemer niet in aanmerking zou behoren te komen voor de bescherming die art. 1639h lid 3 beoogt.”
Levison/MAB-arrest dus niet genegen om daarop een buitenwettelijke uitzondering te aanvaarden. Dat strookt met de strikte hantering van het opzegverbod tijdens ziekte door de Hoge Raad.
opzeggingvan de arbeidsovereenkomst door de werkgever. Dat betekende dat alleen in de situatie dat een werknemer werd ontslagen via de UWV-route (opzegging door de werkgever met voorafgaande toestemming van het UWV) ziekte van de werknemer in de weg stond aan opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever.
ieder der partijen […] te allen tijde bevoegd [is] zich tot de kantonrechter te wenden (…)’. [41]
De kantonrechter kan het verzoek slechts inwilligen indien hij ervan heeft vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod bedoeld in de artikelen 647, 628, 670 en 670a of enige ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.’De vergewisplicht is mede in de wet gekomen om te voorkomen dat werkgevers via een ontbindingsprocedure al te gemakkelijk de opzegverboden kunnen omzeilen. [42]
dat de kantonrechter bij zijn beoordeling ‘rekening houdt’ met de strekking van de opzegverboden.’ [43] In de nadere memorie van antwoord staat dat als het verzoek verband houdt met een opzegverbod, de kantonrechter het verzoek van de werkgever zal afwijzen, ‘
tenzij er andere omstandigheden zich voordoen die gewichtige redenen vormen voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.’ [44] Met andere woorden, het feit dat de kantonrechter zich van het bestaan van een opzegverbod moet vergewissen, betekent niet dat hij nooit tot ontbinding mag overgaan als hij constateert dat er inderdaad een opzegverbod van toepassing blijkt te zijn. Als sprake is van gewichtige redenen, kan het verzoek toch worden toegewezen. Toewijzing zal eerder volgen als de werkgever een (terechte) bedrijfseconomische reden aan het ontbindingsverzoek ten grondslag legt, zo schrijven Loonstra & Zondag. [45] Ook volgens Frikkee werd onder het oude recht de arbeidsovereenkomst in de regel ontbonden als sprake was van een onderbouwd bedrijfseconomisch ontslag, het UWV voor andere werknemers toestemming voor opzegging had verleend en de zieke werknemer conform het afspiegelingsbeginsel werd voorgedragen voor ontslag. [46]
omdatde werknemer ziek is, of als het ontbindingsverzoek berust op gronden die veroorzaakt zijn door de ziekte. Alleen in dat geval werd het ontbindingsverzoek afgewezen wegens strijd met het opzegverbod (behoudens de aanwezigheid van zwaarwegende omstandigheden). In de andere benadering maakte het voor het aannemen van een verband niet uit om welke reden ontbinding wordt gevraagd (dát voor ontbinding in plaats van opzegging werd gekozen, was immers ingegeven door de toepasselijkheid van een opzegverbod).
7.Het opzegverbod tijdens ziekte onder de Wwz
Tijdens-opzegverboden en wegens-opzegverboden
in de wetwordt aangegeven in welke gevallen de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toch kan ontbinden, ondanks het bestaan van een opzegverbod. [51] Zie ook de volgende passage uit de nota van wijziging: [52]
Onder het huidige recht is het mogelijk dat de rechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, terwijl sprake is van een opzegverbod. Als de bepalingen uit de Wet werk en zekerheid die het ontslagrecht wijzig[-ing]en in werking zijn getreden, is opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij opzegverboden die opzeggen tijdens een bepaalde omstandigheid verbieden alleen nog mogelijk in de gevallen die in de voorgestelde artikelen 7:670a en 7:671b BW zijn benoemd.”
De leden van de fractie van D66 kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat de gevolgen van de in de artikelen 7:670a en 7:671b BW voorgestelde regeling betreffende het ontslag van een zieke werknemer (buiten het geval van sluiting van bedrijf of bedrijfsonderdeel) leidt tot de consequentie dat de ontbinding van een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst van een zieke werknemer vanwege bedrijfseconomische redenen niet meer mogelijk zal zijn, zulks in afwijking van de tientallen jaren lange praktijk. Het huidige systeem laat een beperkte reflexwerking van de opzegverboden toe en deze leden vragen de regering of het niet beter ware om hierin te kiezen voor continuïteit.
eenduidige regelingte komen van de werking van het opzegverbod bij ziekte en niet verder te bouwen op het oude systeem.
een aanvang heeft genomen nadat een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 671a door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of door de commissie, bedoeld in artikel 671a, lid 2, is ontvangen.’
In afwijking van de kabinetsvoornemens op het punt van de anti-cumulatie van de opzegtermijn en de duur van de ontslagvergunningprocedure voor de RDA stelt de Stichting een systeem voor, waarbij de huidige situatie als uitgangspunt fungeert maar een modificatie wordt aangebracht om aan de bezwaren tegen de cumulatie van behandelingsduur en opzegtermijn tegemoet te komen. In concreto heeft de Stichting het volgende systeem voor ogen.
Deze beleidsvoornemens vloeiden voort uit de behoefte om onnodige belemmeringen voor een flexibel werkende arbeidsmarkt weg te nemen en om deze procedure te verkorten en efficiënter te maken. Een wetsvoorstel, waarin de in voornoemde brief aangekondigde aanpassingen zijn opgenomen, zal binnenkort worden ingediend bij de Raad van State. Dit betreft de mogelijkheid voor de werkgever om zowel voor, tijdens, als na de aanvraag van een ontslagvergunning de arbeidsverhouding met de werknemer op te zeggen. Hiermee kan voorkomen worden dat de opzegtermijn met de behandelingsduur van de ontslagaanvraag bij het arbeidsbureau cumuleert. Hiermee wordt tevens een oplossing geboden voor.de situatie, waarin de werknemer ziek wordt tijdens de behandeling van de ontslagaanvraag, maar nog voordat de werkgever heeft kunnen opzeggen. (…)
Belangrijkste elementen daarin zullen zijn:* de mogelijkheid voor de werkgever om zowel voor, tijdens als na de aanvraag van een ontslagvergunning de arbeidsverhouding met een werknemer op te zeggen. Daarmee kan worden voorkomen dat de opzegtermijn cumuleert met de behandelingsduur van de ontslagaanvraag bij het arbeidsbureau. Hiermee wordt ontslag mogelijk van een werknemer die ziek wordt tijdens behandeling van de ontslagaanvraag. Wel blijft er altijd een minimum opzegtermijn.”
Tegelijkertijd zijn er naar de mening van de regering evenwel diverse redenen de wettelijke regels op een enkel punt aan te passen. Het gaat dan vooral om in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de beëindiging van arbeidsverhoudingen en met name om de lange totale duur van beëindiging van een arbeidsovereenkomst door opzegging. Daarop wordt hierna eerst ingegaan. (…)
dat het opzegverbod gedurende ziekte buiten toepassing blijft vanaf het moment dat de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de ontslagaanvraag heeft ontvangen.”
Met het bepaalde in het nieuwe lid 1, onderdeel b, wordt bereikt dat ziekte die intreedt nadat de ontslagvergunning is aangevraagd, niet in de weg staat aan opzegging op het moment dat de ontslagvergunning is verkregen. In het algemeen deel wordt hier nader op ingegaan. Opgemerkt wordt nog, dat indien de ontslagvergunning wordt geweigerd daarmede ook het opzegverbod zijn volle werking herkrijgt en de zieke werknemer derhalve gedurende de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid niet kan worden opgezegd.”
het opzegverbod zijn volle werking herkrijgt’. Overigens is het niet zo dat hiermee de vraag die in deze zaak voorligt, is beslist: deze opmerking is gedaan onder het oude recht, toen niet het systeem bestond dat de werkgever zich pas na een weigering voor toestemming voor opzegging door het UWV tot de rechter kon wenden met een verzoek om ontbinding (en toen kantonrechters in de ontbindingsprocedure slechts beperkte reflexwerking toekenden aan het opzegverbod tijdens ziekte, zie onder 6.6).
Tenslotte treedt als gevolg van de uitzuivering van oneigenlijke ontslagbescherming bij ziekte tijdens de RDA-ontslagprocedure een verhoging op van de vangnetuitgaven ZW van ca. f 8 miljoen per jaar.”
voordatde ontslagvergunning is aangevraagd.
De leden van de fractie van de VVD vroegen met betrekking tot dit onderwerp voorts, of de werknemer in dat geval niet meer kan anticiperen; wat gebeurt er als de werknemer toevallig op die dagen verzuimt wegens een griepje, hoe wordt in dit geval het beoogde versnellingseffect bereikt. Ziekte dient zich in het algemeen onafhankelijk van de wil van de persoon aan, zodat wij niet goed kunnen inzien hoe een werknemer in dat opzicht zou kunnen anticiperen op een ontslagvergunningsaanvraag. Voor zover er in geval van een ziekmelding sprake is van een schijnsituatie wijzen wij erop dat de werkgever in het kader van de WULBZ voldoende instrumenten ter beschikking staan om zodanige ziekmelding te ontzenuwen.”
Met de voorgestelde beperking van het opzegverbod tijdens ziekte wordt beoogd de ontslagprocedure in tijd te bekorten. Het opzegverbod tijdens ziekte geeft in het huidige ontslagrecht een naar ons oordeel te vergaande ontslagbescherming in die gevallen waarin opzegging niet mogelijk is na een verkregen ontslagvergunning, omdat de werknemer tijdens de behandeling van de ontslagaanvraag ziek is geworden en nog steeds is op het moment dat de ontslagvergunning is verleend. Het gaat dan immers in de regel om een ontslag dat geen enkel verband heeft met de ziekte van de werknemer. Met name in geval van bedrijfseconomische redenen voor een ontslag, waarbij de werkgever zich genoodzaakt ziet om zijn personeelsbestand snel aan te passen, wordt het niet kunnen opzeggen nadat een ontslagvergunning is verkregen in de praktijk als een ernstig knelpunt ervaren. Wij begrijpen de door deze leden genoemde bezwaren voor de werknemer, die tijdens zijn ziekte wordt opgezegd en vervolgens moet uitkijken naar een nieuwe werkkring. De betreffende bezwaren gelden echter in gelijke mate indien de ziekte pas optreedt tijdens de opzegtermijn wegens ziekte minder goed in staat zal zijn zich in de ontslagprocedure te verweren en dat van een zieke werknemer bezwaarlijk kan worden verwacht dat hij uitkijkt naar ander werk.”
Ik ben van mening dat de zorg van de heer Hofstra, dat werknemers door ziekmelding een ontslagaanvraag kunnen frustreren, met de voorgestelde regeling aanmerkelijk verminderd zou moeten zijn. Nu immers kan de werknemer, als de aanvraag al is ingediend, en hij daarvan via een bericht van de RDA op de hoogte is gesteld, zich ziek melden en geldt het opzegverbod. In de nieuwe situatie, nadat de wet inwerking is getreden, zal de werknemer slechts kunnen anticiperen als hij op de hoogte is van het ontslagvoornemen van de werkgever. Overigens kan de werkgever die om welke reden dan ook vermoed dat er sprake is van een oneigenlijke ziekmelding controlemogelijkheden benutten om daar duidelijkheid over te krijgen.”
In het nieuw voorgestelde eerste lid, onderdeel b, wordt de verwijzing naar het verzoek om toestemming om de arbeidsverhouding te mogen opzeggen als bedoeld in artikel 6 van Pro het BBA 1945 vervangen. In plaats daarvan wordt geregeld dat het opzegverbod bij ziekte niet geldt indien de ziekte een aanvang heeft genomen nadat het volledige verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 7:671a, eerste of tweede lid, BW door het UWV of de in dat artikel bedoelde commissie is ontvangen. Als er sprake is van een ziekmelding die heeft plaatsgevonden nadat de werkgever een verzoek om ontbinding heeft gedaan, hoeft dit evenmin aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter in de weg te staan (artikel 7:671b, zevende lid, BW).”
onvolledigverzoek om toestemming voor ontslag door het UWV is ontvangen, niet onder de bepaling valt. [71] Dat is echter niet de bedoeling geweest. Bij reparatiewet [72] is verduidelijkt dat met art. 7:670 lid 1 onder Pro b BW geen wijziging is beoogd ten aanzien van de pré-Wwz regeling: [73]
Om te verduidelijken dat met de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel P, van de Wwz geen wijziging is beoogd ten aanzien van de regeling, zoals deze nu geldt, wordt «het verzoek» in artikel 7:670, eerste lid, onderdeel b, vervangen door «een verzoek». Het gaat erom dat het opzegverbod tijdens ziekte niet geldt als de ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid wegens ziekte een aanvang heeft genomen nadat een verzoek als bedoeld in artikel 7:671a door het UWV (of de commissie) is ontvangen. Het hoeft daarbij derhalve uitdrukkelijk niet te gaan om een volledig verzoek als bedoeld in artikel 7:671a, vierde lid.”
De vraag is echter of deze bepaling nog nut heeft. Sinds de invoering van deze bepaling is de verzuimbegeleiding sterk verbeterd, mede door de Stecr Werkwijzer Arbeidsconflicten. Het resultaat hiervan is dat het ‘vluchten in ziekte’ geen zin meer heeft. Als er geen ziekte ten grondslag ligt aan de ziekmelding, verklaart de ARBO- of bedrijfsarts de werknemer doorgaans zeer snel arbeidsgeschikt.Het gevolg van deze bepaling is wel dat de ‘goeden onder de kwaden’ moeten leiden. De ‘echt’ zieken missen de bescherming van het opzegverbod en hiervoor is feitelijk geen rechtvaardiging. Bovendien is het resultaat dat het dienstverband tijdens ziekte kan worden beëindigd. Dit staat haaks op de bedoeling van de Wet Bezava die er op gericht is zieke werknemers ‘binnen boord’ van de werkgever te houden en het aantal ‘vangnetters’ die onder verantwoordelijkheid van het UWV vallen, te beperken.”
De noodzaak voor deze bepalingen ontbreekt, gelet op de sterk verbeterde verzuimbegeleiding. Gevolg van deze bepaling is dat ‘echt’ zieke werknemers geen ontslagbescherming hebben en zonder goede grond ‘vangnetters’ worden. Dit is in strijd met doelstelling Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters.”
Dan zijn de gebruikelijke zaken om de werkgever te beschermen tegen misbruik van ziek melden nog steeds van toepassing. Zeker als dit gebeurt met het oog op het vermijden van een reorganisatie zal dit niet snel geaccepteerd worden.”
Doorbreking opzegverbod tijdens ziekte: de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming
de opzegging geschiedt wegens de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming’.
De opzegverboden, bedoeld in artikel 7:670, eerste tot en met vierde en tiende lid, BW zijn niet van toepassing indien de werknemer met de opzegging instemt, als het een opzegging tijdens de proeftijd betreft of als er sprake is van – kort gezegd – de sluiting van het bedrijf.”
of van het onderdeel van de onderneming, waarin de werknemer uitsluitend of in hoofdzaak werkzaam is’. [78]
Zoals ook aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag (pagina 80) [80] houdt die regeling in dat als het een zieke werknemer betreft, het opzegverbod tijdens ziekte alleen niet geldt als er sprake is van bedrijfsbeëindiging. Dat is ook logisch omdat in dat geval de werkgever ophoudt te bestaan. Het verbod blijft wel van kracht als sprake is van het vervallen van arbeidsplaatsen anders dan wegens bedrijfsbeëindiging, dus ook als bij een werkgever alle arbeidsplaatsen binnen een afdeling komen te vervallen. De ratio hiervan is dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie van een langdurig zieke werknemer binnen zijn bedrijf. Dat kan zijn re-integratie in zijn eigen functie maar ook op een andere functie binnen de onderneming, en als daar geen mogelijkheden toe bestaan, re-integratie bij een andere werkgever (het zogenoemde tweede spoor). Het enkele feit dat de arbeidsplaats van een langdurig zieke werknemer komt te vervallen, waarvoor de werknemer mogelijk ook niet meer geschikt voor is om naar terug te keren ook al zou die blijven bestaan, betekent dan ook niet dat de verantwoordelijkheid van de werkgever voor de re-integratie van de werknemer daarmee moet komen te vervallen. Om die reden blijft in de geschetste situatie het opzegverbod van toepassing en daarmee ook de verantwoordelijkheid van de werkgever voor de re-integratie van de desbetreffende werknemer.”
Wel geldt dat als het een zieke werknemer betreft het opzegverbod alleen niet geldt als er sprake is van bedrijfsbeëindiging. Dat is ook logisch omdat in dat geval de werkgever ophoudt te bestaan. De ratio hiervan is dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie van een langdurig zieke werknemer binnen zijn bedrijf. Dat kan zijn re-integratie in zijn eigen functie maar ook op een andere functie binnen de onderneming, en als daar geen mogelijkheden toe bestaan, re-integratie bij een andere werkgever (het zogenoemde tweede spoor). Het enkele feit dat de arbeidsplaats van een langdurig zieke werknemer komt te vervallen, waarvoor de werknemer mogelijk ook niet meer geschikt voor is om naar terug te keren ook al zou die blijven bestaan, betekent dan ook niet dat de verantwoordelijkheid van de werkgever voor de re-integratie van de werknemer daarmee moet komen te vervallen. Om die reden blijft in de geschetste situatie het opzegverbod van toepassing en daarmee ook de verantwoordelijkheid van de werkgever voor de re-integratie van de desbetreffende werknemer.”
bij een reorganisatie blijft de ‘dure zieke werknemer’ in dienst, al dan niet ten koste van de ‘productieve gezonde werknemer’.’ [82]
10.Onder de Wwz gelden opzegverboden ook bij ontbinding
ontbindingvan de arbeidsovereenkomst. Dat volgt uit art. 7:671b lid 2 BW:
alleen gelden als sprake is van een ontbindingsverzoek op de b tot en met i-grond. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het op een bewuste keuze van de wetgever berust om de opzegverboden niet te doorbreken als het ontbindingsverzoek wordt gedaan op de a-grond.
Eén en ander maakt duidelijk dat, als de werkgever zich beroept op artikel 7:669, tweede lid [thans: derde lid, A-G
], onderdeel a, BW een ontbinding alleen mogelijk is in de in artikel 7:670a, tweede lid, onderdeel d, derde en vierde lid, BW bedoelde uitzonderingssituaties, in welke situatie het opzegverbod immers in het geheel niet geldt. Eveneens is ontbinding vanzelfsprekend mogelijk in de in artikel 7:670a, eerste lid (nieuw), BW bedoelde uitzonderingssituatie waarbij het opzegverbod tijdens ziekte niet geldt of bijvoorbeeld in de in artikel 6, tweede lid, van de Wsw bedoelde uitzonderingssituatie.”
opmerkelijk’, maar constateerden – terecht – dat ‘
dit niet een weeffout, maar een bewuste keuze van de wetgever is.’ [87] Wits bestempelde dit onderdeel van het wetsvoorstel als ‘
zeer nadelig voor werkgevers’: [88]
In feite betekent dit dat werkgevers langdurig zieke werknemers buiten de afspiegeling moeten houden, in een situatie waarin wegens bedrijfseconomische omstandigheden arbeidsplaatsen dienen te vervallen. Er kan geen rechterlijke afweging meer plaatsvinden tussen de belangen van de zieke werknemer(s) en het bedrijfsbelang.”
§1 Systeem van het nieuwe ontslagrecht’, onder het kopje ‘
Gebreken waarvoor een reparatiewet zou moeten worden vastgesteld’, staat onder meer het volgende:
1.10 Onder de WWZ is het klaarblijkelijk niet mogelijk de arbeidsovereenkomst van een zieke werknemer te beëindigen vanwege reorganisatie. Naar huidig recht wordt er doorgaans van uitgegaan dat dit juist wel zou moeten gebeuren indien de zieke werknemer ook zonder dat hij ziek was geweest volgens de ontslagvolgorde van het ontslagbesluit voor ontslag in aanmerking zou komen. Veel kantonrechters plegen in die gevallen de arbeidsovereenkomst met de zieke werknemer te ontbinden teneinde de zieke werknemer niet alleen om reden van zijn ziekte te bevoordelen boven gezonde werknemers. Deze mogelijkheid zou gehandhaafd moeten blijven. Vraag aan de minister:
In het voorgestelde zevende lid wordt tot uitdrukking gebracht dat het opzegverbod bij ziekte – en dus ook de vergewisplicht – niet geldt indien de ziekte een aanvang heeft genomen nadat het ontbindingsverzoek door (de griffie van) de kantonrechter is ontvangen.”
In het nieuw voorgestelde eerste lid, onderdeel b, wordt de verwijzing naar het verzoek om toestemming om de arbeidsverhouding te mogen opzeggen als bedoeld in artikel 6 van Pro het BBA 1945 vervangen. In plaats daarvan wordt geregeld dat het opzegverbod bij ziekte niet geldt indien de ziekte een aanvang heeft genomen nadat het volledige verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 7:671a, eerste of tweede lid, BW door het UWV of de in dat artikel bedoelde commissie is ontvangen. Als er sprake is van een ziekmelding die heeft plaatsgevonden nadat de werkgever een verzoek om ontbinding heeft gedaan, hoeft dit evenmin aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter in de weg te staan (artikel 7:671b, zevende lid, BW).”
dusalleen het tweede peilmoment van belang is in de ontbindingsprocedure; uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet of de wetgever zich ervan bewust is geweest dat zich de situatie kan voordoen die in onze zaak aan de orde is (kort gezegd: de werknemer raakt arbeidsongeschikt tijdens de UWV procedure en het UWV verleent geen toestemming voor ontslag, waarna de werkgever zich tot de kantonrechter wendt met een ontbindingsverzoek). [98]
11.Beschouwing
afzonderlijkwordt uitgewerkt hoe de opzegverboden daarin doorwerken (zie par. 10).
op de a-grondexpliciet uit (zie onder 10.7). Ook daaruit blijkt dat de Wwz-wetgever de uitzonderingen op het opzegverbod heeft willen beperken, in het bijzonder bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden (zie onder 10.13).
opzegverboden als bedoeld in artikel 670’, tevens die uitzonderingen omvat. Zo schrijft Frikkee: [99]
Verdedigbaar is dat uit dit artikellid (A-G: art. 7:671b lid 2 BW) kan worden afgeleid dat het opzegverbod dus niet van toepassing is, indien de ontbindingsprocedure is voorafgegaan door een UWV-procedure waarin ook geen opzegverbod gold. Art. 7:671b lid 2 BW verwijst immers expliciet naar art. 7:670 lid 1 BW Pro, waarin staat dat het opzegverbod niet van toepassing is als de ziekte een aanvang heeft genomen nadat het UWV de ontslagaanvraag heeft ontvangen. De ontbindingsprocedure bij de kantonrechter na weigering UWV-toestemming is een bijzondere procedure, die wel wordt aangeduid als ‘verkapt hoger beroep’ tegen het oordeel van het UWV en wetssystematisch gezien een onlosmakelijke voortzetting van de UWV-procedure vormt. De werkgever dient immers binnen twee maanden na de beslissing van het UWV het ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in te dienen (art. 7:686a lid 4 sub d BW). Bovendien mag de kantonrechter zonder voorafgaande UWV-procedure de arbeidsovereenkomst niet op de a-grond ontbinden. In de parlementaire geschiedenis van de Wwz is geen enkele aanwijzing te vinden waaruit blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat het ontbreken van het opzegverbod in de UWV-procedure niet doorwerkt in de daaropvolgende ontbindingsprocedure.”
In art. 7:671b BW wordt gerefereerd aan een op grond van art. 7:670 BW Progeldendopzegverbod. Dat geldt nu juist niet als de ziekte pas is begonnen na de UWV-procedure. Op die manier zou de uitzondering in art. 7:671b BW kunnen worden ingelezen. Een andere uitzondering op het ontbindingsverbod bij ziekte – sluiting van het hele bedrijf – komt niet met zoveel woorden voor in art. 7:671b BW. Evenmin valt in deze bepaling te lezen dat het ontbindingsverbod na twee jaar niet meer van kracht is. Ook die uitzonderingen moeten via de omweg van art. 7:670 BW Pro en art. 7:670a BW in de ontbindingsprocedure worden ingelezen. Waarom zou dat niet ook kunnen, of zelfs moeten, met de temporele beperking waar het hier om gaat?”
Bij het ontwerpen van de WWZ is echter niet onderkend dat beide routes niet langer geheel los van elkaar staan. Voor de a-grond is de kantonrechter een ‘beroeps’mogelijkheid van de UWV-procedure geworden (zie Verhulp, T&C Arbeidsrecht, art. 7:671b BW, aant. 3). Het nieuw ingevoerde art. 7:671b lid 1 onder b BW bepaalt immers dat werkgever zich tot de kantonrechter kan wenden indien het UWV toestemming heeft geweigerd. Voor een ontslag op de a-grond is de kantonrechter daarmee een verlengstuk van de UWV-procedure geworden. In de wetsgeschiedenis van de WWZ is vermeld dat de kantonrechter in dat geval aan dezelfde criteria moet toetsen als het UWV. Te bepleiten valt dat onder ‘dezelfde criteria’ dan ook de anti-misbruikbepaling bij ziekmelding dient te worden geschaard. Een andere uitleg zou tot onaanvaardbaar gevolg hebben dat werknemer de beroepsmogelijkheid tegen de afwijzing van de ontslagaanvraag eenvoudig kan doorkruisen, door zich direct na de beslissing van het UWV ziek te melden en zich gedurende twee maanden ziek te houden.
Het opzegverbod geldt wel indien de werknemer nadat het verzoek om toestemming door het UWV is ontvangen zich ziek meldt en de werkgever na weigering van de ontslagvergunning vervolgens ontbinding vraagt. De regering meende in het kader van de behandeling van de Wet flexibiliteit en zekerheid dat dan het opzegverbod geldt (Kamerstukken II 1996/97, 25263, 3, p. 27, en o.a. Rb. Gelderland 6 september 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4577 en Hof ’s-Hertogenbosch 22 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2820). De tekst van art. 7:671b lid 2 wijst ook in deze richting. Frikkee (ArbeidsRecht 2018/1) betoogt dat nu dit artikel naar art. 7:670 lid 1 BW Pro verwijst, in het geval de werknemer zich bij het UWV niet op het opzegverbod wegens ziekte kon beroepen omdat de ziektemelding is ontvangen nadat het verzoek om toestemming is ontvangen, de werknemer zich evenmin op dat opzegverbod kan beroepen in de daarop volgende ontbindingsprocedure. Uit Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 101 en omdat de ontbinding niet is bedoeld als hoger beroep op de beslissing van het UWV (hoewel het er onmiskenbaar trekken van heeft) leid ik af dat dit betoog niet past bij de bedoeling van de regering.”
meldingna aanvang van de UWV-procedure niet per definitie in de weg staat aan een gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat het erom gaat of sprake is van ziekte. [106] Daarmee bedoelen zij dat alleen als blijkt dat de werknemer
daadwerkelijkziek is, het opzegverbod geldt. [107]
Voor zover er in geval van een ziekmelding sprake is van een schijnsituatie wijzen wij erop dat de werkgever in het kader van de WULBZ voldoende instrumenten ter beschikking staan om zodanige ziekmelding te ontzenuwen.”
het [is] wat merkwaardig dat bij een toewijzing door het UWV het opzegverbod niet zou gelden, terwijl bij een onterechte afwijzing van deze toestemming het opzegverbod opeens zou herleven.’ [111] Overigens vinden zij dat een aanpassing van de wettelijke regeling voor de hand ligt.