Conclusie
1(hierna: de ‘Waadi’), op grond waarvan degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt (de uitlener) geen belemmeringen in de weg mag leggen voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst na afloop van de terbeschikkingstelling tussen de ter beschikking gestelde arbeidskracht en degene aan wie hij ter beschikking is gesteld (de inlener).
2opgenomen. Na afloop van de werkzaamheden heeft de inlener aan [verweerster] een aanbod gedaan om voor onbepaalde tijd bij haar in dienst te treden. Dit dienstverband is niet tot stand gekomen, omdat [eiseres] zich op het relatiebeding heeft beroepen.
1.Feiten
3
4van [verweerster] – [betrokkene 1] (hierna: ‘ [betrokkene 1] ’) – staat sinds 10 augustus 2003 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als (enig) eigenaar van de eenmanszaak ‘ [A] ’.
5Uit een handelsregisteruittreksel uit 2017 blijkt dat ‘ [A] ’ vanaf 1 december 2012 niet meer als handelsnaam van de eenmanszaak werd gebruikt. De eenmanszaak handelde toen onder de naam ‘ [B] ’ en hield zich bezig met de volgende activiteiten: boekhoudkantoren, kinderopvang, coördinatie en administratie kantoor ten behoeve van zorg en gastouderbureau.
6Uit een handelsregisteruittreksel uit 2019 blijkt dat ‘ [A] ’ toen wél weer als handelsnaam van de eenmanszaak werd gebruikt, naast de handelsnaam ‘ [B] ’. Ook zijn blijkens het uittreksel de volgende activiteiten toegevoegd: peuterspeelzaalwerk, ingenieurs en overig technisch ontwerp en advies en het op projectbasis leveren van advies en ondersteuning op milieugebied aan private en overheidsinstellingen.
7
8namens [A] .
9
10maanden na het einde van de overeenkomst van opdracht, hetzij direct hetzij indirect werkzaam te zijn op dezelfde werkplek in hetzelfde project als waarop opdrachtnemer in de laatste twaalf (6)
11maanden voor beëindiging van de overeenkomst van opdracht werkzaam is geweest bij inlener ten behoeve van opdrachtgever, tenzij opdrachtnemer daarvoor schriftelijk toestemming heeft gekregen van opdrachtgever.
12
Ondersteuning van de afdeling Vergunningverlening” per 31 januari 2017 worden beëindigd en dat op die datum dus ook het project zal eindigen.
13
14
15
16
17
18
2.Procesverloop
19
20
21
Focus on human). In artikel 6 lid 2 Uitzendrichtlijn Pro staat dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat eventuele bepalingen die het sluiten van een arbeidsovereenkomst of het tot stand komen van een arbeidsverhouding tussen de inlenende onderneming en de uitzendkracht na afloop van zijn uitzendopdracht verbieden of verhinderen, nietig zijn of nietig kunnen worden verklaard. De Waadi verstaat onder het ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het onder diens toezicht en leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, verrichten van arbeid (artikel 1 lid 1 aanhef Pro en onder c Waadi).
Ruhrlandklinik) en de Hoge Raad (14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:689
Focus on human) volgt – voor zover hier thans van belang – dat de Uitzendrichtlijn en de Waadi niet alleen van toepassing zijn op werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben gesloten met een uitzendbureau, maar ook op arbeidskrachten die een arbeidsrelatie hebben met een uitzendbureau. Voor toepasselijkheid van de Uitzendrichtlijn en de Waadi is aldus niet vereist dat tussen de arbeidskracht en het uitzendbureau een arbeidsovereenkomst is overeengekomen. Ook wanneer een uitzendbureau een zelfstandige (zzp’er) ter beschikking stelt aan een inlenende onderneming om daar onder leiding en toezicht van deze inlener te werken zijn de Uitzendrichtlijn en de Waadi van toepassing. Hieruit volgt dat in het onderhavige geval, waarin sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen [verweerster] en [eiseres] , het belemmeringsverbod van art. 9a Waadi onverminderd van toepassing is. Grief 3 slaagt. Daarbij is het niet van belang in welke hoedanigheid [verweerster] door [eiseres] aan ODRA ter beschikking is gesteld. Het daarop betrekking hebbend bewijsaanbod van [eiseres] (zie onder 71 MvA) wordt daarom als niet relevant voor de beslissing gepasseerd. Nu sprake is van nietigheid is evenmin van belang dat [verweerster] , onderhandelend namens [A] heeft ingestemd met een dergelijk beding.”
3.Het belemmeringsverbod van art. 9a Waadi
22
Ruhrlandklinik);
Focus on Human);
: het belemmeringsverbod in Nederland vóór de inwerkingtreding van de Waadi
23Op grond van art. 93 lid Pro 1, aanhef en onder a, van die wet was het de uitlener
24verboden om “
aan de ter beschikking gestelde arbeidskrachten belemmeringen in de weg te leggen om met derden een arbeidsverhouding aan te gaan.” Het verbod was ruim geformuleerd en omvatte niet alleen de situatie dat de arbeidskracht een arbeidsverhouding met de inlener zou aangaan, maar ook – veel breder – met derden. De memorie van toelichting bij het voorstel tot de Arbeidsvoorzieningswet 1990 geeft geen toelichting op het belemmeringsverbod. In kamerstukken van latere datum (omtrent de invoering van de Waadi) staat echter, onder vermelding van art. 93 Arbeidsvoorzieningswet 1990, dat het “
belemmerverbod(…)
primair ten doel[heeft]
te vermijden dat uitzendkrachten iets in de weg wordt gelegd om bij de inlener of een ander bedrijf in dienst te treden.”
25Met het belemmeringsverbod beoogde de wetgever dus te waarborgen dat de uitlener op geen enkele wijze beperkingen zou stellen aan de vrije arbeidskeuze van de ter beschikking gestelde arbeidskracht, bijvoorbeeld door een relatiebeding of een concurrentiebeding overeen te komen.
het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het onder diens toezicht of leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, in diens onderneming verrichten van aldaar gebruikelijke arbeid”. In de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Arbeidsvoorzieningswet 1990 staat over “
de figuur” van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten vermeld dat daarbij de intermediair als werkgever optreedt.26 Indien de arbeidskracht zijn arbeid als een kleine zelfstandige in een meer bedrijfsmatige vorm verricht, vallen op die arbeid gerichte intermediaire activiteiten in het algemeen buiten het bestek van de Arbeidsvoorzieningswet 1990:
27
28Het belemmeringsverbod van art. 93 lid Pro 1, aanhef en onder a, is daarbij gehandhaafd.
29
: inwerkingtreding van de Waadi: afschaffing van het (wettelijke) belemmeringsverbod
30dus vrij snel na de invoering van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, zijn de bepalingen van die wet die op het uitzendwezen betrekking hadden, in de Waadi overgegaan.
31Met de Waadi zijn de mogelijkheden om gebruik te maken van uitzendarbeid aanzienlijk verruimd.
het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het onder diens toezicht of leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, verrichten van arbeid”.
32In de memorie van toelichting bij het voorstel tot de Waadi staat dat het niet van belang is of de arbeidskracht in een arbeidsverhouding tot de uitlener staat:
33
34
omdat op grond van het algemene overeenkomstenrecht partijen beschermd zijn tegen onredelijk bezwarende bedingen die door de rechter vernietigd kunnen worden. Een beding dat een arbeidskracht in zijn vrije arbeidskeuze belemmert is in algemene zin al als bezwarend te beschouwen en zou in de relatie arbeidskracht – uitzendbureau vernietigbaar kunnen zijn.”
35
36
omdat op grond van het algemene overeenkomstenrecht partijen beschermd zijn tegen[het, A-G]
onredelijke.”
37
38Uit die wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat bescherming van de werknemer moet worden gezocht in het algemene overeenkomstenrecht, op grond waarvan onredelijk bezwarende bedingen “
vernietigd kunnen worden”. Ook blijkt uit die wetsgeschiedenis dat een beding ter beperking van de vrije arbeidskeuze “
voor vernietiging in aanmerking kan komen”.
39
: de Uitzendrichtlijn: het Europese belemmeringsverbod
40De Uitzendrichtlijn heeft, kort gezegd, tot doel de bescherming van uitzendkrachten te garanderen en de kwaliteit van het uitzendwerk te verbeteren.
41Art. 1 lid 1 Uitzendrichtlijn Pro bepaalt dat de richtlijn van toepassing is op ‘werknemers’ met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met een ‘uitzendbureau’, die ter beschikking worden gesteld van ‘inlenende ondernemingen’ om onder toezicht en leiding van genoemde ondernemingen tijdelijk te werken. De tussen aanhalingstekens gezette woorden zijn gedefinieerd in art. 3 lid Pro 1, onder a), b) en d), Uitzendrichtlijn.
42bij het voorstel voor de Uitzendrichtlijn
43staat onder meer dat met de richtlijn de toegang tot vast werk voor uitzendkrachten moet worden vergemakkelijkt. Daarom is in het voorstel voor de Uitzendrichtlijn bepaald dat “
alle bepalingen die de aanwerving van een uitzendkracht door een inlenende onderneming verbieden of moeten verhinderen, nietig zijn.”
44Dit voorgestelde belemmeringsverbod is uiteindelijk terechtgekomen in art. 6 lid Pro 2, eerste volzin, Uitzendrichtlijn, dat als volgt luidt:
een werknemer met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met een uitzendbureau teneinde ter beschikking te worden gesteld van een inlenende onderneming om daar onder toezicht en leiding van laatstgenoemde onderneming tijdelijk te werken”. De omschrijving van het begrip ‘uitzendkracht’ bevat op zijn beurt dus het begrip ‘werknemer’. Daaronder moet volgens art. 3 lid Pro 1, onder a), Uitzendrichtlijn worden verstaan “
iedere persoon die in de betrokken lidstaat krachtens de nationale arbeidswetgeving bescherming geniet als werknemer”.
na afloop vande uitzendopdracht, terwijl het oude Nederlandse belemmeringsverbod tevens zag op de situatie dat de ter beschikking gestelde arbeidskracht
tijdens de terbeschikkingstellingbij de inlener in dienst wilde treden. Ten tweede ziet het Europese belemmeringsverbod uitsluitend op indiensttreding bij degene aan wie de arbeidskracht ter beschikking is gesteld (
de inlener), terwijl op grond van de Arbeidsvoorzieningswet óók het belemmeren van het aangaan van een arbeidsovereenkomst of -verhouding met
derdenwas verboden (randnummer 3.4 hiervoor). Een beding dat belet om bij
anderen dan de inlenerin dienst te treden, wordt dus niet getroffen door het in de Uitzendrichtlijn opgenomen belemmeringsverbod.
45Nederland heeft deze deadline niet gehaald.
: implementatie van de Uitzendrichtlijn: het belemmeringsverbod van art. 9a Waadi
46Het in art. 9a Waadi ingevoerde belemmeringsverbod luidt als volgt:
47Evenmin implementatie behoeven de definities die art. 3 lid Pro 1, onder a) tot en met e), Uitzendrichtlijn geeft van de begrippen ‘werknemer’, ‘uitzendbureau’, ‘uitzendkracht’, ‘inlenende onderneming’ en ‘opdracht’. De in de Uitzendrichtlijn gegeven definities sluiten namelijk aan bij de definities van ‘uitzendovereenkomst’ in art. 7:690 BW Pro en van het ‘ter beschikking stellen’ in art. 1 lid Pro 1, onder c, Waadi.
48Voor zover het bij de invoering van de Waadi niet (meer) nodig was om als arbeidskracht in een arbeidsverhouding tot de uitlener te staan om onder het begrip ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ te vallen (randnummer 3.8 hiervoor), is een dergelijke arbeidsverhouding sindsdien dus wel (weer) nodig. Het begrip ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ in art. 1 lid Pro 1, onder c, Waadi sluit namelijk aan bij de definities van de Uitzendrichtlijn en in de definitie van ‘uitzendkracht’ in art. 3 lid Pro 1, onder c), Uitzendrichtlijn is een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met een uitzendbureau (de uitlener) vereist (randnummer 3.19 hiervoor).
49Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer heeft de minister nog eens toegelicht wat het belemmeringsverbod inhoudt:
50
51
elkbelemmerend beding ontoelaatbaar acht, acht de minister het noodzakelijk om het verbod wederom wettelijk te regelen:
52
niet meer wettelijk geregeld is”, maar in de rechtspraak wordt aangenomen dat “
het verbod nog wel bestaat”, lijkt de minister het arrest uit 2003 van Uw Raad inzake
LAN-Alyst B.V.(randnummer 3.14 hiervoor) niet juist te hebben weergegeven. In dat arrest heeft Uw Raad immers geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis van de Waadi
nietkan worden afgeleid dat een concurrentiebeding in het algemeen ontoelaatbaar is.
53heeft de minister verduidelijkt waarom het nodig is om het belemmeringsverbod opnieuw wettelijk te verankeren:
54
elkbeding dat de indiensttreding bij een inlener belemmert. Niet alleen een verbod op onredelijke bedingen. De enig toegestane uitzondering is een beding op grond waarvan een inlener een redelijke vergoeding verschuldigd is aan de uitlener voor werving, terbeschikkingstelling of opleiding van uitzendkrachten die bij hem in dienst treden. Een beding dat de werknemer belet in dienst te treden van de inlener is dan ook nietig. De werknemer hoeft ook dan niet naar de rechter om een dergelijk beding aan te vechten. Met het opnemen van het belemmeringsverbod in de WAADI wordt voldaan aan de richtlijn.
elkbeding dat de indiensttreding bij een inlener belemmert (m.u.v. een beding op grond waarvan een inlener een redelijke vergoeding verschuldigd is aan de uitlener voor werving, terbeschikkingstelling of opleiding). Daarom acht de regering het noodzakelijk het belemmeringsverbod wettelijk te regelen. De regering ziet geen nadelen. Het verschaft de uitzendkracht en uitzendwerkgever juist duidelijkheid over welke bedingen wel en niet zijn toegestaan.”
55
payrollconstructies en detacheringovereenkomsten, heeft de minister geantwoord dat per situatie moet worden getoetst of wordt voldaan aan de in art. 1 lid Pro 1, onder c, Waadi gegeven omschrijving van het begrip ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’:
56
57
58heeft opnieuw wijzigingen in de Waadi doorgevoerd.
59Deze wijzigingen zien op
payrollingen zijn voor de onderhavige procedure niet van belang.
60Uit een brief van 18 juni 2020 (van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst) aan de Eerste Kamer blijkt dat in de toekomst mogelijk bepaalde vormen van platformwerk61onder de reikwijdte van de Waadi zullen worden gebracht om de rechtspositie van platformwerkers te versterken.
62
: tussenconclusie: het belemmeringsverbod is terug van weggeweest, zij het in beperktere vorm
kaal” geïmplementeerd, hetgeen betekent dat niet méér is geregeld dan in de Uitzendrichtlijn is voorgeschreven. De vraag welke vormen van (tijdelijke) inleen van werknemers onder de Waadi vallen, kan volgens de minister niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Per situatie zal moeten worden getoetst of is voldaan aan de omschrijving van het begrip ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ in de zin van art. 1 lid Pro 1, onder c, Waadi. Blijkens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Waadi sluit de omschrijving van dit begrip aan bij de in art. 3 van Pro de Uitzendrichtlijn gegeven definities (randnummers 3.23-3.32 hiervoor).
Ruhrlandklinik63uitspraak gedaan over de betekenis van het begrip ‘werknemer’ in de zin van de Uitzendrichtlijn. Specifiek ging het in die zaak om de vraag of de Uitzendrichtlijn ook van toepassing is op de terbeschikkingstelling van een persoon aan een inlenende onderneming, terwijl de ter beschikking gestelde persoon géén arbeidsovereenkomst met de uitlenende onderneming heeft en naar nationaal recht niet als werknemer wordt aangemerkt. Deze vraag ligt dicht aan tegen de vraag die in de onderhavige procedure centraal staat, hoewel het in het
Ruhrlandklinik-zaak dus niet ging om het belemmeringsverbod. Omdat het
Ruhrlandklinik-arrest voor deze procedure zeer van belang is, geef ik de relevante overwegingen van het HvJ EU hierna grotendeels integraal weer.
: HvJ EU 17 november 2016 (Ruhrlandklinik)
64
65
Bundesarbeitsgericht(de hoogste federale rechter in arbeidszaken in Duitsland) is dit verbod slechts op werknemers van een uitzendbureau van toepassing en hebben leden van DRK Essen, onder wie K., niet de hoedanigheid van werknemer naar Duits recht. Het
Bundesarbeitsgerichtvroeg zich echter af of K. op grond van de Uitzendrichtlijn wél als werknemer zou kunnen worden aangemerkt en heeft hierover een prejudiciële vraag gesteld aan het HvJ EU.
66
iedere persoon die in de betrokken lidstaat krachtens de nationale arbeidswetgeving bescherming geniet als werknemer”. Uit deze bewoordingen volgt volgens het HvJ EU dat een ‘werknemer’ in de zin van de Uitzendrichtlijn “
iedere persoon is die arbeid verricht en op grond daarvan in de desbetreffende lidstaat wordt beschermd.”
67
naar nationaal rechtonder het begrip ‘werknemer’ vallen:
dat het iedere persoon omvat die een arbeidsverhouding in de zin zoals aangegeven in punt 27 van het onderhavige arrest heeft en in de desbetreffende lidstaat op grond van de arbeid die hij verricht, wordt beschermd.”
69
70De Uitzendrichtlijn beoogt onder meer een beschermingskader vast te stellen voor uitzendkrachten dat niet-discriminerend, transparant en evenredig is, en de diversiteit van de arbeidsmarkten en de arbeidsverhoudingen eerbiedigt. De verwezenlijking van dit doel kan in gevaar worden gebracht, en aan het nuttig effect van de Uitzendrichtlijn kan worden afgedaan, als lidstaten of uitzendbureaus naar eigen goeddunken bepaalde categorieën personen van de werkingssfeer van de Uitzendrichtlijn kunnen uitsluiten:
71
iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt”. De rechtsvorm van de Ruhrlandklinik en het feit dat zij geen winstoogmerk heeft, is dus niet van belang voor de vraag of de Uitzendrichtlijn van toepassing is.
72
Ruhrlandklinikgekozen voor een materiële benadering van het werknemersbegrip.
73Het gaat er immers niet om of er formeel gezien, naar nationaal recht, sprake is van een werknemer (of een arbeidsovereenkomst tussen de arbeidskracht en het uitzendbureau), maar of materieel gezien sprake is van een ‘werknemer’ die een ‘arbeidsverhouding’ heeft met een uitzendbureau en derhalve “
gedurende een bepaalde tijd voor een andere persoon en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een beloning ontvangt, en die op grond daarvan in de desbetreffende lidstaat is beschermd.” Een en ander ongeacht de juridische kwalificatie van zijn arbeidsverhouding naar nationaal recht met het uitzendbureau, de aard van de rechtsbetrekking tussen de persoon en het uitzendbureau en de vorm van hun verhouding.
Ruhrlandklinik-arrest wees, heeft Uw Raad zich in het arrest
Focus on Human74moeten buigen over de vraag of het belemmeringsverbod van art. 9a Waadi ook van toepassing is als een voormalig gedetacheerde werknemer, met een concurrentie- en relatiebeding in zijn arbeidsovereenkomst met de uitlener, zijn werkzaamheden na afloop van de terbeschikkingstelling als zzp’er (en dus niet als werknemer) wil voortzetten bij de voormalig inlenende onderneming. Waar het
Ruhrlandklinik-arrest dus zag op de verhouding tussen de arbeidskracht en het uitzendbureau/de uitlener (de verhouding ‘aan de voorkant’), ziet het
Focus on Human-arrest op de verhouding ‘aan de achterkant’, namelijk op de nieuw aangegane verhouding tussen de arbeidskracht en de (voormalig) inlenende onderneming. In
Focus on Humanstond vast dat de arbeidskracht een werknemer van het uitzendbureau (de uitlener) was. De vraag die in de onderhavige procedure centraal staat – en die met name ziet op de rechtsverhouding tussen de arbeidskracht ( [verweerster] ) en de uitlener ( [eiseres] ) – speelde in de
Focus on Human- zaak dus geen rol.
: HR 14 april 2017 (Focus on Human)
75
76heeft het hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het belemmeringsverbod van art. 9a Waadi niet van toepassing is.
77Dat verbod zag volgens het hof namelijk alleen op de situatie waarin de opdrachtgever (de huisartsenpraktijk) de ggz- verpleegkundige na afloop van de terbeschikkingstelling
in dienst wilde nemen. In dit geval wilde de verpleegkundige zijn werkzaamheden echter als
zzp’ervoortzetten. Volgens het hof genoot hij als zelfstandig ondernemer niet de bescherming van het belemmeringsverbod.
78
geen belemmeringen (…) voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst” in art. 9a Waadi moeten worden gelezen als “
geen belemmeringen (…) voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomstof een arbeidsverhouding” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). Uit de bewoordingen van art. 6 lid Pro 2, eerste volzin, Uitzendrichtlijn volgt namelijk dat het belemmeringsverbod niet alleen betrekking heeft op het sluiten van arbeidsovereenkomsten, maar óók op “
het tot stand komen van een arbeidsverhouding”. Het begrip ‘arbeidsverhouding’ moet vervolgens worden uitgelegd in overeenstemming met de rechtspraak van het HvJ EU over de Uitzendrichtlijn, waarbij Uw Raad naar het
Ruhrlandklinik-arrest heeft verwezen.
79
80
81Dit heeft tot gevolg dat het belemmeringsverbod van art. 9a Waadi van toepassing is en Focus on Human géén beroep kan doen op het concurrentie- en relatiebeding dat was opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen Focus on Human en de ggz-verpleegkundige.
82
Focus on Human-arrest van Uw Raad niet geheel verstomd. Zo wordt in de literatuur onder meer de vraag aan de orde gesteld of het belemmeringsverbod van de Waadi ook van toepassing is op arbeidskrachten (al dan niet zzp’ers) die op basis van een overeenkomst van opdracht met de uitlener (het uitzendbureau) ter beschikking worden gesteld aan een inlener. Deze vraag speelde als gezegd niet in de
Focus on Human-zaak, omdat in die zaak de ter beschikking gestelde arbeidskracht (de ggz-verpleegkundige) in dienst was bij en dus een arbeidsovereenkomst had met de uitlener (Focus on Human). Deze vraag speelt echter wél in de onderhavige procedure. Ik ga hierna dan ook in op hoe in de literatuur met deze vraag wordt omgegaan.
: de literatuur is behoorlijk eensgezind
kanzijn op opdrachtnemers, al dan niet zzp’ers, die door een uitzendbureau aan een inlener ter beschikking worden gesteld.
Zwemmerdat de Waadi ook van toepassing zou kunnen zijn bij de terbeschikkingstelling van personen die een opdrachtovereenkomst sloten met de partij die hen ter beschikking stelde aan de inlener.
83In zijn noot onder het
Ruhrlandklinik-arrest heeft Zwemmer dit standpunt herhaald en betoogd dat de Waadi – hij noemt niet specifiek het belemmeringsverbod – ook van toepassing zou kunnen zijn op de terbeschikkingstelling van niet-werknemers, zoals zzp’ers of vrijwilligers. Voor toepasselijkheid van de Waadi is volgens Zwemmer namelijk niet vereist dat de arbeidskracht werknemer is of loon ontvangt. Hij vervolgt:
84
cruciaal” is of de opdrachtnemer (de arbeidskracht) de werkzaamheden onder het gezag van de opdrachtgever van zijn opdrachtgever (de inlener) verricht, omdat in dat geval de Waadi van toepassing is, gaat hij er volgens mij aan voorbij dat het begrip ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ in de zin van art. 1 lid Pro 1, onder c, Waadi aansluit bij de definities in de Uitzendrichtlijn (randnummer 3.24 hiervoor). Het begrip ‘uitzendkracht’ wordt in art. 3 lid Pro 1, onder c), Uitzendrichtlijn omschreven als “
een werknemer met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met een uitzendbureau teneinde ter beschikking te worden gesteld van een inlenende onderneming om daar onder toezicht en leiding van laatstgenoemde onderneming tijdelijk te werken”. Naast het gezag-vereiste (toezicht en leiding van de inlenende onderneming), is voor toepasselijkheid van de Waadi derhalve óók nodig dat sprake is van een ‘werknemer’ in de zin van de Uitzendrichtlijn met een arbeidsovereenkomst of ‘arbeidsverhouding’ met een uitzendbureau, en dat is niet zonder meer het geval bij een opdrachtnemer die op basis van een overeenkomst van opdracht met de uitlener/het uitzendbureau werkzaamheden onder het gezag van de inlener verricht.
Focus on Human-arrest is A-G
De Bockingegaan op de noot van Zwemmer bij het
Ruhrlandklinik-arrest. De visie van Zwemmer, dat het belemmeringsverbod van toepassing kan zijn op personen die anders dan op basis van een uitzendovereenkomst arbeid verrichten voor een ander, lijkt haar juist. Volgens De Bock blijkt uit het
Ruhrlandklinik- arrest dat voor de toepasselijkheid van de Uitzendrichtlijn – ze noemt evenmin specifiek het belemmeringsverbod – niet is vereist dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen het uitzendbureau en de uitzendkracht. Het gaat er volgens De Bock om of de betrokkene is aan te merken als ‘werknemer’ in de zin van de Uitzendrichtlijn, dat wil zeggen of de betrokkene “
gedurende een bepaalde tijd voor een andere persoon en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een beloning ontvangt.”
85Ik zou hieraan willen toevoegen dat het moet gaan om een werknemer met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met een uitzendbureau, die ter beschikking wordt gesteld van een inlenende onderneming om onder toezicht en leiding van de inlener te werken (art. 1 lid 1 en Pro art. 3 lid Pro 1, onder c), Uitzendrichtlijn).
Verhulpis van mening dat voor de toepasselijkheid van de Uitzendrichtlijn en de Waadi niet is vereist dat tussen de uitzendkracht en het uitzendbureau een arbeidsovereenkomst is overeengekomen. Ook zelfstandigen en opdrachtnemers kunnen volgens hem onder de definitie van het ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ in de zin van art. 1 lid Pro 1, onder c, Waadi vallen.
86In zijn noot bij het
Focus on Human-arrest stelt hij, onder verwijzing naar het bestreden arrest in de onderhavige procedure, dat het echter de vraag is of het belemmeringsverbod zonder meer van toepassing is op élke zelfstandige die ter beschikking wordt gesteld aan een derde. De Waadi geldt volgens Verhulp immers niet voor ondernemers:
87
Focus on Humangaat het hier om de vraag of een ter beschikking gestelde zelfstandige ook valt onder de werkingssfeer van Richtlijn 2003/88 [bedoeld zal zijn: Richtlijn 2008/104/EG, de Uitzendrichtlijn, A-G], en die vraag moet worden beantwoord aan de hand van art. 3 lid 1 onder Pro b van de richtlijn [bedoeld zal zijn: art. 3 lid Pro 1, onder c), van de Uitzendrichtlijn, A-G]. Daar wordt de uitzendkracht, die een beroep op het belemmeringsverbod toekomt, gedefinieerd als ‘een werknemer met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met een uitzendbureau’. Of de zelfstandige in de beschikking van het gerechtshof [het bestreden arrest, A-G] aan die definitie voldoet, is niet zeker. Gezien de beschrijving van de aard van de werkzaamheden lijkt mij dat wel aannemelijk. Het van toepassing achten van de WAADI op zelfstandigen is daarmee geen vanzelfsprekendheid: de WAADI geldt alleen voor die zelfstandigen die een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding als bedoeld in Richtlijn 2003/88 hebben gesloten, en uiteraard niet voor ondernemers.”
nietde eis stelt dat tussen het uitzendbureau en de arbeidskracht een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding bestaat. Volgens Verhulp is de werkingssfeer van de Waadi – voor zover het gaat om ter beschikking stellen – dus nog ruimer dan die van de Uitzendrichtlijn.
88
89
Zzp’er/FOHen de tekst van art. 1 lid 1 onder Pro c jo. 9a WAADI, die ruimer is dan de Uitzendrichtlijn, sluit ik mij aan bij A-G De Bock en Zwemmer. Ik meen dat ook arbeidskrachten die werkzaamheden verrichten op basis van een opdrachtovereenkomst met de uitlener, met succes een beroep kunnen doen op art. 9a WAADI.”
9Dit laatste is in zoverre juist dat uit het
Ruhrlandklinik-arrest blijkt dat noch de juridische kwalificatie naar nationaal recht van de verhouding die de arbeidskracht met het uitzendbureau verbindt, noch de aard van hun rechtsbetrekking, noch de vorm van deze verhouding “
doorslaggevend” is voor de aanduiding van een persoon als ‘werknemer’ in de zin van de Uitzendrichtlijn. Waar Van Houte stelt dat de aard van de arbeidsverhouding tussen de arbeidskracht en de uitlener
niet van belangis, zou ik willen stellen dat de aard van die verhouding niet
doorslaggevendis.
Zekićhoudt het kort en volstaat met de stelling dat de Waadi ook van toepassing is op de relatie van een zelfstandige en het uitzendbureau dat hem ter beschikking stelt aan een ander om daar onder toezicht en leiding van die ander tijdelijk te werken.
91Ook dit lijkt mij te kort door de bocht. Daarnáást is immers nodig dat de zelfstandige als ‘werknemer’ in de zin van de Uitzendrichtlijn kwalificeert en een (arbeidsovereenkomst of) arbeidsverhouding heeft met het uitzendbureau (randnummers 3.64, 3.68 en 3.70 hiervoor).
nietvan toepassing is op ondernemers:
92
Pluraliteit van werkgeverschap(diss. UvA), Deventer: Kluwer 2012, p. 92), of nog stelliger: succesvol is (R. Jonkmans, ‘De reikwijdte van het belemmeringsverbod van artikel 9a Waadi’,
TAP2019/237). Hierna zal ik uiteenzetten waarom echte zzp-bemiddeling (dus niet zijnde verkapte uitzending ex art. 7:690 BW Pro) naar mijn mening niet onder art. 9a Waadi valt.”
zzp-bemiddeling”, terwijl Zwemmer en Jonkmans het hebben over het ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ in de zin van art. 1 lid Pro 1, onder c, Waadi. Arbeidsbemiddeling
93en het ter beschikking stellen van arbeidskrachten moeten van elkaar worden onderscheiden.
94
onder toezicht en leiding” van de inlenende onderneming tijdelijk werk verricht (art. 1 lid 1 en Pro art. 3 lid Pro 1, onder c), Uitzendrichtlijn). Het belemmeringsverbod is dus inderdaad niet van toepassing op een zelfstandige die zijn werkzaamheden
nietonder gezag van de inlener verricht.
kanzijn op opdrachtnemers (al dan niet zzp’ers) die door een uitzendbureau aan een inlener ter beschikking worden gesteld. Hoogeveen lijkt deze mogelijkheid ook niet uit te sluiten, maar benadrukt vooral dat zzp’ers die zelfstandig hun werkzaamheden verrichten niet onder het toepassingsbereik van art. 9a Waadi vallen.
: de feitenrechtspraak laat een meer wisselend beeld zien
nietvan toepassing is op zelfstandigen die op grond van een opdrachtovereenkomst werkzaamheden voor derden verrichten (randnummer 2.5 hiervoor). Het hof is tot een tegenovergestelde uitkomst gekomen en heeft geoordeeld dat de Waadi
welvan toepassing is als een uitzendbureau een zelfstandige ter beschikking stelt aan een inlenende onderneming om daar onder leiding en toezicht van deze inlener te werken. Het is daarbij volgens het hof niet van belang in welke hoedanigheid [verweerster] door [eiseres] aan de inlener ter beschikking is gesteld (randnummer 2.9 hiervoor). Waar de rechtbank dus van oordeel lijkt te zijn dat ter beschikking gestelde zelfstandigen
nooitonder het toepassingsbereik van het belemmeringsverbod kunnen vallen, lijkt het hof juist te oordelen dat dergelijke zelfstandigen
altijdonder het toepassingsbereik van het belemmeringsverbod vallen.
95en een uitspraak van 21 augustus 2019 van de rechtbank Rotterdam.
96Beide uitspraken gaan ervan uit dat het belemmeringsverbod van art. 9a Waadi zich óók kan uitstrekken tot zelfstandigen die aan een inlener ter beschikking worden gesteld. Daarmee verschillen de uitspraken van het vonnis van de rechtbank in de onderhavige procedure tussen [eiseres] en [verweerster] . De uitspraken verschillen echter ook van de richting die het hof in het bestreden arrest heeft gekozen. Het hof is namelijk tot zijn oordeel gekomen
zonderin materiële zin te beoordelen in welke rechtsverhouding [verweerster] (als arbeidskracht) staat tot [eiseres] (de uitlener) en de ODRA (de inlener). De rechtbank Noord-Nederland daarentegen heeft in de uitspraak van 4 augustus 2021 de arbeidsverhouding tussen de arbeidskracht (zzp’er) en de
uitlenerbeslissend geacht (rov. 5.14.), waar de rechtbank Rotterdam in de uitspraak van 21 augustus 2019 juist de verhouding tussen de arbeidskracht (zzp’er) en de
inlenercentraal heeft gesteld (rov. 5.4). Gelet op deze verschillen ga ik hierna nader in op de uitspraken van de rechtbanken Noord- Nederland en Rotterdam.
97en de Hoge Raad
98volgt naar het oordeel van de rechtbank (in het voetspoor van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn arrest van 1 september 2020
99) [het bestreden arrest, A-G] dat zowel de Uitzendrichtlijn als de Waadi niet alleen van toepassing zijn op werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben met een uitzendbureau, maar ook op
arbeidskrachtendie een
arbeidsverhoudinghebben met een uitzendbureau. Volgens de rechtspraak van het HvJ EU is voor een
arbeidsverhoudingkenmerkend dat een persoon gedurende een zekere tijd voor een ander en onder diens leiding prestaties levert in ruil voor een vergoeding. Voor de toepasselijkheid van de Uitzendrichtlijn en de Waadi is aldus niet vereist dat tussen de arbeidskracht en het uitzendbureau een arbeidsovereenkomst is overeengekomen. Ook wanneer een uitzendbureau een zelfstandige (zzp’er) krachtens een overeenkomst van opdracht ter beschikking stelt aan een inlenende onderneming om daar onder leiding en toezicht van deze inlener te werken zijn de Uitzendrichtlijn en de Waadi van toepassing. Van leiding en toezicht door de inlener is onder meer sprake wanneer de arbeidskracht instructies krijgt van de inlener over de uitvoering van zijn werk en over de uitvoering van het werk aan de inlener verantwoording moet afleggen.”
uitlener) een arbeidsverhouding in de zin die het HvJ EU daaraan heeft gegeven, omdat de zzp’er (i) voor bepaalde tijd (ii) ter beschikking was gesteld aan een ander (de inlener), (iii) prestaties bij de inlener leverde in de vorm van loodgieterswerkzaamheden en (iv) daarvoor een vergoeding ontving, waarbij (v) de inlener leiding en toezicht uitoefende (rov. 5.15.). Naar het oordeel van de rechtbank is daarom het belemmeringsverbod van art. 9a Waadi van toepassing en moet het concurrentiebeding (dat was opgenomen in de opdrachtovereenkomst tussen de zzp’er en Bouwprofs) als nietig worden beschouwd (rov. 5.16. en 5.17.).
het uitzendbureau(Bouwprofs), maar vervolgens lijkt de rechtbank (in het vervolg van rov. 5.15.) te toetsen of de arbeidskracht (de zzp’er) een arbeidsverhouding heeft met
de inlener. Ook heeft de rechtbank nagelaten om te toetsen of de arbeidskracht (de zzp’er) als ‘werknemer’ in de zin van de Uitzendrichtlijn kan worden beschouwd en derhalve op grond van Nederlands recht wordt beschermd op grond van de arbeid die hij verricht (art. 1 lid Pro 1, onder a), Uitzendrichtlijn).
uitlener, maar juist de rechtsverhouding tussen de arbeidskracht en de
inlenercentraal gezet. In die procedure ging het om het volgende.
het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het onder diens toezicht en leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, verrichten van arbeid” (rov. 5.4).
nietonder het toepassingsbereik van het belemmeringsverbod vallen. Het hof lijkt in het bestreden arrest juist te oordelen dat dergelijke zelfstandigen
wélonder het toepassingsbereik van het belemmeringsverbod vallen. Volgens de rechtbank Noord-Nederland hangt het van de rechtsverhouding arbeidskracht-uitlener af of de Waadi van toepassing is in het geval van ter beschikking gestelde zzp’ers, waar de rechtbank Rotterdam juist de rechtsverhouding arbeidskracht-inlener in dit kader beslissend lijkt te achten.
: Conclusie
Degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt legt geen belemmeringen in de weg…”), waar in de formulering van art. 6 lid 2 Uitzendrichtlijn Pro niet van de uitlener wordt uitgegaan (“…
bepalingen die het sluiten van een arbeidsovereenkomst of het tot stand komen van een arbeidsverhouding tussen de inlenende onderneming en de uitzendkracht na afloop van zijn uitzendopdracht verbieden of verhinderen,[zijn]
nietig(…)”). Aangezien het begrip ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ in art. 1 lid Pro 1, onder c, Waadi aansluit bij de definities in de Uitzendrichtlijn, heeft dit verschil in formulering geen gevolgen voor de reikwijdte van het belemmeringsverbod in art. 9a Waadi. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Waadi – en tot (her)invoering van het belemmeringsverbod – vermeldt ook dat daarin niet méér wordt geregeld dan wat in de Uitzendrichtlijn wordt voorgeschreven (randnummer 3.29 hiervoor).
Focus on Humanoverwogen dat de wetgever heeft beoogd art. 6 lid 2 Uitzendrichtlijn Pro getrouw om te zetten in nationaal recht, hetgeen meebrengt dat het belemmeringsverbod in art. 9a Waadi op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als art. 6 lid 2 Uitzendrichtlijn Pro. Zo moet art. 9a Waadi aldus worden gelezen dat – hoewel dit niet in de wettekst staat – niet alleen de totstandkoming van een
arbeidsovereenkomstmag worden belemmerd, maar ook de totstandkoming van een
arbeidsverhouding, waarbij het begrip ‘arbeidsverhouding’ moet worden uitgelegd in overeenstemming met de rechtspraak van het HvJ EU over de Uitzendrichtlijn (randnummer 3.57 hiervoor).
100
Ruhrlandklinikoverwogen dat de toepassing van de Uitzendrichtlijn onder meer veronderstelt dat de arbeidskracht een ‘werknemer’ is in de zin van de Uitzendrichtlijn. Art. 3 lid Pro 1, onder a), Uitzendrichtlijn definieert ‘werknemer’ als “
iedere persoon die in de betrokken lidstaat krachtens de nationale arbeidswetgeving bescherming geniet als werknemer.” Aan de hand van deze definitie en vaste rechtspraak van het HvJ EU heeft het HvJ EU vervolgens geoordeeld dat het begrip ‘werknemer’ in de zin van de Uitzendrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het iedere persoon omvat die:
een werknemer met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met een uitzendbureau teneinde ter beschikking te worden gesteld van een inlenende onderneming om daar onder toezicht en leiding van laatstgenoemde onderneming tijdelijk te werken”. De term ‘uitzendkracht’ is dus nauwer dan de term ‘werknemer’, omdat het slechts werknemers omvat die, kort gezegd, een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met een uitzendbureau hebben en die ter beschikking worden gesteld aan een inlener die toezicht en leiding uitoefent over de tijdelijk uit te voeren werkzaamheden.
Ruhrlandklinikgegeven uitleg van het begrip ‘werknemer’, in samenhang gelezen met de in art. 3 lid Pro 1, onder c), Uitzendrichtlijn gegeven definitie van het begrip ‘uitzendkracht’, brengt mij tot de volgende slotsom. Een uitzendkracht in de zin van de Uitzendrichtlijn is iedere persoon die:
werknemeris
met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met een uitzendbureau, wat inhoudt dat die persoon:
onder toezicht en leidingvan de inlenende onderneming tijdelijk werk te verrichten.
iedere persoon” (waarmee de definitie van ‘werknemer in art. 3 lid Pro 1, onder a), Uitzendrichtlijn aanvangt) wijzen erop dat geen enkele persoon bij voorbaat van de definitie van ‘werknemer’ is uitgesloten. Omdat de definitie van ‘uitzendkracht’ voortbouwt op de definitie van ‘werknemer’, is ook geen enkele persoon bij voorbaat van de definitie van ‘uitzendkracht’ uitgesloten. Dit betekent dat ook een zzp’er onder de definities van ‘werknemer’ en ‘uitzendkracht’ in de zin van de Uitzendrichtlijn kan vallen. Voorwaarde daarvoor is wel dat de zzp’er aan de in randnummer 3.100 hiervoor genoemde criteria voldoet.
Ruhrlandklinikheeft het HvJ EU immers overwogen dat een dergelijke uitsluiting de lidstaten of de uitzendbureaus zou toestaan om naar eigen goeddunken bepaalde categorieën uit te sluiten van de door de Uitzendrichtlijn beoogde bescherming door (niet) voor een bepaald statuut te kiezen. Dit zou de verwezenlijking van de doelstellingen van de Uitzendrichtlijn in gevaar kunnen brengen en afbreuk kunnen doen aan het nuttig effect van de Uitzendrichtlijn (randnummer 3.47 hiervoor).
101Zoals A-G De Bock het formuleerde in haar conclusie voor het arrest
Focus on Human:
102
afhankelijke zzp’er’, die economisch afhankelijk is van één opdrachtgever en die materieel niet van een werknemer is te onderscheiden, zou meer arbeidsrechtelijke bescherming op zijn plaats zijn. (…).”
Ruhrlandklinikgeoordeeld.
103Het is daarom eveneens aan de nationale rechter om na te gaan of een bepaald persoon als ‘uitzendkracht’ in de zin van de Uitzendrichtlijn is aan te merken. Dit betekent dat de Nederlandse rechter in een voorkomend geval – indien de vraag opkomt of een bepaald beding nietig is op grond van het belemmeringsverbod van art. 9a Waadi – aan de hand van de in randnummer 3.100 hiervoor genoemde criteria moet onderzoeken of de ter beschikking gestelde arbeidskracht kwalificeert als ‘uitzendkracht’ in de zin van art. 3 lid Pro 1, onder c), Uitzendrichtlijn.
4.Beoordeling van het cassatiemiddel
onderdeel Ibetoogt [eiseres] – onder verwijzing naar het
Ruhrlandklinik-arrest van het HvJ EU – dat de in randnummer 4.2, onder (i) en (ii), hiervoor weergegeven overwegingen van het hof onjuist, dan wel onbegrijpelijk zijn. Volgens [eiseres] is voor de toepassing van art. 9a Waadi vereist dat er een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding met de uitlener ( [eiseres] ) bestaat, waarbij de werknemer of werker ( [verweerster] ) in het land waarin de arbeid wordt verricht naar nationale arbeidswetgeving kan rekenen op arbeidsrechtelijke bescherming. In het geval van [verweerster] was daarvan geen sprake, omdat [verweerster] een zelfstandige (zzp’er) was die niet in een arbeidsverhouding tot [eiseres] stond.
onderdeel IIstelt [eiseres] dat het
Focus on Human-arrest van Uw Raad er niet toe kan leiden dat art. 9a Waadi wél van toepassing is en dat ook om die reden de in randnummer 4.2, onder
Focus on Humanten eerste om een werknemer die op basis van een arbeidsovereenkomst bij het uitzendbureau werkzaam was, terwijl [verweerster] niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij [eiseres] werkte. Ten tweede ging het in
Focus on Humanom een ander te toetsen moment, omdat in die zaak de arbeidsrelatie na afloop van de uitzending bij de inlener moest worden gekwalificeerd. In deze zaak gaat het juist om de arbeidsrelatie met de uitlener ( [eiseres] ). Ten derde heeft Uw Raad in
Focus on Humangeoordeeld dat na verwijzing moet worden vastgesteld of sprake is van een arbeidsverhouding in de zin van het
Ruhrlandklinik-arrest van het HvJ EU. Uw Raad heeft dus niet bepaald dat in het geval van zzp’ers (altijd) sprake is van een arbeidsverhouding in de zin van het
Ruhrlandklinik-arrest.
onderdeel IIIbetoogt [eiseres] dat, gelet op hetgeen zij in de onderdelen I en II heeft aangevoerd, het hof niet in het midden had mogen laten in welke hoedanigheid [verweerster] door [eiseres] aan de ODRA ter beschikking is gesteld. Omdat het hof niet heeft onderzocht of [verweerster] in haar verhouding tot [eiseres] een ‘werknemer’ in de zin van de Uitzendrichtlijn is, zijn de in randnummer 4.2, onder (iv) en (v), hiervoor weergegeven oordelen van het hof onjuist, dan wel onbegrijpelijk. [eiseres] klaagt daarnaast dat, ook indien en voor zover het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een arbeidsverhouding in de zin van het
Ruhrlandklinik-arrest tussen [eiseres] en [verweerster] , het hof onjuiste dan wel onbegrijpelijke oordelen heeft gegeven, omdat in dat geval het hof heeft miskend dat zzp’ers op grond van de Nederlandse arbeidswetgeving geen arbeidsrechtelijke bescherming genieten.
wanneer een uitzendbureau een zelfstandige (zzp’er) ter beschikking stelt aan een inlenende onderneming om daar onder leiding en toezicht van de inlener te werken” (randnummer 4.2, onder (ii), hiervoor). Daarvoor is immers tevens nodig dat de zelfstandige een ‘werknemer’ is met een ‘arbeidsverhouding’ met het uitzendbureau in de zin die het HvJ EU daaraan heeft gegeven. Om dezelfde reden is het ook onjuist dat het hof in rov. 5.3. heeft geoordeeld dat het belemmeringsverbod van art. 9a Waadi “
onverminderd van toepassing is” op het onderhavige geval, waarin sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen [verweerster] en [eiseres] (randnummer 4.2, onder (iii), hiervoor). Het is eveneens onjuist dat het hof in rov. 5.3. heeft geoordeeld dat het “
niet van belang” is in welke hoedanigheid [verweerster] door [eiseres] aan de ODRA ter beschikking is gesteld (randnummer 4.2, onder (iv), hiervoor). De juridische kwalificatie naar nationaal recht van de verhouding die de arbeidskracht ( [verweerster] ) met het uitzendbureau ( [eiseres] ) verbindt, de aard van die rechtsbetrekking en de vorm van deze verhouding zijn weliswaar niet
doorslaggevend, maar niet kan worden gezegd dat deze kwalificaties in het geheel niet van belang zijn (randnummers 3.43, 3.71 en 3.107 hiervoor).