2.4.Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 december 2018 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld. De verdachte deelt voorts mede:
Ik ben onschuldig. Het vastgoed was op naam van mijn vader gezet en dat geld is hierheen gekomen.
[…]
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
U houdt mij voor dat de rechtbank uit de zich in het dossier bevindende tapgesprekken over de periode van de eerste 3 à 4 maanden van 2011 met onder meer [medeverdachte] afleidt dat ik mij bezig hield met het wisselen en overdragen van geld. Ik herinner het mij niet, het is 7 jaar terug. U vraagt mij of ik mij bezig hield met het overdragen van geld in die periode. Ik hield mij alleen bezig met kleding. U houdt mij voor dat de rechtbank heeft overwogen dat de tapgesprekken waaraan ik deel deelnam heel cryptisch waren met versluierd taalgebruik. Het ging over grote maten, broeken en het leek niet logisch met de rest van het gesprek. Er werden ook bedragen en cijfers genoemd. Volgens de rechtbank gaan de gesprekken over geld en niet over kleding. Het is 7 jaar terug, ik herinner mij het niet meer.
[…]
De verdachte legt vervolgens op nadere vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
U vraagt of het klopt dat ik in het World Fashion Center werkte. Ja, ik handelde daar in dameskleding; broeken, pantalons, jasjes, dat soort dingen. U vraagt mij of ik daar vaak was en of loods [001] mijn werkruimte was. Dat klopt. Ik hield mij niet bezig met het wisselen van geld in die periode. U houdt mij voor dat er een groot geldbedrag in de loods is gevonden van ruim 1.5 miljoen euro. Ik ben bij de politie geweest en heb verteld dat ik een groot geldbedrag heb gekregen. U vraagt mij waarom ik, toen het geld in beslag werd genomen, bij de politie heb verklaard dat ik er niets van wist en er niets mee te maken had.
De raadsman merkt op dat indien dit gaat over het tapgesprek van 14 april 2011 zijn advies aan zijn cliënt is om daar geen commentaar op te geven.
De verdachte legt vervolgens op nadere vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
U vraagt mij hoe ik aan voornoemd geldbedrag ben gekomen. Zoals ik aan mijn raadsman heb verteld had mijn vader vastgoed; het land is verkocht en hij heeft het aan mij gegeven. De persoon die het heeft gekocht heb ik gezegd dat ik het geld hier moet hebben. U houdt mij voor dat u had begrepen dat het om een geërfd stuk land ging. Mijn vader heeft het aan mij gegeven toen hij nog leefde. U houdt mij voor dat ik in oktober 2011 bij de politie heb verklaard dat het stuk land geërfd is. In 2011 is het land verkocht. U vraagt mij of het land geërfd is of niet. U houdt mij voor dat het dossier stukken bevat aangaande het overlijden van mijn vader en vraagt mij of ik het land daarvoor of daarna heb gekregen. Dat was voor het overlijden. U houdt mij voor dat het erop lijkt dat ik bij de politie heb verklaard dat ik het na zijn dood heb gekregen. Nee dat klopt niet. U vraagt mij of bij het politieverhoor ook een tolk aanwezig was. Ik denk van wel. U houdt mij voor dat uit het dossier blijkt dat bij het politieverhoor van 26 oktober 2011 inderdaad een tolk Punjabi aanwezig was.
De raadsman merkt op dat er een verschil zit tussen tolken in de taal Punjabi omdat er geen academische grondslag is. De raadsman deelt voorts mede dat hij de tolk die vandaag ter zitting aanwezig is kent als een kwalitatief erg goede tolk maar dat de vertaling alsnog lastig blijkt.
De verdachte legt vervolgens op nadere vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
U houdt mij voor dat het in mijn politieverhoor van 18 januari 2012 onder meer gaat over de taps en over de death transcript van mijn vader en een taxatierapport, die ik destijds heb overhandigd. Mijn vader zou bij testament grond op mijn naam hebben gezet en ik mocht ermee doen wat ik wilde. U houdt mij voor dat ik ook heb verklaard dat mijn vader in die tijd al ziek was.
De raadsman verwijst in dit kader naar de "Final Will" op pagina 249 en 250 van het zaaksdossier ZD01.
U vraagt mij waarom ik het stuk land toen heb verkocht. De planning was om hier een hotel te kopen. Een vriend had al die stukken. Dat was [betrokkene 1] . U zegt mij dat u zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft gezien en vraagt mij hoe het geld bij mij terecht kwam. [betrokkene 2] heeft de grond daar gekocht en hij moest het geld hierheen brengen. Hij heeft geregeld dat het geld bij mij is gekomen, ik weet niet precies hoe. U vraagt mij hoe lang ik het geld al in mijn bezit had ten tijde van de beslaglegging. Dat was niet lang. U vraagt mij hoe het geld in mijn handen is gekomen in Nederland. Hij heeft het gestuurd, hoe weet ik niet. U vraagt mij of ik het geldbedrag dan opeens zag liggen en houdt mij voor dat het geen klein bedrag betreft. Hij heeft het geregeld, ik weet het niet.
Iemand heeft het gebracht. Ik had een code die ik hem heb gegeven en toen hebben zij mij het geld gegeven. U vraagt mij of dat een vorm van hawala bankieren is. Ik vermoed van wel. U houdt mij voor dat het meestal gaat om geld dat naar Pakistan of India gaat maar dat het deze keer dus andersom ging. Dat klopt.
U houdt mij voor dat ik het geld in contanten heb ontvangen en vraagt mij hoe ik daarvan een hotel wilde kopen. Mijn vriend zou dat allemaal regelen. U houdt mij voor dat een dergelijk contant bedrag in Nederland meestal niet wordt geaccepteerd.
Mijn raadsman vraagt mij of dit bij de ABN AMRO Bank zou gebeuren. Ik weet het niet, mijn vriend zou het regelen.
De verdachte legt vervolgens op nadere vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
U vraagt mij of ik een bankrekening had in Nederland. Ja, bij de ABN AMRO bank. U houdt mij voor dat u daarvan geen stukken in het dossier heeft gezien.
U houdt mij voor dat [betrokkene 1] mijn verhaal bevestigt. Hij heeft verklaard naar verschillende hotels te zijn geweest om te kijken of we iets konden kopen, voor een bedrag van 4 tot 8 miljoen. Het voornoemde aangetroffen en in beslaggenomen bedrag bedroeg echter ongeveer 1.5 miljoen, U vraat mij hoe ik dan de rest zou betalen? Het financieren via de bank zou hij regelen. U vraagt mij of hij zo'n goede vriend was dat ik zoveel vertrouwen in hem had. Hij was geen vriend maar een boekhouder. Hij is mijn adviseur en ik betaal hem ook.
U vraagt mij waarom ik het ontvangen contante bedrag niet gelijk zelf op mijn eigen bankrekening heb gestort. Ik wist niet of dat mogelijk was voor een dergelijk geldbedrag.
De oudste raadsheer vraagt mij of ik wist of ik het bedrag zou kunnen storten.
Ja, dat wel. De oudste raadsheer vraagt mij of ik ook [betrokkene 1] heb gevraagd wat ik het beste kon doen. Nee, dat heb ik niet gedaan. De oudste raadsheer vraagt mij of voor het verkrijgen van een hypotheek een bankrekening met geld niet handig is. Ik heb dat niet gevraagd. De oudste raadsheer vraagt mij wat op 9 april 2011 mijn grote angst was toen de politie in de loods kwam.
De raadsman merkt op dat zijn advies aan zijn cliënt luidt om vragen over het contact met de politie die dag niet te beantwoorden.
De oudste raadsheer merkt op dat zij de verdachte wil vragen naar het tapgesprek later die dag, in de loop van de middag. Daartoe in de gelegenheid gesteld deelt de verdachte mede:
Ik herinner mij dat niet meer want het is 7 jaar terug. De oudste raadsheer houdt mij voor dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik geen sleutel had en ik in het tapgesprek heb gezegd dat het foute boel is, wat daar is gebeurd en vraagt mij waarom ik dat vond. Ik heb niets te verklaren daarover. De oudste raadsheer vraagt mij waarom ik het taxatierapport heb laten opmaken. Dat rapport was voor jullie, om aan te tonen hoeveel de grond waard is en dat ik geen leugens vertel. De oudste raadsheer vraagt mij of dat dus was bedoeld voor deze procedure en niet voor de verkoop van de grond. Het was ook voor mijzelf bedoeld, ik wilde weten hoeveel het werkelijk waard is. Waarom weet ik verder ook niet, het is 7 jaar terug. De voorzitter vraagt mij of ik het dus wel mede heb laten taxeren om te laten zien dat de grond zoveel waard is als het geldbedrag dat ik in Nederland had. Nee, dat is niet waar. De oudste raadsheer houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat ik het ook voor deze procedure heb gedaan. Ik weet het niet meer, ik heb het in ieder geval ook laten taxeren omdat ik het zelf wilde weten.
[…]
De advocaat-generaal houdt mij voor dat uit de verklaring die [betrokkene 2] in India heeft afgelegd volgt dat de koper van het stuk grond verklaart maar een deel van de totale koopsom te hebben betaald aan de verkoper. Het gaat om 100 miljoen roepie, dat is € 1.213.678,- . Dit is betaald aan [verdachte] en de rest nog niet. Dat betekent dat het bedrag dat is gevonden in de loods in Amsterdam niet wordt gedekt door het bedrag dat aan [verdachte] is uitbetaald. De advocaat-generaal vraagt mij of ik de rest van het bedrag in de loods kan verklaren.
Het was niet het volledige bedrag dat hij heeft betaald. De rest zou nog komen maar alles is stopgezet.
De advocaat-generaal deelt voorts mede dat het bedrag dat is aangetroffen in de loods € 1.534.720,- bedraagt en deze 1.5 miljoen euro dus niet geheel afkomstig is van de verkoop van grond.
De voorzitter merkt op dat een en ander afhankelijk is van de gehanteerde wisselkoers. Doordat de roepie in 2011 iets meer waard was dan nu zou het bedrag omgerekend naar de euro tussen de 1.4 en 1.5 miljoen moeten liggen.
De advocaat-generaal deelt mede dat ook in dat geval een gedeelte niet wordt gedekt door de deelbetaling van verkoop van grond in India en vraagt de verdachte of hij een verklaring heeft voor dit verschil.
Daartoe in de gelegenheid gesteld deelt de verdachte mede:
Ik heb alle relevante documenten overgelegd. Alles staat daarin en meer kan ik niet vertellen. De advocaat-generaal vraagt mij hoeveel vierkante meter de grond ongeveer betrof.
Alles staat in de papieren en dat ook. De advocaat-generaal vraagt mij of ik het mij zelf nog kan herinneren. Ik weet het niet meer. Het was landbouwgrond.
De raadsman merkt op dat in India wordt gerekend in Marla's.
De voorzitter deelt mede dat uit het taxatierapport blijkt dat het gaat om bijna 30.000 vierkante, meter. De verdachte deelt mede dat dat klopt.
De verdachte legt vervolgens op nadere vragen van zijn raadsman een verklaring af, inhoudende:
Het World Fashion Center heeft een fitness zaal. Ik ging daar elke zaterdag fitnessen. Ook de dag dat de politie binnenviel. Het klopt dat er een overeenkomst was met [betrokkene 2] dat hij 100 miljoen roepies betaalde en hij later nog een bedrag zou betalen. De eigendom van de grond zou overgaan als het hele bedrag binnen zou zijn. De registratie zou dan volgen. Het klopt dat ik dus eigenlijk nog eigenaar ben van de grond. Het klopt dat mijn broer in Amerika zegt dat dat land eigenlijk veel meer waard dan dit bedrag van 100 miljoen Roepies, bijna het drievoudige.
Het klopt dat toen ik het land aan [betrokkene 2] verkocht, het al meer waard was, de waarde was toen al verdubbeld. Zij hebben geen bezwaar gemaakt dat ik het land zou krijgen. Mijn ene broer is priester en wil het landgoed niet hebben en, de ander die woont in New York. De FBI weet dat hij een miljoen dollar op zijn rekening heeft staan.
De raadsman merkt op dat zijn cliënt waarschijnlijk refereert aan het verhoor met zijn broer waarin die zegt het geld niet nodig te hebben. Verder is zijn zus gehoord in India.
Desgevraagd door de voorzitter deelt de verdachte mede dat zijn zus het land ook niet wilde hebben en dat zij is uitgehuwelijkt en in de Verenigde Staten woont.
De raadsman deelt mede dat hij zojuist van de ter terechtzitting aanwezige dochter van de verdachte heeft begrepen dat de zus van de verdachte anderhalf jaar geleden is verhuisd naar de Verenigde Staten en dat zij daarvoor in India is gehoord.
[…]
In aanvulling op zijn pleitnota deelt de raadsman het volgende mede:
[…]
2. De taxatie van de grond van 18 mei 2011 is om aan te tonen dat het een juist verhaal is. In India is onroerend goed booming business. Bij het rechtshulpverzoek is door het Openbaar Ministerie geen aanvullend verzoek gedaan en er zijn geen nadere vragen gesteld terwijl de uitkomsten er al lagen. Het originele document van de aankoop is beschikbaar gesteld;
3. Wat gebeurd is, is dat [verdachte] een koper vindt terwijl hij niet beschikkingsbevoegd is maar wel documenten kan later zien die hem later beschikkingsbevoegd maken. De levering kan pas geschieden na de tweede betaling en inschrijving in register. Dit was voor [verdachte] een manier om geld te generen terwijl hij de grond nog niet onder zich had;
4. Als ik bij het verhoor had gezeten had ik gevraagd naar de bestemmingsplannen”