ECLI:NL:PHR:2021:1026

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2021
Publicatiedatum
1 november 2021
Zaaknummer
19/00590
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27a SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 ROArt. 420bis Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor gewoontewitwassen ondanks betwisting herkomst geldbedrag

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag dat verdachte veroordeelde tot negen maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, wegens gewoontewitwassen van een bedrag van €1.534.720,-.

Het hof baseerde zijn oordeel op afgeluisterde telefoongesprekken, observaties, en het aantreffen van grote coupures geld in een loods in het World Fashion Center te Amsterdam. De verdachte en zijn medeverdachte wisselden regelmatig grote contante bedragen, waarvan het hof aannam dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf. De medeverdachte stelde dat het geld afkomstig was uit de verkoop van een stuk grond in India, maar het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig vanwege inconsistenties, late verklaringen en onduidelijke onderbouwing.

De verdediging voerde aan dat het hof een onjuiste uitleg gaf aan het bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" en dat het bewijs ontoereikend was. De Hoge Raad bevestigde echter het beoordelingskader dat het niet noodzakelijk is om een rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf aan te tonen, maar dat het voldoende is dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Daarnaast werd een schending van het redelijke termijnbeginsel vastgesteld vanwege overschrijding van de inzendtermijn van stukken naar de Hoge Raad, wat leidt tot strafvermindering. Het cassatieberoep werd echter afgewezen voor het overige, en het arrest van het hof werd bevestigd met een vermindering van de strafduur.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor gewoontewitwassen en vermindert ambtshalve de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/00590
Zitting2 november 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 29 januari 2019 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 augustus 2014 met verbetering en aanvulling van gronden bevestigd. Het hof heeft de verdachte voor het medeplegen van gewoontewitwassen een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden opgelegd, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Verder heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van in beslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld in het bestreden arrest.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaak 19/00589. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1.
In het middel wordt geklaagd dat het hof het ten laste gelegde (gewoontewitwassen) heeft bewezen verklaard en daarbij heeft geoordeeld dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag € 1.534.720,- “afkomstig uit enig misdrijf” is, terwijl het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” en uit de bewijsvoering en ook overigens evenmin (genoegzaam) blijkt dat de geldbedragen “afkomstig zijn uit enig misdrijf’, althans dat het verweer dat namens de verdachte hieromtrent is gevoerd, ontoereikend gemotiveerd is verworpen. Aldus is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 16 januari 2011 tot en met 9 april 2011, te Amsterdam en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met (een) ander(en), van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen (een) (grote) geldbedrag(en), overgedragen en ontvangen
- door aan en/of van een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een of meer gro(o)t(e) (contante) geldbedrag(en) over te dragen en/of te ontvangen
- en in een loods in het World Fashion Center te Amsterdam, op of omstreeks 9 april 2011 een geldbedrag van EUR 1.534.720,- voorhanden te hebben terwijl hij verdachte en zijn mededader(s) ten aanzien van die/dat (grote) geldbedrag(en) wist(en) dat die onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf”
2.3.
Deze bewezenverklaring berust op de in het bevestigde vonnis opgenomen bewijsmiddelen, met uitzondering van de op pagina 3 van het bestreden arrest door het hof bedoelde bewijsmiddelen en met aanvulling van het bewijsmiddel en de eigen waarneming van het hof als bedoeld op pagina 8 en 9 van het bestreden arrest. Ik verwijs naar de inhoud van die bewijsmiddelen.
2.4.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 december 2018 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“In aanvulling op zijn pleitnota deelt de raadsman het volgende mede:
[…]
2. De taxatie van de grond van 18 mei 2011 is om aan te tonen dat het een juist verhaal is. In India is onroerend goed booming business. Bij het rechtshulpverzoek is door het Openbaar Ministerie geen aanvullend verzoek gedaan en er zijn geen nadere vragen gesteld terwijl de uitkomsten er al lagen. Het originele document van de aankoop is beschikbaar gesteld;
3. Wat gebeurd is, is dat [medeverdachte] een koper vindt terwijl hij niet beschikkingsbevoegd is maar wel documenten kan later zien die hem later beschikkingsbevoegd maken. De levering kan pas geschieden na de tweede betaling en inschrijving in register. Dit was voor [medeverdachte] een manier om geld te generen terwijl hij de grond nog niet onder zich had;
4. Als ik bij het verhoor had gezeten had ik gevraagd naar de bestemmingsplannen”
2.5.
In het bestreden arrest neemt het hof uit de bewijsoverwegingen van de rechtbank alleen over hetgeen de rechtbank onder de kopjes “De samenwerking en rolverdeling tussen de verdachte en de medeverdachte” én “De periode van witwassen en de gewoonte” heeft overwogen. Daarnaast neemt het hof in zijn eigen arrest onder het kopje “Nadere bewijsoverwegingen” zowel een aantal algemene bewijsoverwegingen op als een aantal bewijsoverwegingen die specifiek gaan over de bewezenverklaarde herkomst – het van misdrijf afkomstig zijn – van het witgewassen geld. Die bewijsoverwegingen luiden als volgt (de tussen haken geplaatste nummering A tot en met H is van mij, plv-AG):
“De raadsman van de verdachte heeft in zijn pleidooi verwezen naar hetgeen hij in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] heeft opgemerkt en aangevoerd dat, nu niet kan worden aangenomen dat de geldbedragen waar de tenlastelegging op doelt van misdrijf afkomstig zijn, de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Algemeen
(A)
In het dossier bevinden zich veel afgeluisterde telefoongesprekken, waaronder gesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte. Met de rechtbank constateert het hof dat deze gesprekken een versluierd, voor buitenstaanders dikwijls cryptisch karakter hebben, waarin herhaalde patronen optreden en getallen een prominente rol spelen. In deze gesprekken wordt (onder meer) gesproken over het geven van 'samaan', over getallen, over het hebben van kaarten, dozen of boxen en over wisselkoersen in relatie tot 'samaan'. Ook wordt gebruik gemaakt van het woord 'token', een vooraf afgesproken code op basis waarvan op de ene plaats een geldbedrag wordt afgegeven, waarna op een andere plaats geld wordt uitbetaald.
Dat het in deze telefoongesprekken over kleding gaat acht het hof met de rechtbank ongeloofwaardig. Daar komt bij dat uit de afgeluisterde telefoongesprekken volgt, dat de verdachte en zijn medeverdachte meermalen met personen afspreken om bijvoorbeeld 'grote maten' op te komen halen. De verdachte en zijn medeverdachte zijn in dat verband op 17 en 19 januari 2011 geobserveerd. Uit de telefoongesprekken die rondom en op die specifieke data hebben plaatsgevonden, waarin onder andere de woorden 'samaan' en 'kaarten' vallen en getallen worden genoemd, en de observaties op die data kan worden afgeleid dat toen geen kleding, maar geldbedragen zijn overgedragen en/of zijn gewisseld. Het hof wijst in dat verband op het bedrag van € 1.534.720,- dat in contanten – voornamelijk in grote coupures – in loods 10 van het World Fashion Center (WFC) is aangetroffen. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken en de observaties is het hof gebleken, dat de verdachte en zijn medeverdachte zich regelmatig in de omgeving en in het WFC ophielden. De medeverdachte huurde de loods alwaar het bedrag is aangetroffen en hij had als enige een sleutel van deze loods.
(B)
Aldus bezien kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het aangetroffen geldbedrag het werkkapitaal voor de geldoverdrachts- en geldwisselpraktijken van de verdachte en zijn medeverdachte vormde.
Van misdrijf afkomstig
(C)
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
(D)
De hierboven genoemde versluierde telefoongesprekken in samenhang met de observaties, de omstandigheid dat het aangetroffen geld voor het overgrote deel bestond uit grote coupures en dat het geld in een kluis in een loods werd bewaard alsmede het ongebruikelijke vervoer van grote geldbedragen en de daaraan verbonden aanzienlijke risico's rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat de gewisselde en vervoerde geldbedragen alsmede het in loods [001] aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig zijn. Een belangrijk verschil met 'traditioneel' hawalabankieren, waarbij het niet hoeft te gaan om geld dat van misdrijf afkomstig is, vormt de omstandigheid dat het in dit geval handelt om grote bedragen in grote coupures. Dat kan duiden op geld dat verdiend is met de handel in verdovende middelen en wijst in elk geval in de richting van crimineel verdiende inkomsten. Daar komt bij dat de verdachte ontvoerd is geweest en dat dit niet bij de politie is gemeld. Ook dat wijst erop dat de activiteiten die de verdachte en zijn medeverdachte ontplooiden een criminele achtergrond hadden.
(E)
De verdachte heeft geen enkele verklaring willen geven omtrent het aangetroffen geld. De medeverdachte, [medeverdachte], heeft aangegeven dat het aangetroffen geld aan hem toebehoort en dat het geld de opbrengst vormt van de verkoop van een stuk grond in India, dat hij van zijn vader had gekregen. Ter onderbouwing van die stelling heeft de medeverdachte stukken overgelegd. Met dat geld wilde hij een hotel in Nederland kopen, aldus de medeverdachte.
(F)
Naar aanleiding van de verklaring van de medeverdachte omtrent het in de loods aangetroffen geld, die niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk kan worden aangemerkt, heeft de politie getuigen gehoord en zijn er rechtshulpverzoeken gedaan aan India en aan de Verenigde Staten. In India hebben getuigen een schriftelijke verklaring opgesteld die door de Indiase autoriteiten in het Engels zijn vertaald. Ook zijn er getuigen bij de raadsheer-commissaris gehoord.
(G)
De vraag doet zich thans voor, of het nadere onderzoek naar de stellingen van de medeverdachte het vermoeden dat het in de loods aangetroffen geld uit misdrijf afkomstig is, heeft ontzenuwd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit niet het geval is. Het hof acht daartoe het volgende van belang.
Tijdens de doorzoeking van de loods op 9 april 2011 is de medeverdachte verschenen. Uit een telefoongesprek dat de medeverdachte op die zelfde datum met een onbekend gebleven persoon heeft gevoerd (zaaksdossier witwassen geld, ZD-01, p. 90) volgt dat hij toen tegen de politie heeft gezegd dat het alarm is afgegaan en dat hij geen sleutel had. Pas ruim zes maanden later heeft de medeverdachte tijdens een verhoor verklaard over de herkomst van het geld, in die zin dat hij het land van zijn vader had geërfd en heeft verkocht en heeft hij een agreement to sell overgelegd. Tijdens zijn tweede verhoor, op 18 januari 2012, heeft de medeverdachte een taxatierapport, een death transcript van zijn vader en een testament van zijn vader overhandigd. Het hof acht het niet goed verklaarbaar dat de medeverdachte, als het geld inderdaad de opbrengst van dat land is geweest, zo lang heeft gewacht met het op de hoogte stellen van de politie en het overleggen van de bedoelde documenten.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en zijn medeverdachte zich in de periode voorafgaand aan de doorzoeking bezig hielden met het wisselen van geld en het verkrijgen van grote coupures. Het in de loods aangetroffen bedrag bestond voor het overgrote deel uit coupures van € 200,- en € 500,-. Het geld in de kluis was bovendien opgedeeld in verschillende bundels en bij twee van die bundels zat een briefje met een numerieke aanduiding. Ook zijn nog twee losse briefjes met numerieke aanduidingen aangetroffen. Dit wijst erop dat het aangetroffen geldbedrag in kleinere porties opgedeeld moest worden, hetgeen moeilijk te rijmen valt met de stelling van de medeverdachte dat het geld afkomstig is uit één transactie, te weten de verkoop van een stuk grond in India.
De stelling van de medeverdachte dat hij met het geld een hotel in Nederland wilde kopen is onderbouwd met getuigenverklaringen die [betrokkene 1] en [betrokkene 3] bij de politie en de raadsheer-commissaris hebben afgelegd. [betrokkene 1] heeft verklaard ten behoeve van de verdachte drie hotels in Amsterdam te hebben bezocht en afspraken te hebben gemaakt. Welke afspraken deze zijn geweest en met wie hij deze heeft gemaakt blijft onduidelijk, terwijl evenmin duidelijk wordt hoe en door wie de koopprijs van het aan te kopen hotel (volgens de getuige vier tot zes miljoen euro) zou worden gefinancierd. Ook wordt niet duidelijk waarom het geld niet op een bankrekening is gezet. [betrokkene 3] verklaart op dit punt slechts dat de medeverdachte met geld dat hij uit India zou krijgen een hotel zou gaan kopen. De medeverdachte heeft evenmin duidelijkheid verschaft.
Voorts is moeilijk voorstelbaar dat de vader van de medeverdachte kort voor zijn dood een stuk grond met een waarde van in ieder geval ongeveer 1,5 miljoen euro alleen aan de medeverdachte schonk, en dat de twee broers en de zus van de medeverdachte hier allen geen bezwaar tegen hadden zonder dat zij op enige wijze al dan niet gedeeltelijk werden gecompenseerd.
Het hof hecht in dat verband aan de uit India afkomstige schriftelijke verklaringen – voor zover deze al de stelling van de medeverdachte ondersteunen – geen geloof.
De door de medeverdachte overgelegde documenten lijken zijn stelling dat hij een stuk grond in India heeft verkocht te ondersteunen, maar uit deze documenten kan niet worden afgeleid dat het in de loods van het WFC aangetroffen geldbedrag de opbrengst van die verkoop vormde.
(H)
Nu bovengenoemd vermoeden niet is ontzenuwd, komt het hof tot de conclusie dat het (gewoonte) witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat de gewisselde en vervoerde geldbedragen alsmede het in loods 10 aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig zijn.”
2.6.
Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat het witgewassen voorwerp van misdrijf afkomstig is. Niet altijd – ook in de onderhavige zaak niet – kan op grond van de beschikbare bewijsmiddelen een rechtstreeks verband worden gelegd met een bepaald misdrijf. Dat hoeft niet aan een bewezenverklaring van witwassen in de weg te staan. De Hoge Raad heeft de feitenrechter voor die gevallen een beoordelingskader aangereikt. [1] In de onderhavige zaak was het hof hierop aangewezen. Voorop gesteld zij dat uit de nadere bewijsoverwegingen van het hof onder (C) blijkt dat het hof dit beoordelingskader op juiste wijze heeft geschetst. Daar wordt in het middel ook niet tegen opgekomen. Sterker nog in het middel wordt in randnummer 4 dit kader in vier korte, handzame stappen samengevat:
i. Rechtvaardigen de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen? (Plv-AG: het hof bespreekt dat onder (D).)
ii. Zo ja, heeft de verdachte een verklaring over de herkomst van het voorwerp afgelegd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is? (Plv-AG: het hof meldt dat onder (E).)
iii. Zo ja, heeft het openbaar ministerie deze verklaring onderzocht? (Plv-AG: het hof meldt dat onder (F).)
iv. Zo ja, dan zal de rechter, mede op basis van de resultaten van dit onderzoek, moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. (Plv-AG: het hof bespreekt dat onder (G).)
NB: In het beoordelingskader is expliciet vermeld dat het niet aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
2.7.
In het middel wordt vervolgens besproken hoe de in het beoordelingskader gehanteerde zinsnede ‘dat (het niets anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is’, moet worden begrepen. Na een uitstapje naar het bij de bewijsvoering gehanteerde criterium “dat ‘buiten redelijke twijfel’ (
beyond reasonable doubt) moet komen vast te staan dat de verdachte het feit heeft begaan”, de bij voorwaardelijk opzet vereiste ‘aanmerkelijke kans’ en het bij herziening ten voordele geldende ‘ernstig vermoeden’, wordt in het middel het standpunt betrokken dat ‘het niet anders kan zijn dat’ duidt op ‘een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid’. In het andere geval zou – aldus het middel – een formulering als ‘buiten redelijke twijfel staat dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is’ of ‘hoogstwaarschijnlijk is dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is’ zich beter laten denken.
2.8.
Hoe interessant ook, toch heb ik de indruk dat de steller van het middel door te schermen met verschillende ‘kanscriteria’ de kernvraag (onnodig) vertroebelt. In wezen gaat het hier immers om niets anders dan bewijsvoering. [2] Dat betekent in gevallen als deze dat ‘beyond reasonable doubt’ moet vaststaan dat een bepaald voorwerp (hier: cash geld) een criminele herkomst heeft. Ik zie niet in waarom het reguliere bewijscriterium in de context van het witwassen niet zou gelden, dan wel plotsklaps in andere bewoordingen zou moeten worden gegoten. Ik voeg daar volledigheidshalve nog aan toe dat als de criminele herkomst slechts ‘mogelijk’ of ‘aannemelijk’ wordt bevonden, dat onvoldoende is voor een bewezenverklaring. [3]
2.9.
Terug naar het middel. In de daarop gegeven toelichting wordt onder punt 12 consequent voortgeborduurd op het eerder ingenomen standpunt dat ‘het niet anders kan zijn dat’ duidt op ‘een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid’.
Daarvan uitgaandewordt het oordeel van het hof onbegrijpelijk gevonden, althans wordt de verwerping van het verweer dat het aangetroffen geld afkomstig is uit India (zijnde de opbrengst van de verkoop van een stuk grond) , ontoereikend gemotiveerd bevonden. Vervolgens worden de hiervoor als (G) en (H) genummerde onderdelen uit de bewijsoverweging geciteerd. Betoogd wordt dat “(d)e omstandigheden die het hof in de richting van een bewezenverklaring hebben doen bewegen, (…) hoofdzakelijk
circumstantialvan aard (zijn).” Het zou “niet meer dan een vermoeden” zijn dat (i) het moeilijk voorstelbaar is dat de vader van de medeverdachte een stuk grond schenkt aan de ene zoon en dat de andere kinderen daartegen geen bezwaar zouden hebben, (ii) de medeverdachte heeft gewacht met verklaren en (iii) het geld werd ‘opgedeeld’ in kleine porties.
2.10.
Voor zover de steller van het middel wil betogen dat het hof aan zijn oordeel – dat uit de door de medeverdachte overgelegde documenten over de verkoop van een stuk grond niet kan worden afgeleid dat het in de loods van het WFC aangetroffen geld de opbrengst van die verkoop vormde – enkel de drie door hem genoemde en als
circumstantialgekwalificeerde punten ten grondslag heeft gelegd, gaat hij eraan voorbij dat het hof onder (G) en (H) nog veel meer heeft overwogen. Het hof heeft in dit verband immers ook gewezen op het verschil tussen de verklaring van de medeverdachte bij de politie en diens verklaring ter zitting van het hof, op de in de loods van het WFC aangetroffen coupures van € 200,- en € 500,-, op de omstandigheden waaronder dat geld is aangetroffen, op de onduidelijke verklaringen die de medeverdachte heeft afgelegd over de bestemming van het geld (t.w. de aankoop van een hotel in Amsterdam), en op de door het hof als ongeloofwaardige aangemerkte, uit India afkomstige, schriftelijke verklaringen. Gelet op dat alles zie ik niet dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn, ook niet als ik uitga van het in het middel gestelde zeer hoge waarschijnlijkheidsvereiste. Evenmin acht ik de verwerping van het verweer dat het aangetroffen geld afkomstig is uit India, ontoereikend gemotiveerd. Ten overvloede merk ik nog op dat de omstandigheid dat de medeverdachte heeft gewacht met verklaren over de gestelde legale herkomst van het geldbedrag – anders dan de steller van het middel meent – geen ‘vermoeden’ is, maar een omstandigheid die direct is af te leiden uit de processtukken.
2.11.
Vervolgens wordt in het middel (onder punt 15) geklaagd dat het hof, door te oordelen dat uit door de medeverdachte overgelegde stukken over de verkoop van een stuk grond in India niet een verband met het aangetroffen geldbedrag kan worden afgeleid, een te strenge maatstaf aanlegt ten aanzien van wat in dit verband van de verdachte mag worden verlangd. “Voor zover het hof daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken of zelfs te bewijzen waar het geld vandaan komt, getuigt dat oordeel (…) van een onjuiste rechtsopvatting”, aldus de steller van het middel.
2.12.
Naar mijn oordeel faalt ook dit onderdeel van het middel. Ik kan uit de hiervoor geciteerde nadere bewijsoverwegingen van het hof niet afleiden dat het hof van de verdachte zou verlangen dat hij de niet criminele herkomst van het geld aannemelijk zou moeten maken of (nog erger) bewijzen. Het hof heeft in die bewijsoverwegingen (enkel) tal van feiten en omstandigheden benoemd op grond waarvan het de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld onaannemelijk heeft geacht. Strikt genomen gaat het daarbij niet alleen om de onder (G) genoemde feiten en omstandigheden, maar ook om de onder (A), (B) en (D) genoemde (algemene) overwegingen. Het middel berust derhalve op een foutieve lezing van het arrest en het mist in zoverre feitelijke grondslag.
2.13.
Ten slotte wordt onder punt 16 van de toelichting op het middel als onbegrijpelijk, althans ontoereikende gemotiveerd gepresenteerd dat niet valt in te zien hoe het hof enerzijds kan overwegen “dat uit de (overgelegde) documenten niet kan worden afgeleid dat deze verband houden met het aangetroffen geldbedrag, terwijl het anderzijds niet meer overweegt dan dat de medeverdachte een tijd heeft gewacht met verklaren, het geld werd opgedeeld in kleine porties en het moeilijk voorstelbaar is dat de vader van de verdachte (plv-AG: bedoeld zal zijn medeverdachte) de grond aan het ene kind zou geven zonder dat dit bij de andere kinderen de wenkbrauwen zou doen fronsen. Dat het ene scenario het ander uitsluit, is door het hof onvoldoende gemotiveerd.”
2.14.
Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, ligt in het oordeel van het hof niet besloten “dat het ene scenario het andere uitsluit”. In het bestreden arrest ligt wel als oordeel van het hof besloten dat de enkele omstandigheid dat aannemelijk lijkt te zijn dat de verdachte een stuk grond in India heeft verkocht, nog niet het vermoeden dat het in de loods aangetroffen geldbedrag uit misdrijf afkomstig is, kan ontzenuwen. In verband met dat laatste heeft het hof, zoals hiervoor onder randnr. 2.12 vermeld, meer overwogen dan door de steller van het middel wordt gesuggereerd.
2.15.
Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat het (gewoonte)witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat de gewisselde en vervoerde geldbedragen alsmede het in de loods van het WFC aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig zijn, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
2.16.
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1.
In het middel wordt geklaagd over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase doordat het hof de gedingstukken niet binnen zes maanden aan de Hoge Raad heeft ingezonden.
3.2.
Namens de verdachte is op 5 februari 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 6 november 2019 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de maximale inzendtermijn van acht maanden met ruim een maand is overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan vierentwintig maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Ook in dat opzicht is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Het voorgaande dient te leiden tot strafvermindering zoals de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
3.3.
Het middel is terecht voorgesteld.

4.Slotsom

4.1.
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
4.2.
Ambtshalve heb ik geen andere grond dan de hiervoor onder 3.2 vermelde aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
4.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352,
2.Zie de conclusie van N. Jörg (randnrs 4 en 7) voor HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787,
3.In zijn conclusie voor HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2758,