Conclusie
(hierna: de man)
verzoeker tot cassatie
advocaat: mr. H.J.W. Alt
(hierna: de vrouw)
verweerster in cassatie
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum
1.Feiten en procesverloop
nog daargelaten”) of het (wél) aannemen van misbruik van recht zou leiden tot een ander antwoord op de vraag of de man moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro (rov. 5.7-5.8).
2.Juridisch kader
family lifeen zijn
private lifeals bedoeld in art. 8 EVRM Pro.
degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft”.
N.P./Moldavië(§ 69) [18] – het volgende: [19]
NJ-noot onder één van de uitspraken van 30 maart 2018 dat uit de overwegingen van de Hoge Raad niet erg duidelijk blijkt wat nu precies de verhouding is tussen het recht op
family lifezoals bedoeld in art. 8 EVRM Pro, en het belanghebbende-begrip van art. 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv. [21] Ook De Bie schrijft dat de Hoge Raad de positie van de niet-gezaghebbende ouder nog steeds niet heeft opgehelderd. [22] Volgens Wortmann moet de door haar geannoteerde uitspraak als volgt worden begrepen: [23]
family lifeen de
mogelijkheidvan een inmenging op dat
family lifevormen een eerste toegangsdrempel. Maar als die drempel is gepasseerd, betekent dat niet automatisch of noodzakelijk dat diegene als belanghebbende in de zin van art. 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv moet worden aangemerkt in de procedure waarin een besluit of maatregel over een minderjarige aan de orde is. Daarvoor is ook nog steeds vereist dat betrokkene door het besluit of de maatregel
rechtstreeksin zijn belangen kan worden geraakt. Of daarvan sprake is, moet van geval tot geval worden beoordeeld, afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en van de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen.
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro [25] vergt een feitelijke beoordeling en is afhankelijk van het bestaan van nauwe persoonlijke betrekkingen. Het EHRM heeft dit als volgt verwoord: [26]
family lifeniet van doorslaggevend belang is of een ouder al dan niet het gezag heeft over een kind of anderszins als ‘juridische ouder’ moet worden aangemerkt. In de woorden van Bruning: “
Het EHRM gaat heel anders te werk dan de Hoge Raad. De feiten die het EHRM in deze zaak aanstipt als relevant voor het aannemen van familie- en gezinsleven zijn feiten. Het EHRM kijkt niet naar juridische concepten als ‘belanghebbende’, ‘juridisch ouder’ of ‘gezag’, maar naar de vraag of feitelijk invulling wordt gegeven aan family life met het kind.” [27]
family lifeheeft aangemerkt, kunnen ruwweg in drie categorieën worden onderverdeeld: (1) partnerrelaties, (2) relaties tussen volwassenen en kinderen en (3) bredere familie- en andere relaties. [28] Wat betreft de relaties tussen volwassenen en kinderen, zoals in deze zaak aan de orde, geldt het volgende. [29]
Berrehab/Nederlandheeft het EHRM hierover als volgt overwogen: [30]
family lifeaangenomen. [31] Verder wordt uit het
Marckx-arrest afgeleid dat tussen een (alleenstaande) vrouw en haar kind, vanaf het moment van de geboorte en reeds door dat enkele feit, een familie- en gezinsleven bestaat. [32]
family lifeaan te nemen. [33] Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist waaruit de nauwe persoonlijke betrekking met het kind blijkt. Tot de relevante omstandigheden behoort onder meer de aard van de relatie die de vader vóór de geboorte van het kind met de vrouw heeft gehad. Indien deze relatie voldoende bestendig was – en in zoverre met een huwelijk valt gelijk te stellen – zal een gezins- en familieleven aangenomen kunnen worden. [34]
family lifekan ook voortvloeien uit de band die de biologische vader ná de geboorte van het kind met dat kind heeft opgebouwd, bijvoorbeeld door met het kind samen te leven en door het feitelijk op te voeden en te verzorgen. [35] Ook een combinatie van omstandigheden van vóór en na de geboorte van het kind, in onderlinge samenhang en verband bezien, kan ertoe leiden dat tussen de biologische vader en het kind een familie- en gezinsleven aanwezig wordt geacht. [36]
Ahrens/Duitslandoordeelde het EHRM dat geen sprake was van ‘
family life’ tussen de biologische vader en zijn kind. [37] Daarvoor achtte het EHRM redengevend dat de biologische vader én nooit had samengeleefd met de vrouw maar slechts een seksuele relatie met haar had gehad, terwijl zij met een andere man samenwoonde, én zich nooit betrokken had getoond bij het kind voor het werd geboren. Anderzijds blijkt uit de zaak
Anayo/Duitslanddat het hebben samengeleefd door de vader met vrouw of kind niet onder alle omstandigheden beslissend is voor het hebben van
family life. [38] In deze zaak had de biologische vader al voor de geboorte van de kinderen aan de vrouw (vergeefs) om contact gevraagd en kort na hun geboorte via de rechter (zonder succes) om omgang verzocht. De omstandigheid dat de biologische vader zijn kinderen nog nooit had ontmoet, kon hem in dit geval dan ook niet worden tegengeworpen. Hieruit blijkt dat in uitzonderlijke omstandigheden ook
de intentievan de biologische vader om een gezins- en familieleven met zijn kinderen te hebben onder het beschermingsbereik van art. 8 EVRM Pro valt. Dit zal met name het geval zijn wanneer de vader niet verweten kan worden dat eerder nog geen
family lifemet zijn kinderen tot stand is gekomen. [39]
Anayo/Duitslanderop wijst dat ook als geen sprake zou zijn van
family lifetussen vader en kind, de vader zich in het algemeen toch op de bescherming van art. 8 EVRM Pro kan beroepen omdat de familiebanden met zijn kind in ieder geval het
private lifevan de vader raken, dat eveneens valt onder de reikwijdte van art. 8 EVRM Pro. Overwogen wordt het volgende (§ 58): [40]
Znamenskaya, cited above, § 27 with further references). The Court thus found in the context of proceedings concerning the establishment or contestation of paternity that the determination of a man’s legal relations with his legal or putative child might concern his “family” life but that the question could be left open because the matter undoubtedly concerned that man’s private life under Article 8, which encompasses important aspects of one’s personal identity (see
Rasmussen v. Denmark, 28 November 1984, § 33, Series A no. 87;
Nylund, cited above;
Yildirim v. Austria(dec.), no. 34308/96, 19 October 1999, and
Backlund v. Finland, no. 36498/05, § 37, 6 July 2010).”
family lifedan ook in dezelfde positie als biologische ouders. [43] Ook pleeg-, stief- of opvangouders kunnen een gezins- en familieleven hebben met het kind waarover zij zich ontfermen. Of hiervan sprake is zal afhangen van de feitelijke situatie, waarbij de duur van de opvoeding en verzorging, de kwaliteit van hun relatie met het kind en de rol die zij ten opzichte van het kind vervullen van belang zijn. [44] Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van een
family lifetussen een kind en zijn grootouders. [45] Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM kan
family lifetussen ouders en meerderjarige kinderen slechts worden aangenomen indien sprake is van, “
additional factors of dependence, other than normal emotional ties”. [46]
family lifete verbreken. [49]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
family lifeheeft met [het kind] en dat sprake is van inmenging daarin (en dat de vrouw misbruik van recht heeft gemaakt): [50]
intended’vader. Hij is gedurende de gehele zwangerschap betrokken geweest bij [het kind] en de vrouw, partijen hadden de intentie hun leven samen in gezinsverband op te bouwen en de man heeft enkele maanden in gezinsverband met [het kind] samengewoond.
Beste [de man] , [de vrouw] heeft indringende gesprekken gevoerd onder andere met haar predikant. Op basis daarvan is zij tot de overtuiging gekomen dat omgang tussen jou en [het kind] (zonder schuldbelijdenis door jou) moet worden gezien als voortzetting van de overspelige relatie. Daarom acht zij omgang tussen jou en [het kind] vooralsnog niet wenselijk.”
eersteplaats kunnen de overwegingen zo worden gelezen dat het hof er veronderstellenderwijs vanuit is gegaan dát sprake is van
family lifevan de man met [het kind] , maar dat het van oordeel is dat het verzoek van de vrouw tot voornaamswijziging geen inmenging kan opleveren in dat
family life.
family lifetussen de man en [het kind] . Dat dit recht alleen ziet op de identiteit van [het kind] en niet op die van de vader, zoals het hof aan het slot van rov. 5.6 overweegt, lijkt mij geen steekhoudend argument. Op zichzelf kan worden onderschreven dat wijziging van de voornamen van [het kind] niet de identiteit van de man maar alleen die van [het kind] raakt; de naamswijziging raakt echter wél de
belangenvan de man. Niet alleen omdat hij de namen van [het kind] kennelijk samen met de vrouw heeft gekozen terwijl de vrouw deze nu eenzijdig wil wijzigingen, maar ook omdat hij hierdoor als het ware geschrapt wordt uit de identiteit van [het kind] . Dat is m.i. wel degelijk te kwalificeren als een mogelijke inmenging in het veronderstelde
family lifetussen de man en [het kind] .
tweedelezing is dat het hof heeft willen aanknopen bij de overweging van de Hoge Raad in de uitspraken van 30 maart 2018 (zie ook het slot van de voorafgaande overweging 5.5 in de beschikking van het hof), dat de door art. 8 EVRM Pro vereiste mate waarin en waarop de belanghebbende bij het besluitvormingsproces over de minderjarige wordt betrokken, afhankelijk is van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen (zie onder 2.7-2.10). De overwegingen zouden dan zo moeten worden begrepen dat er wel een mogelijke inmenging in het
family lifetussen man en [het kind] is, maar dat de aard en de mate van ingrijpendheid van het verzoek tot voornaamswijziging zodanig gering zijn, dat de man
niet rechtstreeksin zijn belangen wordt geraakt. Ook is het denkbaar dat het hof voor ogen heeft gestaan dat vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval de man niet als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro is aan te merken.
derdelezing is dat het hof bedoeld heeft dat géén sprake is van
family lifetussen de man en [het kind] (en dat daarom dus ook geen sprake kan zijn van een mogelijke inmenging in
family life).
family lifebijkomende feiten en omstandigheden moet stellen; dat tot de relevante omstandigheden onder meer behoort of de relatie van de ouders vóór de geboorte van het kind voldoende bestendig was; dat ook van belang is of de biologische vader ná de geboorte van het kind een band met het kind heeft opgebouwd en dat niet onder alle omstandigheden beslissend is of feitelijk sprake is geweest van
family life, met name indien de vader wel die intentie had en het niet aan hem kan worden tegengeworpen dat
family lifeniet is gerealiseerd. Verder is van belang dat het bestaan van
family lifefeitelijk wordt ingevuld en afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval (zie met name onder 2.11 en 2.15-2.18).
family lifemet [het kind] .
family life. Daarbij is niet altijd doorslaggevend of sprake is van ‘juridisch vaderschap’, dus of de man [het kind] heeft erkend, of zijn vaderschap gerechtelijk is vastgesteld en/of dat hij gezag heeft (vgl. onder 2.11). Door een groot deel van de stellingen van de man die betrekking hebben op deze kwestie onbesproken te laten – en dan met name de stellingen van de man dat sprake was van een
beoogd family life(wat de vrouw overigens gemotiveerd heeft betwist) –, is het hof hetzij uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Ook deze derde lezing houdt dus geen stand.
beide ouders ongeacht de gezagssituatie” belanghebbende zijn, niet opgaat. Het bedoelde procesreglement is namelijk van de rechtbanken en niet van de hoven.