Conclusie
advocaat: mr. H.J.W. Alt
niet verschenen in cassatie
1.Feiten
Non concurrentiebeding’ het volgende opgenomen:
Het is werknemer verboden – zonder schriftelijke toestemming van werkgever – gedurende de dienstbetrekking en gedurende een periode van één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in enigerlei vorm in Nederland, een onderneming die haar activiteiten ontplooit op het terrein van het transporteren en behandelen van bulkladingen en tankcontainers met betrekking tot gassen en tankvloeistoffen in de ruimste zin deze woords, te vestigen, te drijven, of mede te drijven of te doen drijven, hetzij indirect, hetzij direct, als ook financieel in welke vorm dan ook bij een dergelijke zaak belang te hebben, daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, al dan niet in dienstbetrekking, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet of om daarin een aandeel te hebben.
Van de advocaat van Anne Transport B.V. heb ik vernomen dat in de overeenkomst tussen de voormalige werkgever en de huidige werkgever/opdrachtgever van mijn cliënten[A-G: volgen de namen van de zes chauffeurs]
een derdenbeding is opgenomen ten behoeve van mijn cliënten dat, zakelijk weergegeven, inhoudt dat het aan mijn cliënten vrijstaat om werkzaamheden voor Anne Transport B.V. te verrichten zonder daarvoor een boete te verbeuren.
2.Procesverloop
primairniet ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, althans haar deze ontzegt,
subsidiairhet concurrentiebeding vernietigt althans schorst met ingang van 1 maart 2020 zodat het Werknemer is toegestaan om vanaf die datum als chauffeur werkzaam te zijn in dienst van Anne Transport , en
primair en subsidiairdat het hof Meijndert Trucking veroordeelt tot terugbetaling van hetgeen Werknemer ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van Meijndert Trucking in de proceskosten en de nakosten.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeel, in de procesinleiding aangeduid als onderdeel 2.1, bestaat uit zes subonderdelen (2.1-I t/m 2.1-V). [10] De klachten uit dit onderdeel hebben betrekking op het oordeel van het hof dat Werknemer belang heeft bij het hoger beroep (rov. 5.3) en op het oordeel van het hof dat Werknemer (in de woorden van de steller van het middel: zelfs) een spoedeisend belang heeft (rov. 5.4).
Werknemer,maar juist dat
Meijndert Trucking– als eiser in kort geding – een spoedeisend belang heeft. In zoverre falen de klachten uit onderdeel 2.1.
subonderdeel 2.1I), dat de overeenkomst aan de hand van
Haviltex-maatstaf moet worden uitgelegd (
subonderdeel 2.1II), en dat dit tot een andere uitleg had moeten leiden (
subonderdeel 2.1III). Verder klaagt Meijndert Trucking dat het hof niet had mogen aannemen dat zij haar aanspraak op de verbeurde contractuele boete handhaaft (
subonderdeel 2.1 IV1) en dat het hof het belang van Werknemer niet mocht aanvullen (
subonderdeel 2.1IV2). [11]
(…) omdat aan de vordering strekkende tot schorsing van de werking van het non-concurrentiebeding geheel is tegemoetgekomen en [Werknemer] vanaf 22 mei 2020 zijn werkzaamheden bij Anne Transport kan voortzetten.”
7. (…) afspraken tussen Meijndert Trucking (en haar gelieerde ondernemingen) en Anne Transport (en haar betrokkenen waaronder de heer Rien[Marius, A-G]
Meijndert). Op 22 mei 2020 is tussen de voornoemde partijen expliciet overeengekomen dat o.a. [Werknemer] niet meer gehouden zou worden aan het non-concurrentiebeding en dat aan het bestreden vonnisgeen verder gevolgzal worden gegeven. In die zin dat Meijndert Trucking afziet vanverdere executievan dat vonnis.
Ten onrechte heeft de kanonrechter de verbeurde boete slechts gematigd tot EUR 11.000,00’ [16] en met par. 51 van de memorie van antwoord:
51. (…) Dat naar de mening van Meijndert Trucking de acceptatie van het derdenbeding in combinatie met de formulering daarvan, in de weg staat aan de eventuele toewijzing van de vordering tot terugbetaling van hetgeen reeds in het kader van de executie door [Werknemer] [17] is voldaan.”
tweede onderdeel, in de procesinleiding aangeduid als onderdeel 2.2, is gericht tegen rov. 5.13-5.16. Daarin oordeelt het hof, kort samengevat, dat voorshands het belang van Werknemer om van de werking van het concurrentiebeding te worden ontheven, groter is dan het belang van Meijndert Trucking bij handhaving daarvan. Zie de uitgebreidere samenvatting van dit oordeel onder 3.2.
de afzetmogelijkheden van een bedrijf op grond van goodwill, bijzondere kennis en inzichten en gedane investeringen’. [26]
(…)In het rapport wordt aangegeven dat doordat het concurrentiebeding door veel werkgevers als standaardclausule wordt gebruikt, en vrij breed over het bedrijf wordt ingezet, ook werknemers onder het beding vallen bij wie er geen specifieke noodzaak voor is. Bij deze werknemers is bijvoorbeeld geen sprake van toegang tot specifieke bedrijfsinformatie of -processen, intellectueel eigendom, klanten, etc. Het rapport onderkent eveneens een categorie werknemers die oneigenlijk gebonden wordt door het concurrentiebeding. De werkgever gebruikt het beding dan enkel om schaars personeel aan zich te binden. Deze praktijk heeft effect op de arbeidsmobiliteit in brede zin.
reeds daaromin het voordeel van Meijndert Trucking zou moeten uitvallen.
Het is dan ook rechtens onjuist en onbegrijpelijk dat er in casu volgens het hof, in deze specifieke omstandighedengeensprake is van een aantasting van het bedrijfsdebiet van Meijndert Trucking .”
daartegenbescherming te bieden in de zin dat Meijndert Trucking niet zonder meer hoeft te gedogen dat een concurrerende onderneming met haar zes werknemers een vliegende start maakt en zich richt op dezelfde klanten (p. 15).
Dat de bedrijfsvoering van Meijndert Trucking mogelijk in gevaar komt door het overstappen van haar chauffeurs, althans dat zij hierdoor mogelijk schade lijdt, zoals zij heeft aangevoerd, wordt in die zin gerelativeerd dat ‘slechts’ 6 van de 250 FTE naar Anne Transport zijn overgestapt.”
subonderdelen 2.2IIc en 2.2IIdkunnen niet slagen. Binding van de werknemer is geen legitieme doelstelling vaneen concurrentiebeding, zodat het hof niet gehouden was om in te gaan op de stellingen van Meijndert Trucking over de krapte op de arbeidsmarkt (zie ook onder 3.30).
Voorts is zonder nadere toelichting rechtens onjuist en onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.14 overweegt’ en dit wordt toegelicht in subonderdelen 2.2IVa t/m 2.2IVc.
Hierop zien overwegingen a t/m d’, bevatten geen verwijzingen naar vindplaatsen waar deze stellingen in feitelijke instanties zouden zijn ingenomen. De verwijzing dat het gaat om ‘
stellingen uit onderdeel 2.2I C’ maakt dit evenmin duidelijk, nu op die plaats geen citaten worden aangetroffen.
subonderdeel 2.2IVa. Direct voorafgaand aan die stellingen valt op die plaats te lezen:
‘In het bijzonder gaat het om de stellingen zoals weergegeven in onderdeel 2.2-II B uit de pleitnotities namens Meijndert Trucking in eerste aanleg’.In dat onderdeel 2.2-I B staan twee stellingen opgenomen, met verwijzing naar de vindplaats in de processtukken. Dit kan Meijndert Trucking echter niet baten, aangezien deze stellingen geen enkele betrekking hebben op het oordeel van het hof dat met dit subonderdeel 2.2-IVc wordt bestreden.
derde onderdeelbevat enkel een voortbouwklacht. Die slaagt niet.