Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt over de motivering van de afwijzing van het namens de verdachte gedane verzoek tot een nadere (medische) rapportage ten aanzien van verdachtes detentiegeschiktheid en over de motivering van de strafoplegging. Ten aanzien van dat laatste klaagt het middel in het bijzonder dat het hof de verdediging verwijt dat haar beroep op de detentieongeschiktheid van de verdachte onvoldoende is onderbouwd en voorts dat de strafoplegging op een niet begrijpelijke lezing van de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting berust.
absoluut nietaan. Verzoek:
aanvullende rapportage door Reclasseringen zo nodig
psycholoog(detentiegeschiktheid).”
een aanvullende rapportage door de Reclassering en een psychologisch(mogelijk)onderzoek (aanvullend) of liever nog een medisch onderzoek naar de huidige fysieke beperkingen – welke volgens de psycholoog [betrokkene 1] op blz 14 onder punt 9 rapport d.d. 23-7-2018 dermate ingrijpend zijn op het leven van betrokkene dat onderzoeker met onvoldoende zekerheid uitspraken kan doen over de persoonlijkheid van betrokkenete laten uitbrengen met name ook met betrekking tot de vraag of cliënt in staat is
een werkstrafte verrichten, waartoe hij in eerste aanleg ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak bij de rechtbank eerst niet in staat was alsmede te bezien of cliënt gezien zijn beperkingen überhaupt detentiegeschikt is te achten en er mogelijk bekeken zou moeten worden naar ET (enkelbandje).
aanvullend rapport door de Reclassering over de huidige persoonlijke omstandigheden en medische statusvan cliënt en mogelijk aanvullende GGZ rapportage over de fysieke beperkingen van cliënt via een arts deskundige.
een werkstrafuit te voeren en/of dat onderzocht wordt of een gecombineerde langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf en lange proeftijd met ET (elektronisch toezicht) of wel enkelbandje kan worden opgelegd.”
Op te leggen sanctie
medischerapportage. Echter, het hof heeft hetgeen ter terechtzitting is verzocht – niet onbegrijpelijk – niet als een dergelijk verzoek aangemerkt, maar als een (voorwaardelijk) verzoek om het laten opmaken van een aanvullend
psychologischrapport.
Deelklacht II: Motivering van de strafoplegging
“voor een feit als het onder 2 bewezen verklaarde doorgaans een gevangenisstraf van ongeveer elf maanden wordt opgelegd”. Ook in zoverre faalt de klacht.
tweede middelklaagt dat het hof aan het voorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf een bijzondere voorwaarde heeft verbonden die buiten het wettelijk kader valt.
andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende” stelt. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijk betamelijkheid gehouden moet worden geacht. [2] Art. 14c, tweede lid, onder 14º Sr betreft een restcategorie die de rechter een ruime vrijheid biedt bij het afstemmen van de inhoud van de voorwaarde op de persoon en persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. In wezen wordt slechts één beperking aan de inhoud van de voorwaarde gesteld, te weten dat die het gedrag van de veroordeelde moet betreffen. Een voorwaarde waarvan de vervulling mede afhankelijk is van gedrag van anderen, voldoet daaraan bijvoorbeeld niet. Mede in verband met het vereiste van proportionaliteit, is het voorts van belang dat de rechter de (gedrags)voorwaarde met voldoende precisie formuleert en dient daarmee een niet té ingrijpende inbreuk op de grondrechten van burgers te worden gemaakt. [3]
de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen” in strijd was met art. 14c, tweede lid, onder 14º, Sr. Dat arrest luidt, voor zover relevant, als volgt (vetgedrukt in het origineel):
2.4.
NJ2020/410 m.nt. N. Jörg. Dat arrest luidt, voor zover relevant, als volgt (vetgedrukt in het origineel):
3.2.2
“meewerken aan controles van digitale gegevensdragers door de politie”als onderdeel van de door hem opgelegde bijzondere voorwaarde geformuleerd
.Op zichzelf bevordert het verlenen van medewerking aan controles van digitale gegevensdragers echter geen goed levensgedrag van de veroordeelde, noch betreft dat een gedraging waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Aldus is dit geen voorwaarde die het gedrag van de veroordeelde betreft. Voorts heeft het hof – als dat al de bedoeling was – niet voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht of het hiermee wellicht het toezicht op de naleving van de gedragsvoorschriften probeerde te regelen. Het hof maakt daarbij in het geheel niet duidelijk hoe die controle feitelijk moet gaan plaatsvinden of wordt begrensd, noch waaruit die controle bestaat. In feite komt de bestreden voorwaarde er dus op neer dat de veroordeelde mee moet werken aan door de politie uit te oefenen dwangmiddelen. Dat het hof een aparte toezichtsopdracht aan de Reclassering heeft gegeven, doet daaraan niet af, aangezien die opdracht hieromtrent niets inhoudt en de bestreden voorwaarde hoe dan ook niet (voldoende precies) als (aparte) toezichtsopdracht is geformuleerd. Zodoende voldoet de bestreden voorwaarde niet aan de inzake art. 14c, tweede lid onder 14º, Sr ontwikkelde maatstaven.
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd de onttrekking aan het verkeer heeft gelast van een computer en een mobiele telefoon.
Beslag
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1 mobiele telefoon van het merk Samsung (G328912) en 1 computer Corsair (G328939).”
- Art. 36d Sr:
- “Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
computereen grote hoeveelheid kinderpornografische afbeeldingen is aangetroffen. Dat wordt overigens ook niet (door de verdachte) betwist. [10] Gelet hierop heeft het hof niet onbegrijpelijk vastgesteld met welk strafbaar feit, te weten het verwerven en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal, de computer in verband staat. In eerste aanleg heeft de raadsman namens de verdachte verzocht om een map met foto’s van verdachtes opa en oma van de computer te halen. De verdachte kon echter niet aangeven waar die map zich precies op de computer bevond. [11] De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat de computer wordt onttrokken aan het verkeer, waarbij het “
geen mogelijkheid [ziet] om te voldoen aan het verzoek van de verdediging om de mogelijke foto’s van opa en oma op deze gegevensdragers aan verdachte terug te laten geven, omdat verdachte niet kan aangeven waar deze foto’s zijn opgeslagen.” [12] Het oordeel van het hof dat het ongecontroleerde bezit van die computer in strijd is met het algemeen belang, acht ik – gezien de grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal dat op de computer is aangetroffen – niet onbegrijpelijk. Aldus heeft het hof de computer niet onbegrijpelijk (en toereikend gemotiveerd) op grond van art. 36c Sr onttrokken aan het verkeer. [13] Daarbij neem ik in aanmerking dat hieromtrent ter terechtzitting in hoger beroep ook geen verweer is gevoerd.
telefoonheeft het hof vastgesteld dat deze telefoon – bij gebreke aan wachtwoord – niet kon worden onderzocht. Daarin ligt besloten dat het hof die telefoon onttrokken heeft aan het verkeer op grond van (het ook in het arrest genoemde) art. 36d Sr. Indien de maatregel van onttrekking aan het verkeer op die grond wordt opgelegd, dient het voorwerp – kort gezegd en voor zover relevant – gevaarlijk te zijn, te zijn aangetroffen bij het onderzoek naar het door de betrokkene begane feit, de opsporing van soortgelijke feiten belemmeren en aan de betrokkene toe te behoren. Ten aanzien van een onttrekking aan het verkeer op deze grond geldt niet de eis dat het voorwerp in relatie dient te staan tot het strafbare feit. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het dan ook. In ‘s hofs motivering van deze beslissing en hetgeen hieromtrent uit de stukken blijkt, ligt voorts niet onbegrijpelijk besloten dat aan voornoemde voorwaarden van art. 36d Sr is voldaan. Daarbij neem ik in aanmerking dat door de steller van het middel ook niet wordt aangegeven waarom dat niet het geval zou zijn en verdient wederom opmerking dat de verdediging hieromtrent geen verweer heeft gevoerd in hoger beroep.
vierde middelklaagt dat de pleitnota van de raadsman in eerste aanleg d.d. 11 oktober 2018 zich niet in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt, zodat kennisneming en controle van dit kernstuk in cassatie niet mogelijk is.
in hoger beroepin het ongerede is geraakt en zich niet bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt, nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep dient te volgen. [14] Daaraan ligt ten grondslag dat in zo’n geval immers niet meer is na te gaan welke verweren ter terechtzitting van het hof zijn gevoerd dan wel of aldaar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht. Dat levert volgens de Hoge Raad een onherstelbaar verzuim op en brengt nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak met zich mee.