Conclusie
Nummer20/03534
Inleiding
Beoordeling van het middel
middelbehelst de klacht dat het opzet niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het hof ten onrechte het namens de verdachte gevoerde verweer heeft verworpen, inhoudende dat – gelet op het kort voor het ongeval remmen van het voertuig – niet bewezen is dat de verdachte een eventueel aanmerkelijk te achten kans op dodelijke slachtoffers bewust heeft aanvaard.
NJ2008/609, m.nt. Mevis, waarin het hof oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door het slachtoffer aan te rijden met zijn auto. In deze zaak had de verdachte ter terechtzitting onder meer verklaard dat het slachtoffer op het midden van de weg stond, dat hij in zijn auto zonder lichten aan reed, dat de manier waarop hij reed en de snelheid ervoor hadden kunnen zorgen dat hij het slachtoffer omver had kunnen rijden, dat hij gewoon rechtdoor is gereden in de richting van het slachtoffer en niet is gestopt, dat hij gas is blijven geven tot hij vlak bij het slachtoffer was en dat hij daarna naar links is uitgeweken omdat hij het slachtoffer niet wilde raken. Het hof oordeelde dat de verdachte zich hiermee willens en wetens had blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij het slachtoffer zou raken en dat hij hem daarbij zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Bovendien kende het hof betekenis toe aan de omstandigheid dat het slachtoffer, in een reactie als gevolg op het handelen van de verdachte, weg zou springen in een andere richting dan door de verdachte voorzien of wellicht ten val zou komen en daarbij door de auto van de verdachte geraakt zou worden. De verdachte kon aldus niet voorzien hoe het slachtoffer zou reageren op zijn handelen, hetgeen ook door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is bevestigd. De Hoge Raad oordeelde dat ’s hofs oordeel geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk was, ook niet in het licht van de verklaring van de verdachte dat hij naar links is uitgeweken omdat hij het slachtoffer niet wilde raken, aangezien dit uitwijken eerst geschiedde toen hij vlak voor het slachtoffer was. De Hoge Raad lijkt hiermee tot uitdrukking te brengen dat de uitwijkmanoeuvre dusdanig laat werd ingezet dat voor de verdachte niet meer te bepalen was dat hij het slachtoffer daarmee niet zou raken. [26]
NJ2009/111, waarin het hof oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van de slachtoffers die hij met zijn auto had aangereden. Ten aanzien van het bewijs van het opzet overwoog de Hoge Raad:
Met die overweging heeft het Hof er blijk van gegeven dat het bij zijn oordeelsvorming omtrent de aanwezigheid van voorwaardelijk opzet de vraag onder ogen heeft gezien of de verdachte (eveneens) op de koop heeft toegenomen dat hij en zijn vriendin het leven zouden verliezen (vgl. 15 oktober 1996, LJN ZD0139, NJ 1997,199). Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Dat is in het licht van hetgeen het Hof heeft vastgesteld – zoals dat is samengevat in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 14 en 15 – ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Daaraan doet, anders dan het middel wil, niet af dat de verdachte, naar het Hof heeft vastgesteld, vanaf het moment dat hij “[B]” is uitgegaan, zich niets meer kan herinneren en evenmin dat de verdachte op het allerlaatste moment nog heeft geremd.”