ECLI:NL:PHR:2021:1112

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2021
Publicatiedatum
26 november 2021
Zaaknummer
21/01978
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:209 BWArt. 1:19 BWArt. 1:20 BWArt. 1:22 BWArt. 1:203 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Begrip geboorteakte in bezit van staat bij vaststelling Nederlanderschap in Caribische context

Deze zaak betreft een prejudiciële vraag van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden aan de Hoge Raad over de uitleg van de term 'geboorteakte' in art. 1:209 BW Pro in het kader van bezit van staat en vaststelling van Nederlanderschap op grond van art. 17 RWN Pro.

Verzoekster, geboren in de Dominicaanse Republiek uit een ongehuwde moeder, is erkend door een Amerikaanse man. Later is haar moeder gehuwd met een Nederlander die haar in Sint Eustatius erkende, maar deze erkenning is volgens de wet nietig. Het hof vroeg zich af of de term 'geboorteakte' moet worden uitgelegd als de oorspronkelijke buitenlandse geboorteakte of als de latere erkenningsakte bij de burgerlijke stand in het Koninkrijk, met gevolgen voor het bezit van staat en het Nederlanderschap.

De conclusie van de Procureur-Generaal stelt dat bezit van staat ook bescherming biedt aan latere erkenningsakten, ook als deze niet zijn aangetekend op de geboorteakte, en dat deze erkenningsakte als 'geboorteakte' in de zin van art. 1:209 BW Pro moet worden beschouwd. Dit dient de rechtszekerheid en het belang van het kind. De Hoge Raad wordt geadviseerd dit standpunt te volgen, waarmee de erkenningsakte in het Koninkrijk kan leiden tot vaststelling van Nederlanderschap ondanks de nietigheid volgens de wet.

De zaak benadrukt de bijzondere situatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk en de noodzaak van een ruime uitleg van 'geboorteakte' om onrechtvaardige situaties te voorkomen en het belang van het kind te beschermen.

Uitkomst: De Hoge Raad beantwoordt dat onder de term 'geboorteakte' in art. 1:209 BW ook de latere erkenningsakte bij de burgerlijke stand in het Koninkrijk valt.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/01978
Zitting26 november 2021
CONCLUSIE
inzake prejudiciële vraag
P. Vlas
In de zaak
[verzoekster]
tegen
1. het Openbaar Ministerie van Curaçao
2. de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: de IND, ook: de Staat)
3. de Minister van Justitie van Curaçao
4. het Hoofd Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (basisregistratie persoonsgegevens) van Curaçao
Deze procedure betreft een prejudiciële vraag die het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) aan de Hoge Raad heeft gesteld op de voet van art. 1b van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in verbinding met art. 392 Rv Pro. De vraag is gerezen in het kader van een procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN) en heeft betrekking op de uitleg van de term ‘geboorteakte’ in de zin van art. 1:209 BW Pro voor de toepassing van bezit van staat. Deze prejudiciële vraag komt overeen met één van de vragen die het hof aan de Hoge Raad heeft gesteld in zaak 21/01980, waarin ik vandaag ook conclusie neem.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In deze prejudiciële procedure kan, kort samengevat, worden uitgegaan van het volgende. [1] Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1975 in de Dominicaanse Republiek uit een ongehuwde moeder die de Dominicaanse nationaliteit had. Zij is op 23 juli 1975 erkend in de Dominicaanse Republiek door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), woonachtig te Puerto Rico, die de Amerikaanse nationaliteit had.
1.2
Op 23 december 1981 is de moeder in de Dominicaanse Republiek gehuwd met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), die de Nederlandse nationaliteit had. Verzoekster is op 7 september 1983 nogmaals (maar volgens de wet nietig) erkend in Sint Eustatius door [betrokkene 2] Deze (nietige) Statiaanse erkenning is ingeschreven in het bevolkingsregister van Sint Eustatius waar verzoekster vanaf 23 januari 1982 haar gewone verblijfplaats had. Uit het trouwboekje van de moeder van verzoekster en [betrokkene 2] blijkt dat zij drie kinderen, onder wie verzoekster, hadden.
1.3
Bij een op 18 mei 2020 ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster aan het hof op grond van art. 17 RWN Pro verzocht om vaststelling van het Nederlanderschap. Verzoekster heeft daarbij een beroep gedaan op bezit van staat in de zin van art. 1:209 BW Pro, als kind van [betrokkene 2] , alsmede op algemene rechtsbeginselen en mensenrechtenbepalingen.
1.4
Bij tussenbeschikking van 26 maart 2021 heeft het hof het voornemen geuit een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen of het begrip ‘geboorteakte’ in art. 1:209 BW Pro in dit geval slaat op de in de Dominicaanse Republiek opgemaakte geboorteakte of op de in Sint Eustatius opgemaakte (nietige) erkenningsakte. In het eerste geval stemt de staat volgens de geboorteakte overeen met de staat volgens de wet. In het tweede geval is daarvan geen sprake en kan bezit van staat van verzoekster als kind van [betrokkene 2] de doorslag geven (rov. 2.8-2.9). Het hof heeft overwogen dat bezit van staat de rechtszekerheid en het belang van het kind dient [2] , zodat het hof vooralsnog kiest voor de uitleg dat de Statiaanse erkenningsakte, al dan niet in verbinding met de corresponderende inschrijving van de erkenning in het Statiaanse bevolkingsregister, geldt als ‘geboorteakte’ in de zin van art. 1:209 BW Pro. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om hierover een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen.
1.5
Nadat verzoekster en de IND een akte van uitlating hebben genomen, heeft het hof bij beschikking van 4 mei 2021 aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag gesteld:
Slaat, indien een kind in het buitenland is geboren en in het Koninkrijk is erkend, de term ‘geboorteakte’ in de zinsnede ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ in artikel 1:209 BW Pro op de oorspronkelijke geboorteakte die zich in het buitenland bevindt of op de latere erkenningsakte bij de burgerlijke stand in het Koninkrijk, al dan niet in verbinding met inschrijving van de erkenning in het bevolkingsregister of basisadministratie persoonsgegevens in het Koninkrijk (en wellicht in een trouwboekje)?
1.6
In afwachting van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad heeft het hof iedere verdere beslissing aangehouden.
1.7
De Hoge Raad heeft, gehoord de Procureur-Generaal, besloten tot het in behandeling nemen van de prejudiciële vraag en een termijn bepaald waarbinnen schriftelijke opmerkingen kunnen worden ingediend. De Staat heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Verzoekster heeft door middel van een e-mail van haar Curaçaose advocaat gereageerd op de opmerkingen van de Staat.. Nu deze e-mail afkomstig is van een Curaçaose advocaat bij het hof, is voldaan aan het vereiste van art. 8 Rijkswet Pro rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In art. 8 is Pro bepaald dat de zaak bij de Hoge Raad ook kan worden bepleit door advocaten die zijn ingeschreven bij het hof.

2.Bespreking van de prejudiciële vraag

2.1
Bij de bespreking van de prejudiciële vraag stel ik voorop dat het in deze zaak niet gaat om een procedure tot intrekking van het Nederlanderschap als bedoeld in art. 14 RWN Pro, maar om een door verzoekster aan de rechter verzochte vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 RWN Pro.
2.2
Het hof heeft aan de Hoge Raad de prejudiciële vraag gesteld of de term ‘geboorteakte’ in art. 1:209 BW Pro betrekking heeft op de oorspronkelijke geboorteakte die zich in het buitenland bevindt of op de latere erkenningsakte bij de burgerlijke stand in het Koninkrijk.
2.3
Het bezit van staat, geregeld in art. 1:209 van Pro het voor Sint Eustatius geldende BW (BW-BES) [3] , is gelijkluidend aan art. 1:209 van Pro het voor Nederland geldende BW. Art. 1:209 BW Pro bepaalt dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte niet door een ander kan worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft. Het gaat er bij de toets van art. 1:209 BW Pro dan ook om dat bezit van staat en de staat volgens de geboorteakte de afstamming van een kind onomstotelijk vaststellen. Indien de staat volgens de geboorteakte overeenstemt met de staat volgens de wet, is een afwijkend bezit van staat irrelevant. In dat geval kan geen sprake zijn van betwisting van staat. [4]
2.4
Bezit van staat is de uiterlijke vorm van een zekere familiebetrekking, kenbaar uit feiten en omstandigheden, die afzonderlijk of in onderling verband en samenhang de bedoelde verwantschap staven. [5] Naast (i) dit (uiterlijke) bezit van persoonlijke staat wordt onderscheid gemaakt in (ii) de persoonlijke staat volgens de wet (zie art. 1:198 en Pro 1:199 BW), die kan veranderen door bijvoorbeeld erkenning en (iii) de persoonlijke staat volgens de geboorteakte, die behoort overeen te komen met de staat volgens de wet. [6] Het bewijs van persoonlijke staat wordt in het algemeen geleverd door de geboorteakte. Indien een persoonlijke staat volgens de wet ontbreekt, of in het geval van discrepantie tussen de persoonlijke staat volgens de wet en de persoonlijke staat volgens de geboorteakte, kan sprake zijn van (uiterlijk) bezit van staat. Bezit van staat kan worden afgeleid uit de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt en die er naar zijn uiterlijke vorm op duidt dat hij/zij in een bepaalde familiebetrekking tot een ander staat. [7]
2.5
Waar het in deze zaak om gaat, is dat het hof zich afvraagt of in het kader van art. 1:209 BW Pro moet worden gekeken naar de buitenlandse geboorteakte van verzoekster of naar de Statiaanse akte van erkenning uit 1983. In het eerste geval volgt uit de geboorteakte dat verzoekster afstamt van de Amerikaan [betrokkene 1] Uit de staat die volgt uit de wet stamt zij ook af van [betrokkene 1] , aangezien de latere in 1983 gedane erkenning nietig is. In die situatie komt bezit van staat niet aan de orde: de staat volgens de geboorteakte stemt overeen met de staat volgens de wet. In deze zaak zijn partijen niet verdeeld over de vraag wat de staat volgens de wet is. In het tweede geval – er moet worden uitgegaan van de erkenningsakte uit 1983 – volgt daaruit dat verzoekster afstamt van de Nederlander [betrokkene 2] Uit de staat volgens de wet volgt echter dat verzoekster afstamt van [betrokkene 1] , zodat een discrepantie bestaat tussen de staat volgens de akte en de staat volgens de wet. In dat geval moet worden gekeken naar het (uiterlijke) bezit van staat en moet worden bepaald of verzoekster afstamt van de Nederlander [betrokkene 2] (volgens de akte uit 1983) of van de Amerikaan [betrokkene 1] Zou verzoekster inderdaad bezit van staat hebben als kind van [betrokkene 2] , dan zou zij in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit.
2.6
De geboorteakte is het document dat wordt opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand (art. 1:19 BW Pro). Krachtens art. 1:20 BW Pro voegt de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere vermeldingen toe van akten van de burgerlijke stand en andere authentieke akten houdende (onder meer) erkenning. Op grond van art. 1:22 BW Pro bewijst de akte van geboorte ten aanzien van een ieder dat op de in de akte vermelde plaats, dag en uur uit de daarin genoemde moeder een kind van het daarin vermelde geslacht is geboren. In een akte van erkenning (art. 1:203 BW Pro) verklaart een persoon dat hij of zij het kind als zijn of haar kind erkent, waardoor familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en de erkenner in het leven worden geroepen. [8]
2.7
Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de bescherming van bezit van staat zich in beginsel mede uitstrekt tot aktes die gebrekkig zijn als gevolg van de nietigheid van de daarin vastgelegde rechtshandeling en dat dit ook geldt als het een buitenlandse akte betreft. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 9 maart 2012 het volgende overwogen:
‘5.3.6 (…) Nu bezit van staat in de zin van art. 1:209 BW Pro ertoe strekt de rechtszekerheid en het belang van het kind te beschermen, valt niet in te zien dat de omstandigheid dat het hier gaat om een in het buitenland opgemaakte geboorteakte aan de toepassing van deze wetsbepaling in de weg zou staan. Voor zover het onderdeel betoogt dat dit laatste anders is indien het, zoals hier, een akte betreft die niet in de Nederlandse rechtsorde is of kan worden erkend, ziet het eraan voorbij dat het bij bezit van staat nu juist steeds gaat om gebrekkige akten’. [9]
2.8
In haar NJ-noot onder deze beschikking wijst Wortmann erop dat vóór de herziening van het afstammingsrecht per 1 april 1998 [10] alleen de afstamming door geboorte uit een wettig huwelijk werd beschermd. Door de invoering van het nieuwe afstammingsrecht is dat gewijzigd:
‘Het vervallen van het onderscheid tussen wettige en onwettige, natuurlijke, afstamming heeft voor de beschermende werking van het bezit van staat tot gevolg gehad dat deze zich ook ging uitstrekken tot de erkenning. Dit betekent bijvoorbeeld dat een nietige of vernietigbare erkenning (die aangetekend is op de geboorteakte) niet (meer) kan worden aangetast, indien het kind een staat bezit overeenkomstig de nietige of vernietigbare erkenning’. [11]
2.9
In de onderhavige zaak is de erkenning uit 1983 niet als vermelding opgenomen op de (buitenlandse) geboorteakte. Het hof heeft in zijn verwijzingsbeschikking van 4 mei 2021 hierop gewezen en overwogen:
‘2.9 Voor reguliere erkenningen van in hetzelfde land geboren kinderen is de ‘geboorteakte’ als bedoeld in artikel 1:209 de Pro geboorteakte
in combinatie met de kantmelding of latere vermelding van erkenning(zie artikel 1:20 BW Pro). Het is het hof ambtshalve bekend dat erkenningsakten in Aruba en Curaçao ten aanzien van
in het buitenland geborenkinderen (zodat de geboorteakte zich niet in Aruba of Curaçao bevindt) niet worden vernietigd, maar in het archief worden bewaard. Het Hof veronderstelt dat dezelfde praktijk bestaat of bestond in Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Denkbaar is tegenwoordig nog dat door de burgerlijke stand van Den Haag overeenkomstig artikel 1:25 BW Pro-NL de buitenlandse geboorteakte is ingeschreven en dat de Arubaanse/Curaçaose/BES-erkenningsakte daaraan als latere vermelding is toegevoegd. Aruba, Curacao, Sint Maarten en de BES-eilanden kennen zelf geen artikel 1:25 BW Pro (de Haagse burgerlijke stand heeft zich bereid verklaard deze dienst te bewijzen; het gaat hier om gespecialiseerd werk, waarbij moeilijke kwesties van internationaal privaatrecht kunnen rijzen)’. [12] (curs. van het hof, A-G).
2.1
Moet er nu een onderscheid worden gemaakt tussen een nietige of vernietigbare erkenning die is aangetekend op de geboorteakte en een nietige of vernietigbare erkenning die niet is aangetekend op de geboorteakte? In het eerste geval kan de erkenning niet worden aangetast, indien sprake is van bezit van staat in de zin van art. 1:209 BW Pro. In het tweede geval – de erkenning is niet aangetekend op de geboorteakte – kan de erkenning wél worden aangetast, omdat er geen sprake is van bescherming door bezit van staat: de staat volgens de wet stemt immers overeen met de staat volgens de geboorteakte.
2.11
Ik meen dat er voor het maken van een dergelijk onderscheid geen goede reden is. Bezit van staat dient de rechtszekerheid en het belang van het kind, zodat het er niet toe doet of de erkenning is aangetekend op de geboorteakte dan wel dat – door welke omstandigheid dan ook – deze vermelding achterwege is gebleven en de erkenning uitsluitend uit een afzonderlijke erkenningsakte blijkt. In dat laatste geval is het onrechtvaardig en dus ook in strijd met de rechtszekerheid de bescherming van bezit van staat te onthouden wanneer sprake is van een gebrekkige erkenningsakte, uitsluitend om de reden dat deze erkenning niet is aangetekend op de geboorteakte. Uiteraard mag bezit van staat in de zin van art. 1:209 BW Pro niet worden uitgehold [13] , maar daarvan is in de omstandigheden van het onderhavige geval geen sprake. De latere (uit 1983 daterende) erkenningsakte bij de burgerlijke stand in het Koninkrijk is naar mijn mening dan ook te beschouwen als ‘geboorteakte’ in de zin van art. 1:209 BW Pro. Of daarvoor ook inschrijving van de erkenning in het bevolkingsregister of basisadministratie persoonsgegevens in het Koninkrijk, al of niet in combinatie met een trouwboekje, is vereist, kan in het midden blijven.
2.12
Op grond van het voorgaande meen ik dat op de prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat onder de term ‘geboorteakte’ in de zinsnede ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ in art. 1:209 BW Pro ook valt de latere erkenningsakte bij de burgerlijke stand in het Koninkrijk.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot beantwoording van de aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vraag als voorgesteld onder 2.12 van deze conclusie.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie rov. 2.1 van de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 26 maart 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:78.
2.Zie ook HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, NJ 2020/99, m.nt. L. Strikwerda, rov. 2.8.2.
3.Hierna wordt – in navolging van de verwijzingsbeschikking – voor het BW-BES uitsluitend de afkorting BW gebruikt.
4.Vgl. HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5084, NJ 2008/321, m.nt. J. de Boer; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/227.
5.Aldus Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/228.
6.Zie hierover Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/226; K.J. Saarloos, 'Bezit van staat' of het wormvormig aanhangsel van het Nederlandse afstammingsrecht?, WPNR 2006/6654.
7.HR 7 november 2003,ECLI:NL:HR:2003:AI0360, NJ 2004/98, m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, NJ 2012/291, m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, NJ 2020/99, m.nt. L. Strikwerda.
8.Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/184.
9.Zie HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, NJ 2012/291, m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, NJ 2015/106, m.nt. S.F.M. Wortmann.
10.Wet van 24 december 1997 tot herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie, Stb. 1997, 772, in werking getreden op 1 april 1998.
11.Zie onder 3 van de noot van S.F.M. Wortmann bij HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, NJ 2012/291.
12.Zie ook rov. 2.14 van de verwijzingsbeschikking van het hof van 4 mei 2021, waarin wordt overwogen dat het naar de indruk van het hof gaat om ‘een typisch Caribisch probleem’.
13.Vgl. onder 6 van de reeds genoemde noot van Wortmann.