De verdachte werd in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard door het gerechtshof 's-Hertogenbosch omdat hij niet op de terechtzitting verscheen, ondanks dat hij rechtsgeldig was gedagvaard. De advocaat van de verdachte gaf aan dat de verdachte op de hoogte was van de zitting, maar niet verscheen. Het hof ging ervan uit dat de verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en verleende verstek.
Uit nader onderzoek en overleg met de advocaat-generaal bleek dat de verdachte in de nacht voorafgaand aan de terechtzitting was aangehouden en op het moment van de zitting nog gedetineerd was in het cellencomplex Tilburg. Dit was het hof niet bekend. Hierdoor was het oordeel van het hof dat de verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht onjuist en is het aanwezigheidsrecht van de verdachte geschonden.
De Hoge Raad concludeert dat vanwege het grote belang van het aanwezigheidsrecht de zaak opnieuw in hoger beroep in aanwezigheid van de verdachte moet worden behandeld. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het gerechtshof voor een nieuwe behandeling van de zaak.
De zaak betreft een veroordeling voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, waarvoor de verdachte een gevangenisstraf van twee weken kreeg opgelegd. De procedurele fout betreft de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep door het hof, die nu door de Hoge Raad wordt gecorrigeerd.