Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
De verdachte was op de dag van de behandeling in hoger beroep ingesloten in een politiebureau en kon daardoor niet aanwezig zijn bij de zitting. Het hof behandelde de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte, uitgaande van een gerechtvaardigd vermoeden dat hij vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Uit overgelegd bewijs bleek echter dat de verdachte die dag was aangehouden en later heengezonden, en niet vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn.
De raadsman van de verdachte had geen aanhoudingsverzoek ingediend, maar gaf aan dat de verdachte hem had laten weten aanwezig te zullen zijn en dat hij geen contact met hem kon krijgen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist heeft geoordeeld door de zaak buiten aanwezigheid te behandelen, waardoor het recht van de verdachte op een eerlijk proces werd geschonden.
Op grond van de conclusie van de Advocaat-Generaal vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en wees de zaak terug voor hernieuwde berechting in hoger beroep. De Hoge Raad benadrukte het belang van het aanwezigheidsrecht en dat het hof dit zorgvuldig moet toetsen alvorens buiten aanwezigheid te oordelen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.