Conclusie
Overzicht
BNB1969/5), (iii) de Meerwaardeclausule-rechtspraak (HR
BNB2004/273) analogisch moet worden toegepast, en (iv) het niet onzakelijk is om af te zien van een voorkeursrecht ten behoeve van de levensvatbaarheid van Juniors onderneming.
niet-uitoefening vergelijkt met de inkomstenbelastinggevolgen van
wel-uitoefenen. Anders dan Senior stelt, valt in [de Stichting] ’s stukken niet te lezen dat [de Stichting] in deze procedure stelt dat het afzien van het voorkeursrecht geen inkomstenbelastinggevolgen bij Senior zou hebben gerhad (maar alleen dat [de Stichting] stelt dat er schenkbelastinggevolgen bij Junior zouden zijn geweest). Maar ook als dat anders zou zijn, is de rechter niet gebonden aan een onjuiste rechtsopvatting van beide partijen.
nietovergedragen, laat staan geruisloos en het kan niet zes jaar later alsnog met zes jaar terugwerkende kracht onder de geruisloosheid van de bedrijfsoverdracht gebracht worden. Het Hof hoefde mijns inziens niet op deze onjuiste rechtskundige stelling in te gaan.
2.De feiten
betreft: voornemen van de fiscus om af te wijken van de aangifte bij [Senior]
5.Het geschil in cassatie
bij Juniorwas belast. Of zich een schenking zou hebben voorgedaan, was geen onderdeel van de rechtsstrijd. Onbegrijpelijk is ‘s Hofs oordeel bovendien omdat Senior, ‘zo blijkt uit de processtukken’, wel degelijk heeft uitgelegd waarom afzien van het voorkeursrecht tot andere fiscale gevolgen zou hebben geleid dan uitoefening ervan, onder meer met overlegging van het deskundigenadvies van [betrokkene 4] , dat vermeldt dat als Senior had afgezien van zijn voorkeursrecht, dat bij hem niet had geleid tot een heffing van inkomstenbelasting. Het Hof heeft art. 17 Wet Pro IB 1964 c.q. art. 3.63 Wet IB 2001 (geruisloze overgang van een onderneming) en art. 3.8 Wet IB 2001 (totale winst) verkeerd uitgelegd door ten onrechte niet ‘mee te nemen’ dat het om een geruisloze overgang van een agrarische onderneming ging waarvan een lonende exploitatie mogelijk moest zijn. Het oordeel dat Senior een (nadere) toelichting had moeten verschaffen is ook uit een oogpunt van het partijdebat (art. 19 Rv Pro en/of art. 24 Rv Pro) en stelplicht onjuist (art. 149 Rv Pro)
BNB2004/273 [6] en Hof Arnhem
V-N2009/27.1.2 [7] , beide over de overgang van een agrarische onderneming met melkquotum waarbij de opvolgers bij verkoop van het quotum binnen een bepaalde termijn een daarbij behaalde winst zouden delen met de overdrager (meerwaardeclausule). Een redelijke uitleg van art. 17 Wet Pro IB 1964 met inachtneming van deze meerwaarderechtspraak moet volgens Senior inhouden dat als Senior zou hebben afgezien van zijn voorkeursrecht en Junior dus de verkoopopbrengst had ontvangen, (alleen) Junior voor de totale transactiewinst zou zijn belast en Senior niet in de belastingheffing zou zijn betrokken. Senior verwijst opnieuw naar punt 33 van de conclusie van antwoord waarin volgens hem ook [de Stichting] dit standpunt inneemt. Of afzien van het voorkeursrecht al dan niet zakelijk zou zijn geweest, is dus niet relevant, aldus Senior.
de factonooit inkomstenbelasting bij Senior zou hebben geheven. Ook dat aspect heeft het Hof ten onrechte niet in zijn oordeel betrokken.
MakelaarsarrestHR
BNB1969/5. [10] Dat arrest leert dat als een ondernemer zich een mogelijkheid om een voordeel te behalen laat ontgaan, om welke reden dan ook, die niet-behaalde winst in beginsel niet leidt tot constatering van belastbare winst bij die ondernemer.
BNB2009/179 [11] . Overdracht tegen een prijs die een net lonende exploitatie mogelijk maakt, houdt geen
animus donandiin. Het Hof had dit moeten onderkennen. Junior had de winst op de verkoop van de grond waarop het voorkeursrecht rustte nodig voor de voortzetting van het bedrijf. Een deel van die winst, € 195.000, is feitelijk dan ook teruggevloeid in Juniors bedrijf via een (belaste) schenking. Afzien van het voorkeursrecht zou dus niet onzakelijk zijn geweest.
nog afgezien van de vraag welke schade [Senior] in verband daarmee zou hebben geleden."
6.Beoordeling van het cassatiemiddel
Algemene opmerkingen
Junior(dotatie van de verkoopwinst aan een HIR), en gaat niet in op de inkomstenbelastinggevolgen van afzien bij
Senior. In cassatie staat echter vast dat [Senior en Junior] [de Stichting] advies heeft gevraagd over de fiscale gevolgen van de keuze tussen Junior (afzien) of Senior (niet afzien) als verkoper van de desbetreffende onroerende zaak aan de gegadigde derde. Dan kan niet voorbijgegaan worden aan de inkomstenbelastinggevolgen van afzien bij Senior in vergelijking met die van niet-afzien. Het Hof is dus terecht ingegaan op de vraag welke de inkomstenbelastinggevolgen bij Senior zouden zijn geweest van afzien van diens voorkeursrecht in vergelijking met de inkomstenbelastinggevolgen van het wél uitoefenen ervan, gevolgd door verkoop van de zaak door Senior aan de gegadigde derde. Zonder die vergelijking valt niet te beoordelen of het advies al dan niet deugde c.q. of er al dan niet schade is.
i.e.voor de prijs die een onafhankelijke derde voor dat recht zou betalen. In cassatie wordt niet bestreden ‘s Hofs feitelijke oordeel dat die prijs gelijk zou zijn geweest aan het door Senior gerealiseerde transactievoordeel op de verkoop van de desbetreffende onroerende zaak aan de geïnteresseerde derde.
BNB2009/179 niet onzakelijk is en dus niet tot constatering van fiscale winst bij Senior zou hebben geleid;
de factonooit inkomstenbelasting bij Senior zou hebben geheven, en (iii) het Hof ten onrechte op een stelling van [de Stichting] over schenkbelasting bij Junior baseert dat [de Stichting] (ook) gesteld zou hebben dat afzien door Senior inkomstenbelastinggevolgen bij Senior zou hebben, hoewel heffing van schenkbelasting helemaal niet in geschil was en slechts eenmaal ter sprake is gekomen.
schenkingaan Junior zou zijn, kan mijns inziens niet gelezen worden dat afzien van het voorkeursrecht een met
inkomstenbelastingbelaste
onttrekkingdoor Senior aan diens (resterende) fiscale ondernemingsvermogen zou hebben ingehouden. Wel kan er in gelezen worden dat afzien onzakelijk zou zijn, nl. slechts ingegeven door de familieband; dat zegt echter op zichzelf nog niets over mogelijke inkomstenbelastinggevolgen bij de schenker.
[de Stichting]gesteld heeft dat afzien door Senior een schenking aan Junior zou hebben betekend. Die vermelding is correct, zoals Senior zelf ook aangeeft. De schenkingsvraag was inderdaad geen onderdeel van de rechtsstrijd over de inkomstenbelastingpositie van Senior, en het Hof heeft dat dan ook niet gezegd of gesuggereerd; hij heeft [de Stichting] ’s stelling dat afzien een schenking zou inhouden, slechts ‘mede’ ten grondslag gelegd aan zijn overweging dat [de Stichting] het rechtskundig bij het rechte eind had dat afzien onzakelijk zou zijn geweest. Alle drie subonderdelen berusten dus op verkeerde lezing van ‘s Hofs r.o. 5.18. Daarmee strandt klacht 1.2 mijns inziens al in zijn geheel. Ik ga niettemin hieronder ook op klacht 1.2 inhoudelijk in.
niet-uitoefening van dat recht vergelijkt met de inkomstenbelastinggevolgen van
wel-uitoefenen, met name niet voor een partij die zich al door een fiscaal deskundige ( [betrokkene 4] ) had laten voorlichten in een lijvige opinie. Wat de partijen al dan niet gesteld hebben of bij nader horen zouden hebben kunnen stellen over de uitleg van de dwingende belastingwet, is echter hoe dan ook niet beslissend voor de zelfstandige toepassing door de rechter van die dwingende wet op de vaststaande feiten of – in dit geval – op het hypothetische geval van afzien van het voorkeursrecht door Senior. De rechter is geenszins gebonden aan een onjuiste rechtsopvatting van een van beide partijen of van beide partijen gezamenlijk. Daarmee strandt Seniors hierboven (6.7, sub a) samengevatte klacht.
nieteens zijn over de vraag of [de Stichting] aansprakelijk is voor het niet gewezen hebben op de fiscale effecten van afzien van uitoefening van het voorkeursrecht. Senior wil het in het hypothetische afzien-scenario uitsluitend hebben over gemiste HIR-mogelijkheden bij Junior, met veronachtzaming van de fiscale gevolgen van afzien bij Senior, maar dat is een onbestaanbaar
cherry pickscenario. Die fiscale gevolgen van afzien bij Senior vallen dus
squarebinnen het aansprakelijkheidsgeschil en de rechter is verplicht de daarvoor relevante dwingende rechtsgronden, zoals art. 3.8 Wet IB 2001, aan te vullen (art. 25 Rv Pro). Het geschil gaat immers over de vraag in hoeverre [de Stichting] ’s advies (niet) strookte met de dwingende belastingwet. Dan kan die dwingende belastingwet bezwaarlijk genegeerd worden. Daarom strandt mijns inziens ook Seniors in 6.7 sub b hierboven samengevatte klacht over overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd.
nietovergedragen, laat staan geruisloos. De stelling dat het niet-overgedragen voorkeursrecht (de voorbehouden aanspraak op de stille reserve) zes jaar na de bedrijfsoverdracht alsnog met zes jaar terugwerkende kracht mee zou kunnen lopen in de fiscale geruisloosheid van die zes jaar eerdere bedrijfsoverdracht, vindt mijns inziens geen steun in het recht. Het voorkeursrecht was juist géén onderdeel van de overgedragen onderneming en het zes jaren later afzien ervan kon dus niet zes jaar terugwerkend onder de doorschuiffaciliteit van toen vallen.
in plaats daarvanalsnog geruisloos had kunnen worden overgedragen aan Junior. Daarvoor zou vereist zijn geweest (zie art. 3.63, leden 1, 3, 4 en 5, Wet IB 2001; tekst 2003) dat (i) dat voorkeursrecht in 2003 een onderneming of een gedeelte van een onderneming zou zijn geweest en (ii) dat Junior in de drie aan het afzien voorafgaande jaren ofwel in dienst van die onderneming van Senior zou zijn geweest, ofwel mede-ondernemer zou zijn geweest in die onderneming van Senior. Geen van beide is het geval: een bloot voorkeursrecht, hoezeer in casu ook verbleven ondernemingsvermogen, is geen (gedeelte van een) objectieve onderneming: het is geen organisatie van kapitaal en arbeid die door deelname aan het maatschappelijk verkeer streeft naar winst; en Junior en Senior waren in de jaren 2000-2003 evenmin mede-ondernemers, noch was Junior in die jaren in dienst van enige onderneming van Senior.
BNB1969/5, (ii) de Meerwaardeclausule-arresten HR
BNB2004/273 en Hof Arnhem
V-N2009/27.1.2, en (iii) HR
BNB2009/179, ten betoge dat overdracht tegen een prijs die rendabele exploitatie niet onmogelijk maakt niet onzakelijk is.
BNB1969/5 [12] dat het zich laten ontgaan van een mogelijk voordeel door een ondernemer geen belastbare winst oplevert bij die ondernemer omdat de Wet IB alleen werkelijk behaalde winst belast en niet mogelijkheden tot het maken van winst die echter niet benut zijn en dat het in zijn geval om een dergelijk niet grijpen van een mogelijk voordeel gaat.
BNB1969/5 [13] betrof een makelaar die een pand kocht en verkocht op naam van zijn schoonvader waardoor schoonvader een vermogenswinst maakte. De makelaar had de transactie ook op eigen naam kunnen uitvoeren en zelf de winst kunnen maken, die bij hem belast zou zijn geweest als winst uit onderneming. De fiscus belastte het voordeel bij de makelaar op basis van de redenering dat hij de (mogelijkheid van de) te maken transactiewinst voor privé-doeleinden had onttrokken aan zijn ondernemingsvermogen. Het Hof had de fiscus gelijk gegeven, overwegende:
BNB1969/5) achtte het arrest niet erg concludent ter zake van de vraag in welke gevallen het overlaten van een winstmogelijkheid aan een ander wel of niet tot belastbare winst leidt bij degene die die winstmogelijkheid aan een ander overlaat:
BNB1968/112 [14] was een ondernemer in de vastgoedsector die alle aandelen kocht in een NV (A) met compensabele verliezen. De aandelen gingen tot zijn ondernemingsvermogen behoren. Zijn echtgenote, die geen ondernemer was, kocht met haar eigen geld een vordering op A NV ad nominaal f 139.000 voor f 16.000. De belanghebbende handelde vervolgens op naam van A NV in onroerende zaken en behaalde daarmee zodanige winsten dat de vordering van zijn echtgenote op A NV volwaardig werd en zij dus een onbelaste vermogenswinst ad f 123.000 behaalde. De Inspecteur merkte die waardestijging van de vordering aan als een onttrekking door de belanghebbende. Het Hof en uw belastingkamer waren dat met hem eens. Het Hof overwoog:
BNB1968/12, anders in ons geval: Seniors voorkeursrecht was onbetwist ondernemingsvermogen. Dat [de Stichting] dat destijds niet heeft onderkend, is precies wat Senior [de Stichting] verwijt. Zou Senior hebben afgezien van zijn voorkeursrecht, dan had hij zijn ondernemingsvermogen aan zijn zoon hebben doen toekomen voor een veel te lage prijs, terwijl hij dat alleen tegen de marktprijs zou hebben gedaan bij een willekeurige derde; de makelaar uit het makelaarsarrest zag niet af van enig recht of ander ondernemingsvermogen, maar liet slechts een door hem gespotte kans in de markt over aan een ander.
BNB1981/184 [15] betrof een natuurlijk persoon/ondernemer die een landbouwbedrijf uitoefende op eigen en gepachte grond. De grond was nalatenschap van zijn ouders waarvan hij 1/3 had geërfd, evenals zijn zus en zijn broer. De belanghebbende kreeg daarnaast krachtens een testamentaire bepaling een pachtrecht op de grond in eigendom van zijn broer en zus en een voorkeursrecht tot koop op de aan zijn broer en zus toebedeelde grond. Het voorkeursrecht hield in dat de belanghebbende kon kopen tegen de verkoopwaarde als ware de grond niet verpacht. De belanghebbende wilde na verloop van tijd de pacht overdragen aan zijn twee schoonzoons in verband met zijn leeftijd en gezondheidstoestand. Zijn broer werkte mee, maar zijn nichten (die inmiddels het door zijn zus geërfde deel van de grond in bezit hadden) wilden de grond verkopen, hetzij aan de belanghebbende, hetzij aan diens schoonzoons. De belanghebbende oefende zijn voorkeursrecht niet uit; zijn schoonzoons kochten de grond in verpachte staat, dus tegen een lagere dan de vrije waarde. Vervolgens deed hij afstand van zijn pachtrecht ten gunste van zijn schoonzoons. De Inspecteur meende dat hij aldus zijn pachtersvoordeel voor andere dan ondernemingsdoeleinden om niet had afgestaan aan familie en dat dit onzakelijke handelen een onttrekking opleverde die in zijn belastbare winst moest worden begrepen. Het Hof volgde de rechtsregel uit het Makelaarsarrest HR
BNB1969/5, overwegende:
BNB2004/273 [17] betrof een zoon die in 1995 het maatschapsaandeel in een agrarisch bedrijf inclusief melkquotum overnam van zijn vader. Als hij binnen tien jaar het melkquotum zou vervreemden, moest zoon een daarbij gerealiseerde meerwaarde met zijn vader delen (‘meerwaardeclausule’). Bij de overgang van het melkquotum hadden vader en zoon gebruik gemaakt van een goedkeurende resolutie van de Staatssecretaris van Financiën [18] van dezelfde strekking als de doorschuiffaciliteit van art. 17 wet Pro IB 1964: om belastingheffing bij de overdracht van een melkquotum buiten het kader van een gehele overdracht van een onderneming te voorkomen, moest de overnemer de fiscale boekwaarde van het melkquotum overnemen van de overdrager. In 1998 staakte zoon de onderneming en verkocht hij het melkquotum. In geschil was of het bedrag dat hij ingevolge de meerwaardeclausule aan vader moest doorbetalen in aftrek kwam op de bij hem belaste verkoopopbrengst. Uw belastingkamer oordeelde dat alleen dat deel van dat bedrag aftrekbaar was dat zag op de waardeaangroei tussen 1995 en 1998:
FED2004/324) het volgende:
BNB2004/273):
V-N2009/27.1.2 [19] (ik merk op dat die Hofuitspraak is bevestigd in HR
BNB2010/170 [20] ), is vergelijkbaar met HR
BNB2004/273 en past dat arrest ook toe als de geruisloze doorschuiving van (onder meer) een melkquotum niet op een resolutie, maar op art. 17 Wet Pro IB 1964 berust en is mijns inziens dus evenmin relevant voor ons geval.
BNB2009/179 [21] ten betoge dat het voor Senior niet onzakelijk is om af te zien van het voorkeursrecht als dat gebeurt om de exploitatie van een overgedragen agrarisch bedrijf nog net lonend te doen zijn, zodat alsdan geen sprake is van een schenking omdat de
animus donandiontbreekt. Het Hof heeft dit miskend met zijn oordeel dat Senior bij afzien van zijn voorkeursrecht onzakelijk zou hebben gehandeld.
BNB2009/179 gaat over de vraag of zich een schenking voordoet en welke de invloed van een waarderingsvoorschrift in de Successiewet daarop is en is dus niet relevant voor ons geval.