Conclusie
1.De feiten
hof), [1] daar weergegeven onder het opschrift “Waar gaat deze zaak over?” (waartoe ook behoort een weergave van het procesverloop in eerste aanleg, in deze conclusie verwerkt onder 2.1-2.4 hierna).
No Surrender) is een internationale motorclub die in 2013 is opgericht door [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]). In de eerste jaren na de oprichting bekleedde hij de functie van 'Generaal'. Medio februari 2016 heeft hij die functie definitief neergelegd. Een half jaar later maakte een van de mede-oprichters ( [betrokkene 2] , hierna:
[betrokkene 2]) bekend dat hijzelf en drie anderen als Captains World de koers zouden gaan bepalen. In die fase is de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid NS MC (hierna:
NS MC) opgericht. In juli 2018 heeft ook [betrokkene 2] No Surrender verlaten, nadat hij in voorlopige hechtenis was genomen.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
OM) heeft de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de
rechtbank) bij verzoekschrift van 4 september 2018 verzocht om No Surrender, NS MC en de brotherhoods te verbieden en te ontbinden op de voet van art. 2:20 lid 1 BW Pro, met benoeming van een vereffenaar. Daarbij is het OM ervan uitgegaan dat de chapters en de brotherhoods van No Surrender deel uitmaken en door dat verbod zouden worden getroffen. Ook is verzocht te bepalen dat een eventueel batig saldo na vereffening zal worden uitgekeerd aan de Staat.
beschikking) heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 7 juni 2019 vernietigd voor zover daarin NS MC als onderdeel van No Surrender is verboden en ontbonden, die beschikking voor het overige bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen (zie het dictum van de beschikking, onder “De beslissing”). Daartoe heeft het hof als volgt overwogen: [12]
3 De opbouw van deze beschikking en de conclusies
formelevereniging, maar No Surrender is dat niet. De vraag is daarom of dat wel een
informelevereniging is. Op de vraag aan welke voorwaarden dan moet zijn voldaan, zal het hof bij de behandeling van de chapters en brotherhoods nog ingaan. Op deze plaats is dat niet nodig. De rechtbank is er namelijk vanuit gegaan dat No Surrender een informele vereniging is (rechtsoverweging 3.29), en daar is geen bezwaar tegen gemaakt. Voor het hof staat dit daarom vast.
bijen de gevolgen
vande desbetreffende uitingen en gedragingen.
bepaaltjuist die cultuur en vormt voor deze gedragingen bewust een voedingsbodem. Het was en is de kennelijke bedoeling van No Surrender om zichzelf en haar leden hiermee als wetteloze bandieten buiten de maatschappelijke orde te plaatsen en maatschappelijke angst te kweken. De instrumenten die daarvoor worden gehanteerd, bestaan intern uit repressie en afgedwongen solidariteit. Deze cultuur, waarin het plegen van geweld wordt verheerlijkt en waaraan leden zich niet zomaar kunnen onttrekken, vormen de bijzondere omstandigheden op grond waarvan de strafbare gedragingen van leden aan No Surrender kunnen worden toegerekend - ook al heeft het bestuur van No Surrender daaraan geen directe leiding gegeven of er gelegenheid voor gegeven. Extern gaat het vooral om vaak ernstige criminele gedragingen door individuen of groepen personen die met hun herkenningstekens en andere verschijningsvormen refereren aan de verheerlijking van geweld. Deze werkzaamheid, die zich ook in de openbare ruimte manifesteert (en het criminele gedrag van bestuursleden van No Surrender) is maatschappelijk zodanig beschadigend en ontwrichtend, dat daardoor een verbod van No Surrender wordt gerechtvaardigd.
geensprake is van afzonderlijke verenigingen. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat de rechter op grond van alle omstandigheden van het geval een afweging maakt tussen de mate van zelfstandigheid van de chapters en brotherhoods ten opzichte van No Surrender enerzijds en anderzijds de aard en omvang van de invloed van No Surrender op die groepen. Uitgangspunt is daarbij altijd dat een informele vereniging leden heeft, is gericht op een bepaald doel, en zelfstandig aan het rechtsverkeer deelneemt. Dat veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt ook af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende taken vervullen ten behoeve van het zelfstandige lichaam, dat er ledeninspraak is, dat gelden worden ingezameld of contributie wordt geheven, dat een bankrekening wordt aangehouden op naam van het zelfstandige lichaam of dat er een gemeenschappelijke kas is.
formeleverenigingen. De discussie spitst zich daarom toe op de vraag of het wel
informeleverenigingen zijn. Het OM, dat in dit opzicht de bewijslast draagt van wat hij aanvoert, bestrijdt dat. No Surrender meent echter dat elk chapter wel degelijk een informele vereniging is. Vast staat immers dat zij elk een eigen bestuur hebben (de kaders, met de functies President, Vice president, Sergeant at arms, Treasurer, Secretary, Road captain en Consigliere). Ook de andere leden van de chapters hebben een rang en/of functie. Zo zijn zogenaamde 'securityleden' belast met het garanderen van de veiligheid van hun chapter en de andere No Surrenderleden. Verder staat ter onderbouwing van dit verweer het volgende vast.
uitzonderingdaarop, waar hij vertelt dat hij als enige president van No Surrender tegen de andere presidenten is ingegaan.
formeleverenigingen. De discussie spitst zich wat hen betreft dus evenzeer toe op de vraag of het wel
informeleverenigingen zijn. Dat is niet het geval, want wat voor de chapters geldt, geldt in nog grotere mate voor de brotherhoods: een eigen doelstelling ontbreekt, en er zijn geen beslissende feiten of omstandigheden aangevoerd of gebleken die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat zij als informele verenigingen zijn aan te merken. In tegendeel, de brotherhoods zijn ondergeschikt aan de chapters en kennen zelfs niet de vrijheden van de chapters. Daar is althans niets van gebleken.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
De cassatieklachten
Oorspronkelijk verzocht het OM ex art. 2:20 lid 1 BW Pro [19] primair om de verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender, waarvan - naar de stellingen van het OM - naast de (chapters en) brotherhoods onderdeel uitmaakt de formele vereniging NS MC, en subsidiair ook om de verbodenverklaring en ontbinding van NS MC, voor het geval zou worden geoordeeld dat NS MC moet worden gezien als een op zichzelf staande rechtspersoon die niet tot No Surrender behoort. [20] Nadat de Hoge Raad zijn Bandidos-beschikking had gegeven, [21] heeft het OM bij de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 11 september 2020 zijn primaire standpunt verlaten en zijn subsidiaire verzoek herhaald. [22] In zoverre heeft dus, zoals het hof in rov. 2.7 en 3.36-3.37 van de beschikking vaststelt, het OM zijn verzoek ten aanzien van NS MC verminderd en een afzonderlijk verbodenverklaring en ontbinding van NS MC gevraagd. [23] Het hof wijst dit laatste verzoek - dus afzonderlijke verbodenverklaring en ontbinding van NS MC - af en legt hieraan ten grondslag, blijkens rov. 3.1 en 3.37 (te bezien ook in verbinding met rov. 3.2-3.4 alsmede rov. 3.36 en 3.38), dat NS MC een formele vereniging is en het OM geen argumenten heeft aangedragen die tot een (zelfstandig) verbod en ontbinding van die vereniging kunnen leiden, meer precies geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die specifiek zien op de werkzaamheid van NS MC, laat staan dat die strijdig zou zijn met de openbare orde. [24] Het hof komt wel tot verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender als informele vereniging, in welk lot de chapters en brotherhoods delen nu zij niet als (van de informele vereniging No Surrender te onderscheiden) informele verenigingen kunnen worden beschouwd, zoals het hof ook reeds vooropstelt in rov. 3.1. Op die laatste verbodenverklaring en ontbinding richt het hof zich in het bijzonder in rov. 3.2-3.4 in verbinding met rov. 3.5-3.35 en 3.39.
Onderdeel van dit laatste - dus die verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender als informele vereniging, met inbegrip van de chapters en brotherhoods, die deel uitmaken van No Surrender (niet zelf ook als informele verenigingen kwalificeren) - zijn ’s hofs vaststellingen in rov. 3.15-3.17 en 3.18, welke overwegingen weer onderdeel zijn van rov. 3.5-3.23, waarin het hof grief 6 van No Surrender behandelt, ertoe strekkend dat de rechtbank No Surrender ten onrechte heeft verboden en ontbonden op de voet van art. 2:20 lid 1 BW Pro. [25] In rov. 3.15-3.17 zet het hof onder meer uiteen, gelet ook op rov. 3.18 (waarover hierna), dat de rechtbank een omvangrijke en door het OM goed gedocumenteerde opsomming heeft gegeven van “ernstige strafbare feiten die
door leden van No Surrendergedurende de afgelopen jaren zijn begaan” [onderstreping toegevoegd, A-G], alsmede dat daartegen in hoger beroep geen gemotiveerd verweer (“steekhoudend verweer”) is gevoerd. In rov. 3.18 zet het hof onder meer uiteen, aansluitend op rov. 3.15-3.17, dat de rechtbank een uitgebreide opsomming heeft gegeven van “veelal ernstige strafbare feiten die
door bestuursleden van No Surrenderzijn gepleegd” [onderstreping toegevoegd, A-G], alsmede dat “[o]ok daar geen gemotiveerd verweer tegen [is] gevoerd” in hoger beroep. In rov. 3.19-3.20 - die eveneens draaien om No Surrender - tekent het hof daarbij aan dat, anders dan door No Surrender is aangevoerd, na het vertrek van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] “aan
de werkzaamheid van No Surrenderin essentie niets is veranderd” [onderstreping toegevoegd, A-G], wat mede terugslaat op de uiteenzetting in rov. 3.15-3.18. Het hof bouwt (ook) daarop voort in rov. 3.21.
Gelet op het voorgaande, sluit het hof in de beschikking dus kenbaar en gemotiveerd uit dat de door het hof in rov. 3.21 genoemde “gedragingen” (“strafbare gedragingen van leden”), wat in het bijzonder terugslaat op de in rov. 3.15-3.20 bedoelde gedragingen van leden van No Surrender, op welke informele vereniging rov. 3.21 ook is toegesneden (en van welke informele vereniging de chapters en brotherhoods dus deel uitmaken, zie hiervoor), van NS MC zijn of vanuit NS MC afkomstig zijn en (dus) niet van leden van No Surrender zijn - daarmee (ook) verwerpend enig daartoe strekkend verweer van No Surrender, voor zover al gevoerd (zie ook hierna over de in het subonderdeel genoemde stellingname met vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties). Dit betekent dat het subonderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van de beschikking, en daarmee feitelijke grondslag mist, waar het aanvoert (“zonder uit te sluiten”, etc.) dat het hof daarin niet uitsluit dat die door het hof genoemde gedragingen “van NS MC zijn of vanuit NS MC afkomstig zijn” en (dus) niet van leden van No Surrender zijn. Dat en waarom dit door het hof dus wel degelijk gegeven oordeel in termen van rechtsopvatting of motivering tekort zou schieten, valt in het subonderdeel niet te lezen; dit wordt daarin verder niet specifiek bestreden. Ik wijs daarbij erop dat aan dat oordeel logischerwijs niet kan afdoen dat het hof het subsidiaire verzoek van het OM tot afzonderlijke verbodenverklaring en ontbinding van NS MC afwijst, nu het hof daartoe dus komt - zie rov. 3.1 en 3.37 (te bezien ook in verbinding met rov. 3.2-3.4 alsmede rov. 3.36 en 3.38) - omdat NS MC een formele vereniging is en het OM geen argumenten heeft aangedragen die tot een (zelfstandig) verbod en ontbinding van díe vereniging kunnen leiden, meer precies geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die specifiek zien op de werkzaamheid van NS MC, laat staan dat die strijdig zou zijn met de openbare orde, welk oordeel ook in lijn ligt met rov. 3.21 (en wat daaraan door het hof ten grondslag is gelegd, mede gelet op rov. 3.15-3.20).
Hiermee valt reeds de bodem weg onder het subonderdeel. Bij deze stand van zaken bestond er geen gehoudenheid voor het hof nader te motiveren “op grond van welke gedragingen van No Surrender - en niet van NS MC -” het tot zijn bevindingen is gekomen in rov. 3.21, anders dan het subonderdeel betoogt. Evenmin is dan voor hetgeen het hof overweegt in rov. 3.21 verder relevant dat NS MC (als formele vereniging) een van No Surrender (als informele vereniging) te onderscheiden rechtspersoon is (naar het hof ook onderkent in de beschikking, zie o.a. rov. 3.1, 3.4, 3.22 en 3.37), noch dat blijkens de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad de verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender dan niet ook NS MC raakt (naar het hof eveneens onderkent in de beschikking, zie naast de genoemde rov. ook o.a. rov. 3.36 en 3.38), op welke omstandigheden het subonderdeel nog wijst. Uit het voorgaande volgt tevens dat het subonderdeel ook uitgaat van een onjuiste lezing van de beschikking, en daarmee eveneens feitelijke grondslag mist, voor zover het veronderstelt dat het hof in rov. 3.21 (of elders in de beschikking) “gedragingen van of vanuit NS MC” voor rekening van “leden, chapters dan wel brotherhoods van No Surrender” brengt, waarmee het subonderdeel ook reeds vastloopt voor zover het op basis van die onjuiste veronderstelling betoogt dat het hof eraan voorbij ziet dat “zulke gedragingen van of vanuit NS MC” hier “niet of niet zonder nadere toelichting, die hier ontbreekt, voor rekening van leden, chapters dan wel brotherhoods van No Surrender kunnen worden gebracht.” Daarmee strandt ook de stelling in het subonderdeel dat “[d]ie stellingname van No Surrender” (zie dus “grief 6 onder d.”, etc., zoals daar bedoeld), welke stellingname het hof dus kenbaar en gemotiveerd verwerpt, voor zover al ingenomen zijdens No Surrender (zie ook hiervoor), relevant zou zijn om de in het subonderdeel bedoelde reden.
In de passage uit het beroepschrift van No Surrender, waarnaar het subonderdeel verwijst, staat niet meer dan dat No Surrender bepaalde feiten heeft betwist, onder verwijzing naar een groot aantal vindplaatsen in het verweerschrift van No Surrender in eerste aanleg. [26]
Verweerschrift, punt IV, sub b, p. 7 e.v.:
“
Bad standing.Het fenomeen van de bad standing behoeft weinig uitleg aangezien het inmiddels een vast onderdeel vormt van de uitspraken tegen andere motorclubs ex art. 2:20 BW Pro.
i. Bad Standings moeten eerstens tegen de achtergrond van het totaal aantal leden worden gezien. No Surrender heeft een relatief groot aantal leden (+900). Daarnaast dienen deze incidenten in een tijdslijn geplaatst te worden. Wanneer deze aspecten in ogenschouw worden genomen en bovendien rekening wordt gehouden met het grote aantal dubbeltellingen in de bijlagen ontstaat er een genuanceerder beeld: het is niet zo dat clubleden er een dagtaak aan hebben om elkaar te mishandelen of elkaars motoren af te pakken. En, zoals gezegd, zijn er bepaalde excessen die
nietop het conto van No Surrender gezet kunnen worden (punten 17,18, 19, 20); deze komen voor rekening en risico van bepaalde individuen en chapters.
ii. Het dossier heeft duidelijk gemaakt dat BS vooral op instigatie van [betrokkene 2] en in mindere mate [betrokkene 1] is gebeurd. (…) Op grond waarvan de BS veeleer een persoonsgebonden karakter heeft dan dat het een clubgebeuren betreft.
iii. Soms zijn mishandelingen onderling niet vanuit clubmores gebeurd. (…)
iv. In alle gevallen zijn bad standings geen breed gedragen acties. De gelden van deze bad standings komen in lijn met eerder vermeld individueel karakter toe aan de chapter van de individuele clubleden. (…)
v. Vooraf betalen van een instapfee. Dat het fenomeen van BS binnen de club niet onomstreden was vindt tevens zijn weerslag in de ontwikkeling van het boetestelsel. (…)
vi. Uiteindelijk schaft [betrokkene 2] de instapfee in
november 2016weer af, althans dat verkondigt hij. Bad standings worden weer een uitdrukkelijke
chapterkwestie, aldus [betrokkene 2] . (…)
vii. Er worden in clubverband grappen gemaakt over het fenomeen bad standing. (…)
viii. Tot slot, het fenomeen bad standing (alsook een aanverwante activiteit als ‘terugsnijden’) wordt door verzoeker afgezet tegen de mores op de tennisclub. (…)
Kortom, het fenomeen van de bad standing is niet meer wat het geweest is (…). Voor zover er bad standings worden geregistreerd betreffen dit privé initiatieven. In het Noorden denkt men anders over zaken dan de rest van de club. Excessen gebeuren niet vanuit een clubbeleid. Het fenomeen bad standing dient per chapter beoordeeld te worden.”
Verweerschrift, punt IV, sub c, p. 11 e.v.:
“
Eén procent / 1 % / OMG. Volgens verzoeker is No Surrender een 1% motorclub of een zg. OMG. Voor deze stelling zitten echter de nodige contra-indicaties in het dossier. (…)”
Verweerschrift, punt IV, sub d, p. 13 e.v.:
“
Geweld.In de bijgevoegde bijlagen is veel aandacht voor door justitie geregistreerd geweld. Wanneer alle incidenten op één hoop worden geveegd zonder te differentiëren naar tijd, plaats, afdoening etc ontstaat een beeld dat niet overeenstemt met de dagelijkse gang van zaken.
i. Gewelddadigheden staan niet altijd noodzakelijkerwijs in relatie tot clubverband. Er zijn relatief veel privé-incidenten / incidenten in de huiselijke sfeer. (…)”
Verweerschrift, punt IV, sub e, p. 14:
“
Drugs.Voor drugs geldt hetzelfde als t.a.v. het geweld. (…) Weliswaar heeft [betrokkene 2] zich kennelijk wél binnen clubverband schuldig gemaakt aan drugshandel, maar het gedrag van [betrokkene 2] en/of chapters in het Noorden is niet representatief voor No Surrender als geheel.”
Verweerschrift, punt IV, sub f, p. 15:
“
Omerta / zwijgrecht / zwijgrecht.Er is geen sprake geweest van een eenvormige cultuur die dwingt tot het zwijgen in de richting van politie of justitie. (…)”
Verweerschrift, punt IV, sub g, p. 15 e.v.:
“
Clubadvocaten.Ik heb drie namen gezien in het dossier. (…)
i. Zoals vaker gezien geldt ook hier een uitzondering voor het Noorden. Dit betreft veeleer een koppeling tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 7] . (…) Van [betrokkene 8] is niet gebleken dat hij strafzaken voor clubleden heeft behandeld. Van [betrokkene 7] wel, maar uit het dossier blijkt onomwonden dat het Noorden een status aparte heeft en dus niet toont hoe het club-breed gaat. (…)”
Verweerschrift, punt IV, sub h, p. 16 e.v.:
“
Pgp’s.(…) Gelet op het incidentele karakter kan pgp-gebruik niet bijdragen tot enige werkzaamheid. (…)”
Verweerschrift, punt IV, sub i, p. 17:
“
Motorclub of boevenclub.Verzoeker portretteert No Surrender als een club waar vooral criminelen samenkomen, waarbij het niet meer om het motorrijden zou gaan. In de bijlagen bij het verzoekschrift staan echter meerdere aanwijzingen dat actief wordt gewaakt voor het spreekwoordelijke DNA van de club; het is een motorclub. (…)”
Ten overvloede merk ik nog op dat, anders dan het subonderdeel kennelijk veronderstelt, [30] uit rov. 3.4.3 van de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad [31] niet volgt, in de woorden van de toelichting in het cassatieverzoekschrift, “dat toerekening van gedragingen van individuen aan een rechtspersoon als eigen werkzaamheid van de rechtspersoon, is uitgesloten of beperkt indien tegen die derde [een te onderscheiden rechtspersoon, voor wie die gedragingen als eigen werkzaamheid gelden, A-G] eveneens een verzoek ex artikel 2:20 lid 1 BW Pro is gericht en die derde ook als rechtspersoon kan worden gekwalificeerd”, [32] noch dat van het OM als verzoeker ex art. 2:20 lid 1 BW Pro, kort gezegd, “kan worden gevergd de onderbouwing van zijn verzoek zodanig in te richten dat duidelijk wordt wat welke rechtspersoon wordt verweten, om “dubbeltellingen” van verweten gedragingen te voorkomen.” Die rov. 3.4.3 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Het hof gaat in de beschikking ervan uit, [37] mede gelet op rov. 3.1 en 3.4-3.38, dat No Surrender (als informele vereniging) en NS MC (als formele vereniging) wel te onderscheiden rechtspersonen zijn, maar de chapters en brotherhoods niet nu deze deel uitmaken van de informele vereniging No Surrender (deze niet zelf ook als informele verenigingen kwalificeren) en daarmee evenzeer getroffen worden door de verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender. Wat betreft NS MC oordeelt het hof, gelet op rov. 3.1, 3.4 en 3.36-3.38, dat ten aanzien van deze formele vereniging het OM geen argumenten heeft aangedragen die tot een (zelfstandig) verbod en ontbinding van die vereniging kunnen leiden, meer precies dat het OM geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die specifiek zien op de werkzaamheid van deze vereniging, laat staan dat die strijdig zou zijn met de openbare orde. [38] Wat betreft No Surrender (met inbegrip dus van de chapters en brotherhoods, zie rov. 3.1, 3.4 en 3.22-3.35) oordeelt het hof royaal gemotiveerd, gelet op rov. 3.1 en 3.4-3.21, met inachtneming van het partijdebat en kort gezegd, dat het OM ter zake wel feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, met inbegrip van de vereiste maatschappelijk ontwrichtende activiteiten (dus specifiek van No Surrender), die verbodenverklaring en ontbinding van die informele vereniging rechtvaardigen. Zie ook onder 3.4 hiervoor.
In tegenstelling tot hetgeen subonderdeel B naar de kern genomen betoogt, gaat het hof aldus niet ervan uit dat het OM de verweten maatschappelijk ontwrichtende activiteiten niet naar elk van de betrokken rechtspersonen dient te verbijzonderen. Het hof brengt, gegeven het voorgaande, juist de verbijzondering aan wat betreft No Surrender en NS MC, de door het hof in het onderhavige geval onderscheiden rechtspersonen, die het moest aanbrengen. Subonderdeel B gaat dus uit van een onjuiste lezing van de beschikking en mist daarmee feitelijke grondslag. Hetzelfde geldt waar subonderdeel B nog veronderstelt dat het hof “gedragingen van of vanuit de ene rechtspersoon” (in het bijzonder NS MC) toerekent “aan de andere” (in het bijzonder No Surrender), nu, naar ook volgt uit de behandeling van subonderdeel A onder 3.4 hiervoor, het hof dat in de beschikking niet doet. Gelet hierop bestaat er evenmin grond om aan te nemen, naar subonderdeel B ter afronding nog opmerkt, maar dus zonder enige hout snijdende onderbouwing, dat het hof “dan ook” had moeten oordelen dat het OM niet aan zijn stelplicht had voldaan. Anders dan subonderdeel C nog poneert, blijkt uit ’s hofs motivering in de beschikking afdoende “wie wat heeft misdaan”, wat geen nadere motivering behoefde ook niet in het licht van de in subonderdeel A genoemde stellingen in hoger beroep van No Surrender, in welk verband ik verder terugverwijs naar de behandeling van subonderdeel A onder 3.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuiten de subonderdelen af.
Anders dan het subonderdeel veronderstelt, rekent het hof in de beschikking geen werkzaamheden van NS MC toe aan No Surrender, naar ook volgt uit de behandeling van subonderdelen A t/m C onder 3.4 en 3.7 hiervoor. Het subonderdeel gaat derhalve uit van een onjuiste lezing van de beschikking en mist daarmee feitelijke grondslag. Reeds daarom is geen sprake van het treden door het hof buiten de rechtsstrijd, zoals bedoeld in het subonderdeel. Ik merk daarbij nog op dat een betoog van het OM als door het subonderdeel bedoeld - “kort gevat, dat werkzaamheden van No Surrender aan NS MC moeten worden toegerekend, ook al is NS MC een formele vereniging, omdat NS MC van No Surrender deel uit zou maken” - niet valt te lezen in de vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties als genoemd in het subonderdeel. Het OM spreekt te aangehaalder plaatse over de chapters en brotherhoods in verbinding met No Surrender, [41] in het geheel niet over NS MC, laat staan over toerekening van werkzaamheden van No Surrender aan NS MC, ook al is NS MC een formele vereniging, omdat NS MC van No Surrender deel zou uitmaken.
Hierop stuit het subonderdeel af.
In de grieven 2 en 3 van No Surrender, die het hof behandelt en verwerpt in rov. 3.24-3.34 van de beschikking (met als opschrift: “De chapters zijn geen informele verenigingen. Het verbod en de ontbinding van No Surrender treft hen daarom ook (de grieven 1, 2, 3, 5, 7 van No Surrender”), kan ik, anders dan de steller van het subonderdeel, niet lezen dat No Surrender daarmee (ook) heeft bestreden dat samenhang bestaat tussen No Surrender en “NS MC met al haar chapters en brotherhoods”, zoals zou zijn bepleit door het OM. Wat betreft dit laatste verwijst het subonderdeel niet naar enige vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties. [42] Grief 2 (met als opschrift: “De rechtbank heeft ten onrechte de informele vereniging No Surrender met de individuele chapters vereenzelvigd en vice versa”) behelst, zakelijk weergegeven, de stelling dat de chapters zelfstandig opereren en derhalve niet kunnen worden gezien als onderdelen van No Surrender, terwijl grief 3 (met als opschrift: “De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een top-down organisatie in plaats van een bottom-up organisatie”) erover klaagt, kort gezegd, dat No Surrender geen centraal geleide organisatie is en dat de chapters autonomie genieten. [43] Geen van beide grieven houdt enige noemenswaardige stelling in over NS MC (op welke formele vereniging het hof specifiek ingaat in rov. 3.36-3.38, zoals aangekondigd in rov. 3.1 en 3.4, volgend op ’s hofs vaststelling in rov. 3.35, vanwege grief 4 van No Surrender, dat de brotherhoods evenmin informele verenigingen zijn (net zomin als de chapters), reden waarom het verbod en de ontbinding van No Surrender hen eveneens treft). Vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties waaruit iets anders zou moeten blijken, vermeldt het subonderdeel evenmin. Dat wat het subonderdeel aanvoert, maakt derhalve nog niet onbegrijpelijk ’s hofs uitleg van de grieven 2 en 3 van No Surrender, waarin het hof blijkens de beschikking een ‘bestrijding’ zijdens No Surrender als bedoeld in het subonderdeel (dan ook) niet heeft ontwaard. [44] Reeds bij deze stand van zaken bestaat logischerwijs evenmin aanleiding aan te nemen, anders dan het subonderdeel dus betoogt, dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep onvoldoende onderkent door niet te constateren dat door de in rov. 3.36 vastgestelde “eisvermindering” en de mede daarop gebaseerde vernietiging van de beschikking van de rechtbank in verbinding met rov. 3.37, de grieven 2 en 3 doel treffen nu “No Surrender met die grieven onder meer de door het OM bepleite samenhang tussen No Surrender en NS MC met al haar chapters en brotherhoods had bestreden”. Daarbij wijs ik er nog op dat, anders dan het subonderdeel veronderstelt (“NS MC met al haar chapters en brotherhoods”), het hof (ook) in rov. 3.37 niet vaststelt dat de chapters en brotherhoods behoren tot NS MC, [45] , [46] maar daar vaststelt dat het OM geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die specifiek zien op de werkzaamheid van NS MC, laat staan dat die strijdig zou zijn met de openbare orde, wat prima verenigbaar is met het daaraan voorafgaande in de beschikking.
Hierop stuit het subonderdeel af.
subonderdeel Gdat, als het hof heeft gemeend dat een causaal verband als in subonderdeel F bedoeld hier wel aanwezig is, het hof zijn oordeel niet naar behoren heeft gemotiveerd.
In zijn Hells Angels-beschikking heeft de Hoge Raad, kort gezegd, omtrent de toerekening van gedragingen van derden als werkzaamheid aan de ex art. 2:20 lid 1 BW Pro gerekwestreerde rechtspersoon onder meer het volgende overwogen: [47]
Aldus oordelend geeft het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in dit geval vereiste basis voor het kunnen toerekenen van die strafbare gedragingen van leden van No Surrender aan No Surrender als eigen werkzaamheid, waarin tevens besloten ligt ’s hofs oordeel dat wat betreft de strafbare gedragingen van leden van No Surrender die zich blijkens rov. 3.21, vijfde zin laten toerekenen aan No Surrender als eigen werkzaamheid via de daarin bedoelde bijzondere omstandigheden, deze gedragingen niet hebben plaatsgevonden “als gevolg van andere” dan die door het hof bedoelde bijzondere omstandigheden [51] en waarbij overigens zij aangetekend dat het hof, gegeven hetgeen het overweegt ook in rov. 3.21, niet nog weer verdergaand hoefde uit te sluiten dat deze gedragingen hebben plaatsgevonden in enige mate ook als gevolg van andere dan die door het hof bedoelde bijzondere omstandigheden. Zo’n strikte ‘causaliteiteis’ volgt ook niet uit rov. 3.6 van genoemde Hells Angels-beschikking van de Hoge Raad (waarin staat dat wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden, zoals members of binnen- of buitenlandse zusterorganisaties, zelf niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, die gedragingen aan de rechtspersoon slechts als eigen ‘werkzaamheid’ kunnen worden toegerekend
indien bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven) en zie ik evenmin terugkomen in rechtspraak of literatuur van nadien. [52] Het dunkt mij dat het stellen van zo’n eis ook niet gewenst zou zijn, nu het antwoord op de vraag of zulke bijzondere omstandigheden zich voordoen intrinsiek contextueel is, van geval tot geval zal moeten worden gegeven en sterk zal worden gekleurd door wat in dat concrete geval redelijkerwijs heeft te gelden, [53] daarbij uiteraard in acht nemend dat art. 2:20 lid 1 BW Pro naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad strikt dient te worden uitgelegd, zodat dus niet te licht gedragingen van derden aan de rechtspersoon als eigen werkzaamheid kunnen worden toegerekend op grond van bijzondere feiten en omstandigheden. [54] Hierop loopt subonderdeel F vast: voor zover dit al feitelijke grondslag heeft, valt, gegeven het voorgaande, niet in te zien dat het hof wat betreft de in het subonderdeel bedoelde “voor toerekening benodigde causaliteit” tussen die strafbare gedragingen van leden van No Surrender en die bijzondere omstandigheden een onjuiste rechtsopvatting huldigt, ook niet in het licht van “artikel 24 Rv Pro” en/of de in dat subonderdeel genoemde “stellingen” van No Surrender, wat het subonderdeel trouwens ook niet verder uitwerkt. [55] Ook subonderdeel G strandt: voor zover dit al feitelijke grondslag heeft, valt, gegeven het voorgaande, evenmin in te zien, en legt het subonderdeel ook niet uit, dat en waarom het hof “zijn oordeel”, kennelijk in het bijzonder zijn overweging in rov. 3.21, vijfde zin (dat de daar bedoelde, door No Surrender bepaalde cultuur, waarin het plegen van geweld wordt verheerlijkt en waaraan leden zich niet zomaar kunnen onttrekken, de bijzondere omstandigheden vormen op grond waarvan de strafbare gedragingen van leden van No Surrender aan No Surrender kunnen worden toegerekend - ook al heeft het bestuur van No Surrender daaraan geen directe leiding gegeven of er gelegenheid voor gegeven), niet naar behoren zou hebben gemotiveerd. [56] Dit behoeft geen verdere toelichting.
Anders dan het subonderdeel naar de kern genomen veronderstelt, sluit het hof in rov. 3.21 van de beschikking, gelet ook op rov. 3.15-3.20 waarop rov. 3.21 (tevens) voortbouwt, waarover nader onder 3.4 hiervoor, dus wel degelijk uit, kort gezegd, dat de aan No Surrender toe te rekenen strafbare gedragingen waarop het daar doelt geen gedragingen zijn van leden van No Surrender en wel zijn gepleegd “door (leden, chapters en/of brotherhoods van) NS MC” (oftewel wel gedragingen zijn “van of vanuit NS MC en de bij NS MC behorende chapters en brotherhoods”). In zoverre gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. Naar reeds volgt uit de behandeling van subonderdeel A, waarover onder 3.4 hiervoor, brengt de daarin bedoelde stellingname van No Surrender (met verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties), waarop het onderhavige subonderdeel terugvalt, niet mee dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk of niet naar behoren gemotiveerd zou zijn. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
nrs. 2.1-2.3klaagt het onderdeel dat het hof zich, in lijn met wat tijdens de mondelinge behandeling bij het hof namens No Surrender is betoogd, [58] had behoren te beperken tot het vaststellen van het doel van een vereniging, zonder in te gaan op de gevolgen van dat doel voor de handelingsvrijheid van de informele vereniging (nr. 2.2). Daartoe voert het onderdeel aan (“Het gerechtshof had zich dan ook”, etc.) dat uit “de in deze klacht genoemde beslissing van de Hoge Raad” [59] volgt dat aan het hebben van een doel geen beperking is gesteld, althans niet de door het hof tot uitgangspunt genomen beperking, te weten het zich onderschikken, onderwerpen aan het gezag van een andere (rechts)persoon, en voorts dat de Hoge Raad daar heeft overwogen dat het in overwegende mate onafhankelijk functioneren van de afdeling ten opzichte van de vereniging niet geldt als een vereiste voor rechtspersoonlijkheid (nr. 2.1). Daarbij komt dat No Surrender “kennelijk heeft aangevoerd” [60] dat de chapters hun doel zelf hebben gekozen: hierom, en omdat het hof niets anders heeft vastgesteld, moet daarvan in cassatie (ten minste veronderstellenderwijs) worden uitgegaan, zodat eens temeer de zelfstandigheid van de chapters ten opzichte van No Surrender kan worden aangenomen (nr. 2.3).
Startpunt is de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad, waarin onder meer het volgende is overwogen: [61]
Het hof beoordeelt in rov. 3.22-3.35 van de beschikking, mede aansluitend op rov. 3.4, [62] of de chapters en brotherhoods zijn aan te merken als informele verenigingen, welke vraag het hof van belang acht, omdat een verbod ten aanzien van No Surrender zich niet uitstrekt tot haar chapters en (of) brotherhoods als die zelf als rechtspersonen moeten worden aangemerkt (rov. 3.22), [63] en waarbij het hof, klaarblijkelijk [64] aansluiting zoekend bij die Bandidos-beschikking van de Hoge Raad, onder meer vooropstelt (rov. 3.23):
geensprake is van afzonderlijke verenigingen. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat de rechter op grond van alle omstandigheden van het geval een afweging maakt tussen de mate van zelfstandigheid van de chapters en brotherhoods ten opzichte van No Surrender enerzijds en anderzijds de aard en omvang van de invloed van No Surrender op die groepen. Uitgangspunt is daarbij altijd dat een informele vereniging leden heeft, is gericht op een bepaald doel, en zelfstandig aan het rechtsverkeer deelneemt. Dat veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt ook af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende taken vervullen ten behoeve van het zelfstandige lichaam, dat er ledeninspraak is, dat gelden worden ingezameld of contributie wordt geheven, dat een bankrekening wordt aangehouden op naam van het zelfstandige lichaam of dat er een gemeenschappelijke kas is.”
uitzonderingdaarop, waar hij vertelt dat hij als enige president van No Surrender tegen de andere presidenten is ingegaan.
formeleverenigingen. De discussie spitst zich wat hen betreft dus evenzeer toe op de vraag of het wel
informeleverenigingen zijn. Dat is niet het geval, want wat voor de chapters geldt, geldt in nog grotere mate voor de brotherhoods: een eigen doelstelling ontbreekt, en er zijn geen beslissende feiten of omstandigheden aangevoerd of gebleken die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat zij als informele verenigingen zijn aan te merken. In tegendeel, de brotherhoods zijn ondergeschikt aan de chapters en kennen zelfs niet de vrijheden van de chapters. Daar is althans niets van gebleken.”
Uit art. 2:26 lid 1 BW Pro en de toelichting daarop volgt dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel” [onderstreping toegevoegd, A-G]). [75] , [76] Tegen deze achtergrond moet dan ook worden bezien ’s hofs slotsom (in rov. 3.28) dat “[d]it alles” de doorslag geeft bij de ontkennende beantwoording van de vraag of de chapters als zelfstandige verenigingen zijn aan te merken en dat uiteindelijk “dat” in de weg staat aan de conclusie dat de chapters als afzonderlijke verenigingen zijn aan te merken, waarbij het hof nog aantekent dat de omstandigheid dat de chapters vaak ook een eigen naam en (meestal) een clubhuis hebben bovendien een onontkoombaar gevolg is van het feit dat het om lokale afdelingen gaat, welke omstandigheid geen wezenlijk invloed heeft op de vraag of de chapters als verenigingen zijn aan te merken. [77] Voor zover de klacht uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze onjuist en mist de klacht daarmee feitelijke grondslag. [78] Dat de klacht nog weer separaat een of meer pijlen richt op specifiek dat springende punt en/of in het verlengde daarvan die slotsom, lees ik niet in de klacht. Uit het daarin opgemerkte omtrent de genoemde Bandidos-beschikking van de Hoge Raad [79] en de stellingname zijdens No Surrender, [80] of uit die Hoge Raad-beschikking zelf, volgt overigens ook niet dat wat het hof ter zake overweegt in de beschikking in cassatie de toets der kritiek niet kan doorstaan in termen van rechtsopvatting of motivering.
Kortom, met het voorgaande is gegeven dat wat de klacht aanvoert, niet meebrengt dat het hof “in strijd met de Bandidos-beslissing van de Hoge Raad, onder 3.4.1 en 3.6.3 en daarmee een te strenge eis” hanteert om het bestaan van een informele vereniging te kunnen vaststellen of ter zake onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeelt.
Hierop stuit de klacht af.
nrs. 2.4-2.5klaagt het onderdeel (kennelijk) dat de overweging dat leden van chapters voor de buitenstaander niet van elkaar zijn te onderscheiden maar wel, door het dragen van eigen ‘patches’ en eigen namen voor leden van No Surrender onderling, getuigt van een te strenge eis omdat uit niets uit de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad [81] blijkt dat een voor buitenstaanders niet waarneembaar onderscheid afbreuk kan doen aan het kunnen aannemen van een informele vereniging (nr. 2.4). Daarbij komt dat “een niet of nauwelijks waarneembaar onderscheidenheid” juist het doel kan zijn van een informele vereniging, zodat de maatstaf die het hof hier aanlegt ook om die reden niet, of niet zonder meer in deze opvatting kan worden gevolgd, aldus nog steeds het onderdeel (nr. 2.5).
Bij het oordeel of in een concreet geval sprake is van een informele vereniging is onder andere relevant, kort gezegd, of sprake is van een zelfstandig lichaam dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, zo volgt uit rov. 3.4.1 van de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad (weergegeven onder 3.21 hiervoor); is daarvan geen sprake, dan kan ter zake evenmin sprake zijn van een informele vereniging. Hieraan is inherent dat bij dat oordeel ook relevantie toekomt aan de wijze van presentatie van de desbetreffende organisatie naar de buitenwereld toe, zoals ook bevestiging vindt in rov. 3.6.2 van die Hoge Raad-beschikking (tevens weergegeven onder 3.21 hiervoor), waaruit blijkt: [82]
naar buitenoptreedt en deelneemt aan het rechtsverkeer.”
Kortom, met het voorgaande is gegeven dat wat de klacht aanvoert, niet meebrengt dat het hof “in strijd met de Bandidos-beslissing van de Hoge Raad, onder 3.4.1 en 3.6.3 en daarmee een te strenge eis” hanteert om het bestaan van een informele vereniging te kunnen vaststellen of ter zake onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeelt.
Hierop stuit de klacht af.
nrs. 2.6-2.10klaagt het onderdeel dat rechtens dan wel feitelijk onjuist is de overweging in rov. 3.27 van de beschikking dat niet is gebleken dat de chapters daadwerkelijk zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnemen, indien het hof heeft gemeend dat de door het hof in rov. 3.28 vastgestelde omstandigheid dat de chapters (meestal) een clubhuis hebben niet met zich brengt dat het hebben van een eigen clubhuis deelname inhoudt aan het rechtsverkeer (nr. 2.6). Immers, uit een dergelijk gebruik “blijkt perse” dat het de respectieve chapters toegestaan is van het desbetreffende pand gebruik te maken, zo poneert het onderdeel onder verwijzing naar (“Zie hiertoe”, etc.) de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (Vzr.) van 24 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2701, rov. 3.6 [86] (nr. 2.7). Het onderdeel memoreert dat die uitspraak is genoemd in noot 53 van de conclusie van A-G Vlas voor de (vorenbedoelde) Bandidos-beschikking van de Hoge Raad en dat die conclusie volgens No Surrender van belang is, omdat daarin onder 3.30 drie, in het bestuursrecht geformuleerde vereisten voor het bestaan van een informele vereniging zijn genoemd (nr. 2.8) en de Hoge Raad, naar uit die Bandidos-beschikking blijkt, die vereisten heeft overgenomen voor het civiele recht, reden waarom naar de mening van No Surrender “het enkele hebben, waaronder te verstaan: gebruik (mogen) maken, van een clubhuis”, deelname aan het rechtsverkeer impliceert (nr. 2.9). Het hof kon hierom niet, althans niet zonder nadere overweging, die ontbreekt, tot zijn oordeel komen, terwijl hierom evenmin “de toets der cassatiekritiek” kan doorstaan de overweging van het hof in rov. 3.28 “dat de chapters ook een eigen naam en (meestal) een clubhuis hebben, een onontkoombaar gevolg is van het feit dat het om lokale afdelingen gaat en dat op de vraag of ze als verenigingen zijn aan te merken, dat geen wezenlijke invloed heeft” (nr. 2.10).
Niet valt in te zien dat en waarom het enkele “hebben van een eigen clubhuis” noodzakelijkerwijs meebrengt dat, wat betreft de desbetreffende chapter, sprake is van een zelfstandig lichaam dat als zodanig - dus (als) zelfstandig (lichaam) - deelneemt aan het rechtsverkeer, zoals, naar volgt uit rov. 3.4.1 en 3.6.2 van de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad (weergegeven onder 3.21 hiervoor, en waarover ook onder 3.23 hiervoor), vereist is om ter zake te kunnen spreken van een informele vereniging. De vraag of sprake is van zo’n zelfstandige deelname aan het rechtsverkeer moet immers, ook in het onderhavige geval, naar het hof niet uit het oog verliest in de beschikking (mede gelet op rov. 3.23 en 3.26-3.28) en naar eveneens volgt uit rov. 3.4.1 (en 3.6.2) van die Hoge Raad-beschikking, (eveneens) worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval: [87]
Uit art. 2:26 lid 1 BW Pro en de toelichting daarop volgt dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel. Dit veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval.Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende taken vervullen ten behoeve van het zelfstandige lichaam, dat er ledeninspraak is, dat gelden worden ingezameld of contributie wordt geheven, dat een bankrekening wordt aangehouden op naam van het zelfstandige lichaam of dat er een gemeenschappelijke kas is. Opmerking verdient nog dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat aan het bestaan van een informele vereniging niet te zware eisen moeten worden gesteld.”
[onderstreping toegevoegd, A-G]
in het onderhavige geval, niettegenstaande ál hetgeen het hof in de beschikking overweegt en daarbij aan omstandigheden van het geval betrekt (mede in rov. 3.24-3.27), waarover nader onder 3.21 hiervoor, [92] de enkele omstandigheid dat de chapters “(meestal) een clubhuis hebben” (die het hof onderkent in rov. 3.28), zo al juist, maakt dat bij de chapters opeens wel sprake is van
zelfstandige lichamen die als zodanig- dus (als) zelfstandig (lichaam) - deelnemen aan het rechtsverkeer, dus van lichamen die
als zelfstandige eenheden naar buiten optreden en deelnemen aan het rechtsverkeer, zoals bedoeld in de genoemde Hoge Raad-beschikking (rov. 3.4.1 en 3.6.2), zodat de chapters opeens wel als zelfstandige, van (de informele vereniging) No Surrender te onderscheiden verenigingen (informele verenigingen) zijn aan te merken.
Kortom, met het voorgaande is gegeven dat wat de klacht aanvoert, niet meebrengt dat het hof “in strijd met de Bandidos-beslissing van de Hoge Raad, onder 3.4.1 en 3.6.3 en daarmee een te strenge eis” hanteert om het bestaan van een informele vereniging te kunnen vaststellen of ter zake onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeelt.
Hierop stuit de klacht af.
nr. 2.11stelt het onderdeel nog dat van belang is dat het hof de chapters en brotherhoods als belanghebbenden heeft aangemerkt, omdat daaruit evenzeer blijkt dat de chapters en brotherhoods rechtspersoonlijkheid bezitten, nu zij door deel te nemen aan deze procedure, deel hadden kunnen nemen aan het rechtsverkeer. Het hof heeft deze omstandigheid ten onrechte niet meegewogen, althans zijn oordeel dat deze omstandigheid hier niet van belang is, is ten onrechte niet gemotiveerd.
Aan het slot van de mondelinge behandeling ter zitting van 11 september 2020 heeft de voorzitter van het hof het volgende opgemerkt: [98]
Het enkele feit dat na oproeping door het hof twee advocaten voor deze chapter zijn opgetreden, dwingt niet tot een andere conclusie.”
[onderstreping toegevoegd, A-G]
Naar besloten ligt in ’s hofs beschikking, waaronder rov. 3.24-3.33, geldt gegeven hetgeen het hof daar overweegt ten aanzien van de ondanks oproeping als belanghebbenden niet verschenen chapters (dus behoudens Los Hermanos), en in lijn met dat overwogene inzake de chapter Los Hermanos, dat het enkele feit dat een of meer advocaten voor die chapters hadden kunnen optreden als zij na oproeping als belanghebbenden door het hof wel waren verschenen, wat zij dus niet hebben gedaan, niet dwingt tot een andere conclusie dan dat in de gegeven omstandigheden uit niets blijkt dat zij zelfstandig aan het maatschappelijk verkeer deelnemen (of in de woorden van rov. 3.27 van de beschikking: op geen enkele manier is gebleken dat de chapters “daadwerkelijk zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnemen”), zoals bedoeld door het hof. Dat bij deze stand van zaken, en gezien het voorgaande, het hof gehouden was tot een nog weer nadere motivering ter zake valt niet in te zien, waarbij ik ook betrek dat die andere chapters dan Los Hermanos dus (ook na oproeping als belanghebbenden door het hof) niet zijn verschenen en dat de klacht niet aanvoert, laat staan met verwijzing naar enige stelling (met vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties), dat door No Surrender en/of de chapter Los Hermanos ter zake nog meer of anders is aangevoerd waarop het hof te responderen had. Dit alles geldt temeer voor de brotherhoods (die dus, ondanks oproeping als belanghebbenden door het hof, evenmin zijn verschenen), gelet op rov. 3.35 waarin het hof vaststelt dat de discussie zich ook wat hen betreft toespitst op de vraag of het wel informele verenigingen zijn en dat dit niet het geval is, “want wat voor de chapters geldt, geldt in nog grotere mate voor de brotherhoods”. [102]