Conclusie
Nummer21/02100 U
Inleiding
Het middel
i)het oordeel van de rechtbank dat de stukken genoegzaam zijn en de uitlevering toelaatbaar is en
ii)de afwijzing door de rechtbank van het verzoek tot aanhouding. De klachten van het middel houden verband met het ter zitting van de rechtbank door de verdediging ingenomen standpunt dat de opgeëiste persoon niet dient te worden uitgeleverd omdat vooralsnog kan worden volstaan met het in Nederland horen van de opgeëiste persoon in het kader van een rechtshulpverzoek. Het oordeel dat de stukken genoegzaam zijn en de uitlevering toelaatbaar is, is volgens de steller van het middel onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd “nu de rechtbank acht heeft geslagen op stukken die dateren van na het uitleveringsverzoek waarin de Turkse rechter aangeeft dat het uitleveringsverzoek kan worden vervangen door een rechtshulpverzoek indien het adres van de opgeëiste persoon wordt overlegd en dit adres is overlegd”. Verder heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging om de behandeling van de zaak aan te houden “om nader onderzoek te doen naar de gang van zaken en de mogelijkheid van een verhoor van cliënt in Nederland" ten onrechte, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd afgewezen, aldus de steller van het middel.
[…]
Uit de stukken die de verdediging ter terechtzitting heeft overgelegd leidt de rechtbank af dat door de Turkse rechtbank op de zitting van 19 november 2019 is bevolen dat het gewenste verhoor van de opgeëiste persoon via een rechtshulpverzoek kan plaatsvinden. De rechtbank ziet echter op grond van het voorgaande geen reden om de zaak aan te houden voor het stellen van nadere vragen aan de Turkse autoriteiten teneinde nadere informatie te verkrijgen omtrent een eventuele rechtshulpverzoek, zoals door de verdediging is verzocht. Wel ziet de rechtbank hierin aanleiding om de minister dringend te adviseren om na te vragen bij de Turkse autoriteiten of het horen van de opgeëiste persoon alsnog mogelijk is en of dit verhoor via videoverbinding zou kunnen plaatsvinden, zodat de opgeëiste persoon vooralsnog in Nederland zal kunnen verblijven.”