Conclusie
eiser tot cassatie,
advocaat: J.P. Heering
verweerster in cassatie.
niet verschenen.
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
primairdat zij [B] is,
subsidiairdat zij onder eigen naam optreedt krachtens een aan haar door [B] verstrekte last, en
meer subsidiairdat [B] haar vorderingen op de kopers ter zake van de bankgarantie aan haar heeft gecedeerd en zij in de procedure dus optreedt als rechthebbende met betrekking tot die vordering. [4]
Geïntimeerden 2 t/m 7, 9 t/m 12 en 14 hebben gesteld dat indien sprake is van een rechtsgeldige cessie, [A] op grond daarvan inderdaad bevoegd is ten dezen op te treden. Zij voeren echter aan dat bedoelde akte ter comparitie alleen aan de rechtbank en niet aan hen is verstrekt, zodat zij niet kunnen vaststellen of een rechtsgeldige cessie heeft plaatsgevonden. Het hof stelt vast dat de akte niet aan het proces-verbaal van comparitie is gehecht en ook overigens geen onderdeel uitmaakt van de in hoger beroep aan het hof overgelegde stukken. Onder deze omstandigheden ziet het hof aanleiding te bepalen dat [A] de akte van 7 oktober 2015 alsnog in het geding zal moeten brengen, waarna geïntimeerden 2 t/m 7, 9 t/m 12 en 14 in de gelegenheid zullen worden gesteld zich omtrent de inhoud daarvan bij akte nader uit te laten. Indien komt vast te staan dat sprake is van een rechtsgeldige cessie moet het er voor gehouden worden dat de vordering van [B] op Kopers op 7 oktober 2015 is overgedragen aan [A] en dat laatstgenoemde in deze procedure optreedt als rechthebbende op die vordering. (…)”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.4, nu [eiser] in eerste aanleg eveneens een ontvankelijkheidsverweer heeft gevoerd en niet valt in te zien waarom daarmee niet eveneens rekening is te houden.
onder 1.6nog aanvullende klachten.
voor het eerstin hoger beroep aanvoert. De ratio van art. 139 Rv Pro doet zich immers, als geïntimeerde tevens gedaagde in hoger beroep alsnog verstek laat gaan, onverkort voor ten aanzien van de gronden en feiten die appellant voor het eerst in hoger beroep aanvoert. [37]
nogmaalsdoor (…) geïntimeerden 2 t/m 7, 9 t/m 12 en 14 uitdrukkelijk aan de orde gesteld”; en in rov. 2.14: “in een geval als dit, waarin (…) geïntimeerden 2 t/m 7, 9 t/m 12 en 14 (…)
vanaf de comparitie van partijende rechtsgeldigheid van de cessie hebben
weersproken”; cursivering toegevoegd). Deze uitleg – die van feitelijke aard is en mij in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk lijkt (aan te nemen valt immers dat alle gedaagden hebben bedoeld hetzelfde verweer te voeren) – wordt in cassatie niet bestreden.