Conclusie
1.Feiten
Flextime) heeft personeel uitgeleend aan [eiseres] B.V. (hierna:
[eiseres]) voor werkzaamheden in de slachterijen van [eiseres] . Voor haar diensten heeft Flextime aan [eiseres] drie facturen gestuurd: een factuur van 13 oktober 2010 voor een bedrag van € 99.224,19 (factuur: 10-105-0106) en twee facturen van 11 november 2010 voor achtereenvolgens een bedrag van € 88.575,48 (factuur 10-105-0110) en € 85.036,50 (factuur 10-105-0111). De facturen zijn geheel of gedeeltelijk onbetaald gebleven.
[betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]).
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) gedaagd en gevorderd [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 272.823,16, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf de vervaldatum van de facturen, althans vanaf de datum van betekening van de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, en tot veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten alsmede wettelijke rente over de proceskosten.
tussenvonnis) heeft de rechtbank, onder meer en kort gezegd, overwegingen gegeven inzake:
hof) het tussenvonnis vernietigt en de vorderingen van Flextime afwijst, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Flextime in de werkelijke proceskosten in beide instanties dan wel dat het hof de zaak terugverwijst naar de rechtbank, met veroordeling van Flextime in de werkelijke proceskosten in hoger beroep.
arrest) in het dictum, recht doende in hoger beroep, tot vernietiging van het tussenvonnis en veroordeling van [eiseres] tot:
€ 30.000,- reeds is verrekend; [eiseres] wordt in de gelegenheid gesteld de na 4 oktober 2010 van Flextime ontvangen facturen over te leggen (4.9-4.10).
4. Op de vordering van Flextime strekt een bedrag van € 7.640,92 in mindering wegens eerder betaalde voorschotten (4.12).
6. [eiseres] is (voor het overige) wettelijke rente verschuldigd omdat zij reeds in verzuim was voorafgaand aan de onder haar gelegde (derden)beslagen en de gestelde verrekening middels de brief van 27 oktober 2010 onvoldoende is onderbouwd (4.16- 4.19).
7. Het beroep op verrekening met diverse gestelde schadeposten, is afgewezen omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd (4.20-4.26).”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Procesreglement) geldt dat het hof de zaak na de laatste zitting verwijst naar een roldatum op een termijn van twee weken voor het overleggen door partijen van een kopie van hun procesdossier conform art. 5.2 Procesreglement. Nu [eiseres] geen arrest vroeg, terwijl (de advocaat van) Flextime geen procesdossier had overgelegd, was geen sprake van het overleggen “
door partijen” van een kopie van hun procesdossier en had het hof de zaak naar de rol moeten verwijzen conform art. 5.2 en 5.3 Procesreglement. “Het hof heeft dit miskend dan wel is zijn oordeel onbegrijpelijk”, omdat daaruit niet blijkt dat beide partijen een procesdossier hadden overgelegd. [3]
Bij tussenarrest van 28 juli 2020 heeft het hof overwogen dat [eiseres] het procesdossier in viervoud heeft overgelegd (rov. 2.2), een meervoudige comparitie van partijen gelast en in dat verband bepaald dat indien een partij nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen bij gelegenheid van de comparitie, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen.
Bij brief van [eiseres] van 28 september 2020 gericht aan het hof heeft [eiseres] een nadere productie (14) overgelegd alsmede kenbaar gemaakt een kopie van deze brief met productie aan de advocaat van Flextime te sturen.
Tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep, welke blijkens het proces-verbaal daarvan heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2020, heeft de voorzitter onder meer:
22 december 2020.”
in nr. 2- nr. 1 bevat geen klacht - over rov. 2.4 arrest, als weergegeven onder 3.2-3.3 hiervoor.
Rov. 2.4 arrest dient te worden gelezen mede in het licht van rov. 2.1-2.3 arrest alsook het Procesreglement, de aanloop naar de comparitie van partijen d.d. 12 oktober 2020 en het verhandelde ter die comparitie als blijkend uit het proces-verbaal van die comparitie, waarover onder 3.5-3.7 hiervoor. In rov. 2.4 arrest brengt het hof m.i. tot uitdrukking dat het komt tot een verwerping van het standpunt van [eiseres] dat geen arrest kan worden gewezen (waarover rov. 2.3 arrest), nu:
Voor zover het onderdeel uitgaat van een andere lezing van het arrest, is deze onjuist en mist het onderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het onderdeel in nr. 2 met feitelijke grondslag klaagt dat ’s hofs oordeel in rov. 2.4 arrest getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof, nu [eiseres] geen arrest vroeg, terwijl (de advocaat van) Flextime geen procesdossier had overgelegd, er geen sprake was van het overleggen “door partijen” van een kopie van hun procesdossier, de zaak had moeten verwijzen naar de rol overeenkomstig art. 5.2 en 5.3 Procesreglement, ziet het onderdeel voorbij aan hetgeen het hof aldaar in werkelijkheid overweegt - waarover hiervoor - en dat het hof, gegeven die omstandigheden van het geval, ook kon oordelen zoals het doet dat er geen aanleiding is voor een nadere rolverwijzing als bedoeld in art. 5.1 Procesreglement (en in het verlengde daarvan toepassing van art. 5.2 en 5.3 Procesreglement), nu dat dus geen redelijk doel en belang meer dient. Anders gezegd: onder dit gesternte kon het hof oordelen, zoals het doet, dat het Procesreglement hier niet dwingt tot zo’n nadere rolverwijzing als bedoeld in art. 5.1 Procesreglement, welke verwijzing blijk zou geven van excessief formalisme - ook al had Flextime, anders dan [eiseres] , geen procesdossier overgelegd. [19] De rechtsklacht strandt dus. Voor zover het onderdeel in nr. 2 met feitelijke grondslag klaagt dat ’s hofs oordeel in rov. 2.4 arrest onbegrijpelijk is, omdat daaruit niet blijkt dat beide partijen een procesdossier hadden overgelegd, ziet het eraan voorbij dat ’s hofs oordeel dus goed navolgbaar is ook zonder dat daaruit blijkt dat beide partijen een procesdossier hadden overgelegd (wat dus rechtens niet was vereist en waarvan het hof dus niet uitgaat). Daarmee strandt ook de motiveringsklacht.
Het onderdeel klaagt in nr. 4 als volgt:
Het onderdeel vervolgt in nr. 6 met de klacht dat het oordeel dat Flextime ex art. 2:19 lid 5 BW Pro voort bestond voor zover dat voor de vereffening nodig was, bovendien onjuist of onbegrijpelijk is in het licht van de - door partijen onbestreden - omstandigheid dat sprake is van heropening van de vereffening op basis van art. 2:23c lid 1 BW. Toepassing van deze bepaling impliceert immers dat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan en pas na heropening herleeft.
Het onderdeel sluit af, in nr. 7, met de klacht dat het slagen van de klachten in dit onderdeel meebrengt dat de voortbouwende conclusie dat aan de sommaties in 2014 en 2015 stuitende werking toekomt niet in stand kan blijven, nu deze gedurende het tijdstip zijn verzonden waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan. [25]
Naar de kern genomen oordeelt het hof in rov. 4.3 arrest inzake de
primairegrondslag van [eiseres] stelling als weergegeven in rov. 4.2 arrest dat zij, bezien tegen de achtergrond:
subsidiairegrondslag van [eiseres] stelling als weergegeven in rov. 4.2 arrest langs dezelfde lijn (“Datzelfde geldt”, etc.), aldus dat zij onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat Flextime reeds in oktober 2010 is opgehouden te bestaan bij gebrek aan baten (art. 2:19 lid 4 BW Pro), nu [eiseres] ter onderbouwing daarvan verwijst naar de brief van 27 oktober 2010 waarin een beroep op verrekening zou zijn gedaan, maar het hof met de rechtbank van oordeel is dat die brief onvoldoende aanleiding geeft voor het oordeel dat de vorderingen van Flextime door verrekening teniet zijn gegaan. Ook dat beroep op die brief laat dus onverlet dat Flextime gelet op art. 2:19 lid 5 BW Pro is blijven voortbestaan voor zover nodig voor de vereffening van haar vermogen.
“Dat betekent”, aldus het hof aan het slot van rov. 4.3 arrest, “dat niet is komen vast te staan dat Flextime is opgehouden te bestaan” (oftewel dat Flextime gelet op art. 2:19 lid 5 BW Pro, na die ontbinding, is blijven voortbestaan voor zover nodig voor de vereffening van haar vermogen), zodat aan de sommaties in 2014 en 2015 stuitende werking toekomt. Daarbij tekent het hof aan dat in hoger beroep de ontvangst van deze sommaties niet langer wordt betwist. [29] Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van Flextime niet zijn verjaard. De overige stellingen en verweren behoeven bij deze stand van zaken geen bespreking. Grief 2 faalt, aldus nog steeds het hof aldaar.
Voor zover het onderdeel uitgaat van een andere lezing van het arrest, is deze onjuist en mist het onderdeel daarmee feitelijke grondslag. Ik wijs er nog op dat het hof alleen vaststelt als datum van ontbinding van Flextime de datum waarop zij door de Kamer van Koophandel is ontbonden ex art. 2:19a BW, te weten 12 juni 2013: zie rov. 3.1.5 en 4.3 arrest. Zonder een eerdere (datum van) ontbinding van Flextime kan er reeds daarom geen sprake zijn van een ophouden te bestaan van Flextime al in oktober 2010 “bij gebrek aan baten (art. 2:19 lid 4 BW Pro)”, waarop het hof doelt in rov. 4.3 arrest onder verwijzing naar de daartoe strekkende (subsidiaire) stelling van [eiseres] als weergegeven in rov. 4.2 arrest; toepassing van art. 2:19 lid 4 BW Pro veronderstelt immers dat de desbetreffende rechtspersoon is ontbonden. Ik wijs er ook nog op dat rov. 4.2 arrest in cassatie niet wordt bestreden. Voor zover het onderdeel wel feitelijke grondslag heeft, geldt het volgende.
Anders dan het onderdeel veronderstelt
in nr. 4, staat hetgeen het onderdeel daar aanvoert niet in de weg aan ’s hofs oordeel ter zake in rov. 4.3 arrest. Het hof is en acht zich daarbij, gezien art. 236 Rv Pro en het partijdebat in de onderhavige procedure in feitelijke instanties, [30] niet gebonden aan hetgeen de rechtbank Overijssel heeft overwogen in haar beschikking van 30 september 2015, uitmondend in de op art. 2:23c lid 1 BW gebaseerde heropening van de vereffening van het vermogen van Flextime onder benoeming van de voormalige bestuurders van Flextime - [betrokkene 1] en [betrokkene 2] - tot vereffenaars (waarover dus ook rov. 3.1.5 arrest), dus ook niet - en dat is hier in het bijzonder relevant - voor zover de rechtbank daarin ervan zou zijn uitgegaan dat Flextime is opgehouden te bestaan op een moment dat eerder in tijd ligt dan de in rov. 4.2 arrest bedoelde sommaties in 2014 en 2015 en eerst is ‘herleefd’ (ter afwikkeling van de heropende vereffening) met die beschikking gezien art. 2:23c lid 1 BW. [31] , [32] Het stond het hof vrij, op basis van een feitelijke beoordeling [33] met inachtneming ook van het partijdebat, [34] zelf te bezien, zoals het doet, of [eiseres] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat Flextime ten tijde van de sommaties in 2014 en 2015 niet (meer) bestond, zodat de in die periode verzonden sommaties stuitende werking missen, omdat het vermogen van Flextime toentertijd reeds was vereffend. Gelet op dat oordeel van het hof komt aan art. 2:23c lid 2 BW, specifiek de verwijzing daarin naar het “tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan”, hier evenmin relevantie toe. Daarop strandt de rechtsklacht in nr. 4 van het onderdeel.
Gegeven hetgeen het hof overweegt in rov. 4.3 arrest bestond er voor het hof geen aanleiding nog weer nadere aandacht te besteden aan de stellingen van [eiseres] als bedoeld
in nr. 5van het onderdeel, [35] dat voor zover het voortbouwt op de klacht in nr. 4 van het onderdeel reeds daarop strandt, omdat het in zoverre deelt in het lot van die klacht, waarover hiervoor. Uit die overwegingen van het hof blijkt immers, kort gezegd, dat naar ’s hofs gemotiveerde oordeel aangenomen dient te worden dat Flextime weliswaar is ontbonden op 12 juni 2013 door de Kamer van Koophandel op grond van art. 2:19a BW, maar niet is opgehouden te bestaan, want gelet op art. 2:19 lid 5 BW Pro is blijven voortbestaan voor zover nodig voor de vereffening van haar vermogen (anders dan [eiseres] heeft aangevoerd en niettegenstaande ook de beschikking van de rechtbank Overijssel van 30 september 2015, waarover rov. 3.1.5 arrest), [36] zodat evenmin opgaat de stelling van [eiseres] “dat er gedurende deze periode van non-existentie [waarmee, ook in nr. 5 van het onderdeel, wordt gedoeld op de periode tussen “het moment van ontbinding” en “30 september 2015 (datum beschikking heropening)”, A-G] niet rechtsgeldig kan zijn aangemaand, omdat er geen vennootschap, dus geen bestuurder en geen vereffenaars waren om een rechtsgeldige opdracht tot aanmaning te geven.” Hier is derhalve, bij de in rov. 4.3 arrest gegeven stand van zaken, geen sprake van essentiële stellingen van [eiseres] waarop het hof nog weer nader had behoren in te gaan in het kader van “de vraag of er rechtsgeldig is gestuit”, als bedoeld in nr. 5 van het onderdeel, ook niet “mede gelet” op hetgeen in nr. 4 van het onderdeel is aangevoerd. Daarop strandt de motiveringsklacht in nr. 5 van het onderdeel.
De rechts- en motiveringsklachten
in nr. 6van het onderdeel [37] sneven in het voetspoor van de klachten in nrs. 4-5 van het onderdeel. Gezien het voorgaande valt ’s hofs oordeel dat Flextime op de voet van art. 2:19a BW voortbestond voor zover dat voor de vereffening van haar vermogen nodig was immers evenmin als onjuist of onbegrijpelijk aan te merken op grond van hetgeen daartoe in nr. 6 van het onderdeel wordt aangevoerd, neerkomend op een verwijzing naar - het door partijen onbestreden zijn van - de enkele omstandigheid dat de rechtbank Overijssel in haar beschikking van 30 september 2015 de vereffening heeft heropend op basis van art. 2:23c lid 1 BW, wat impliceert (“Toepassing van deze bepaling impliceert immers”, etc.) dat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan en pas na heropening herleeft. Dit behoeft geen verdere toelichting.
De klacht
in nr. 7van het onderdeel deelt in dit lot van nrs. 4-6 van het onderdeel, nu deze klacht slechts een voortbouwend karakter heeft, aldus dat het slagen van “de klachten in dit onderdeel” - wat niet anders kan zijn dan de klachten in nrs. 4-6 van het onderdeel, die alle dus stranden - meebrengt dat “de voortbouwende conclusie” van het hof in rov. 4.3 “dat aan de sommaties in 2014 en 2015 stuitende werking toekomt” niet in stand kan blijven, nu deze gedurende het tijdstip zijn verzonden waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan. [38] Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
Hierop stuit het onderdeel af.
in liquidatie” bevatten, zodat evenmin sprake is van een rechtsgeldige stuiting. [40] Nu deze toevoeging ontbrak, zijn de stuitingshandelingen niet in de voorgeschreven vorm verricht en daardoor nietig ex art. 3:39 BW Pro. [41] Het hof heeft dat miskend.
Het onderdeel voegt daaraan toe, in nr. 9:
Het onderdeel wijst
in nr. 8op de nrs. 45, 47 en 48 van de memorie van grieven, waarin [eiseres] het volgende heeft aangevoerd:
Gegeven het stranden van de klachten in nrs. 4-7 van onderdeel 2A (zie onder 3.12 hiervoor) en van de klacht in nr. 8 van het onderhavige onderdeel, is evenmin succesvol de klacht
in nr. 9van het onderhavige onderdeel, die immers ten onrechte veronderstelt dat er - nu het hof verder niet overweegt of constateert dat andere (wel geldige en door [eiseres] ontvangen) stuitingshandelingen zijn verricht - geen grond is voor ’s hofs conclusie in rov. 4.3 arrest dat de vorderingen van Flextime niet zijn verjaard. Gegeven de voorgaande behandeling van onderdelen 2A en 2B, is alleszins begrijpelijk waarom het hof daar tot die conclusie komt. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit het onderdeel af.
Bij dagvaarding heeft Flextime veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 272.823,16 gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de facturen, althans vanaf de datum van betekening van de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening. [47] Bij akte d.d. 12 september 2018 heeft [eiseres] aangevoerd, kort gezegd, dat zij lange tijd niet kon betalen, omdat de G-rekening van Flextime niet (meer) bestond, en dat zij van oordeel is dat zij (ook) over die periode terecht heeft opgeschort en geen wettelijke rente verschuldigd is. [48] De rechtbank heeft in het tussenvonnis, voor zover thans relevant, als volgt overwogen en geoordeeld omtrent de betaling op de G-rekening en de wettelijke rente in dat verband: (rov. 4.13-4.15)
G-rekening
Het hof onderkent in rov. 3.3 arrest dat [eiseres] mede in (tussentijds) hoger beroep is gekomen van rov. 4.13-4.15 tussenvonnis, meer specifiek met grief 4, [50] waarop het hof ingaat in rov. 4.5 arrest:
(…)
5. Flextime verkeert in schuldeisersverzuim zolang zij niet voorziet in een G-rekening waarop [eiseres] kan voldoen aan de overeengekomen wijze van betaling; [eiseres] is geen wettelijke rente verschuldigd over het gedeelte dat zij dient over te maken naar de G-rekening (4.13-4.15).
(…)”
In rov. 4.7 arrest (waarin de kwestie van betaling op de G-rekening niet speelt), geciteerd onder 2.10 hiervoor, verwerpt het hof grief 5 van [eiseres] , waarmee zij, in de woorden van het hof in rov. 4.6 arrest:
Ik wend mij nu tot het onderdeel. De rechts- en motiveringsklachten
in nr. 11van het onderdeel - nr. 10 bevat geen klacht - veronderstellen dat het hof in rov. 5.2 en 6.2 arrest een oordeel geeft dat strijdig is met rov. 4.15, laatste drie zinnen tussenvonnis, waar de rechtbank dus overwoog, in hoger beroep onbestreden:
Hierop stuit het onderdeel af.