Conclusie
[…] /De Staaten
Rederij Volendam-Marken Express B.V./Gemeente Waterland, en art. 40 van Pro het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut) is het hof tot de slotsom gekomen dat het oordeel van de belastingrechter niet alleen de weg naar de burgerlijke rechter in Nederland afsluit, maar ook de weg naar de burgerlijke rechter in Curaçao.
1.Feiten en procesverloop
De Vennootschap en Yvomante hebben geen verweerschrift ingediend.
Malone c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping.
Zowel de Ontvanger en de Inspecteur als Malone c.s. hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.
De Ontvanger en de Inspecteur hebben gerepliceerd.
Malone c.s. hebben gedupliceerd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1heeft betrekking op de eerste twee volzinnen van rov. 3.8. Volgens het subonderdeel miskent het hof aldaar dat art. 40 van Pro het Statuut niet mede geldt voor rechterlijke uitspraken van de aard als de onderhavige, te weten uitspraken van de belastingrechter. Het subonderdeel betoogt, samengevat, dat art. 40 van Pro het Statuut een regel van interregionaal privaatrecht geeft en niet op de gedachte berust dat het Koninkrijk wat betreft de vatbaarheid voor "tenuitvoerlegging" (alsmede bindende kracht en bewijskracht) van binnen het Koninkrijk gegeven uitspraken van de belastingrechter als één rechtsgebied moet worden beschouwd. Art. 40 van Pro het Statuut heeft, aldus het subonderdeel, in ieder geval geen gevolgen voor de taakverdeling (verhouding) tussen de Nederlandse belastingrechter en de burgerlijke rechter in Curaçao (het Koninkrijk kan wat betreft die taakverdeling niet als één rechtsgebied worden beschouwd).
subonderdeel 1.2geeft de derde volzin van rov. 3.8 blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat uit het gesloten stelsel van rechtsbescherming in het belastingrecht niet volgt dat er
in beginsel– behoudens een beperkte uitzondering –
geenplaats is voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter. Er is
in beginsel, als er niet in een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is voorzien, juist
wélplaats voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter, aldus het subonderdeel.
wélplaats is voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter ten aanzien van de vraag of de Vennootschap nog bestond, ook indien wordt gelet op de door het hof bedoelde rechtspraak
[…] /De Staaten
Rederij Volendam-Marken Express B.V./Gemeente Waterland. Deze rechtspraak heeft volgens het subonderdeel slechts betrekking op voorvragen die zien op de uitleg of rechtsgeldigheid van een
overeenkomst(bevoegdhedenovereenkomst en/of fiscale vaststellingsovereenkomst). Die rechtspraak is niet van toepassing op het onderhavige geval dat betrekking heeft op de voorvraag of een vennootschap – naar Curaçaos recht – nog bestaat of bestond. Die vraag behoort typisch tot het werkterrein van de burgerlijke rechter, in het bijzonder die op Curaçao, die als een gespecialiseerde rechter kan worden beschouwd (en ook bevoegd is tot heropening van de vereffening). Bovendien gaat het in de genoemde rechtspraak – anders dan in een geval als het onderhavige (zie ook onderdeel 2) – om gevallen waarin niet is gebleken dat de eiser in het geding bij de burgerlijke rechter enig ander belang nastreeft dan het ter discussie stellen van (aan de eiser) opgelegde belastingaanslagen.
Groningen/Raatgeveren
SER/NVV, (iv) de op de rechtspraak gegeven commentaren en (v) (de strekking van) art. 40 van Pro het Statuut.
Geschil13. In geschil is of [de Inspecteur] terecht en tot de juiste bedragen de onderhavige belastingaanslagen heeft opgelegd. Daarbij zijn in ieder geval de volgende deelvragen te onderscheiden: - Is [de Vennootschap] opgehouden te bestaan, en zo ja welke gevolgen heeft dit voor de ontvankelijkheid van het bezwaar en het beroep?
- Indien [de Vennootschap] is opgehouden te bestaan: zijn de informatiebeschikkingen op juiste wijze en aan de juiste (rechts)persoon opgelegd?
- Is de beslistermijn overschreden?
Geschil
Het bestaan van [de Vennootschap]
Rederij Volendam-Marken Express B.V./Gemeente Waterland [17] ) en van 21 april 2006 (
[…] /De Staat [18] ) analoog toegepast en geoordeeld dat de gevraagde verklaring voor recht een onderwerp behelst waarover de Nederlandse belastingrechter zich ook een oordeel diende te vormen. Het GEA heeft daarnaast met zoveel woorden overwogen dat de Ontvanger en de Inspecteur klaarblijkelijk enkel een verklaring voor recht hebben gevorderd om hun positie in de belastingprocedures die in Nederland aanhangig zijn, te versterken.
Het behoort daarnaast in beginsel tot de rechtsmacht van uitsluitend de belastingrechter om te beoordelen of belastingaanslagen en informatiebeschikkingen terecht zijn opgelegd. [25]
De in het onderhavige geval voorgeschreven speciale rechtsgang is de belastingrechter.
[…] /de Staat) en van 16 juni 2017 (
Rederij Volendam-Marken Express B.V./Gemeente Waterland) verwezen.
In de zaak die leidde tot het arrest
[…] /de Staatwas primair en subsidiair een verklaring voor recht gevorderd met betrekking tot een met de Belastingdienst gesloten overeenkomst in de sfeer van de belastingheffing en het daarmee verband houdende standpunt van de Belastingdienst dat hij schenkingsrecht kan heffen. Dienaangaande oordeelde de Hoge Raad als volgt:
Rederij Volendam-Marken Express B.V./Gemeente Waterlandheeft de Hoge Raad het volgende beslist:
(…)”
[…] /De Staatingeslagen weg is gebleven en dat het gesloten stelsel van rechtsbescherming doorwerkt in het civiele recht zodat in het onderhavige geval geen verklaring van recht bij de burgerlijke rechter kan worden gevorderd. Volgens haar zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld welke rechter bevoegd is. Evenals Van Angeren merkt zij op dat de Hoge Raad expliciet overweegt dat ‘in het onderhavige geval’ geen grond is voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter, waarmee er nog steeds gevallen zijn waarin de burgerlijke rechter bevoegd is.
[…] /de Staaten
Rederij Volendam-Marken Express B.V./Gemeente Waterlanddient m.i. ook in het onderhavige geval te worden geoordeeld dat er is geen sprake is van een lacune in (civielrechtelijke) rechtsbescherming in de procedure bij de belastingrechter omdat de (voor)vraag of de Vennootschap heeft opgehouden te bestaan door de belastingrechter moet/kan worden beoordeeld en getoetst in het kader van zijn beoordeling van de opgelegde belastingaanslagen en informatiebeschikkingen. De belastingrechter is daarbij bevoegd om deze voorvraag volledig te toetsen en op dezelfde wijze als de civiele rechter doet, waarbij de belastingrechter daarnaast ook aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toetst. Het feit dat de vraag of een rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, een civielrechtelijke kwestie betreft, waarover de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen en waarover uitsluitend bij de civiele rechter een verklaring voor recht kan worden gevraagd, is m.i. dus niet van doorslaggevende aard, zodat er in beginsel dus geen plaats voor ingrijpen door de burgerlijke rechter (als restrechter). [30]
Uit het hierboven weergegeven verloop van de fiscale procedure, blijkt dat partijen dienaangaande een standpunt hebben ingenomen en dat de belastingrechter een oordeel heeft gevormd. Drie weken nadat de belastingrechter (in eerste aanleg) uitspraak heeft gedaan, wordt dezelfde vraag, in de vorm van een verklaring voor recht, voorgelegd aan de burgerlijke rechter in Curaçao.
Groningen/Raatgever. [31] Het ging in die zaak, in de bewoordingen van Van Angeren [32] , om de “principiële vraag of een burger die geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een voor bezwaar of beroep vatbaar zelfstandig schadebesluit waarbij is geweigerd vergoeding toe te kennen voor beweerdelijk door een onrechtmatig besluit veroorzaakte schade, bij de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk is als hij dezelfde schadevergoeding vervolgens vordert in een civiele procedure.” De Hoge Raad overwoog als volgt:
SER/NVV [34] , waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in het geval waarin door de hoogste bestuursrechter in een procedure tegen het bestuursorgaan dat de betrokken wetgeving uitvaardigde, is geoordeeld dat die wetgeving onverbindend is, dat bestuursorgaan en de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort, aan die uitspraak zijn gebonden in een civielrechtelijke geding, in die zin dat zij zich in beginsel niet op het standpunt kunnen stellen dat de betrokken wetgeving in dat geding voor verbindend moet worden gehouden. Het ter discussie stellen van dat oordeel bij de burgerlijke rechter komt volgens Snijders neer op een verkapt beroep tegen dat oordeel. [35]
Deinterregionaletaakverdeling/rechtsmachtverdeling tussen de burgerlijke rechter en de belastingrechter
[…] /de Staaten
Rederij Volendam-Marken Express B.V./Gemeente Waterlandde nationale taakverdeling/rechtsmachtverdeling tussen de burgerlijke rechter en de belastingrechter betreffen en dus niet gelden in een interregionaal geval als het onderhavige.
subonderdelen 2.1en
2.2voeren, kort samengevat, aan dat de gedingstukken geen andere conclusie toelaten dan dat uit de stellingen van de
Ontvangerwel degelijk blijkt dat de Ontvanger in dit geding een ander belang nastreeft dan “het ter discussie stellen van de betrokken belastingaanslagen en informatiebeschikkingen” en dat hetgeen de Ontvanger over dat belang heeft gesteld, geen betrekking heeft op de (in de fiscale procedure aan de orde zijnde) vraag of de belastingaanslagen (wat betreft het bestaan en de omvang van de belastingschuld) door de Inspecteur
juistzijn
vastgesteld(de
heffingvan de betrokken belastingen) noch op de vraag of de informatiebeschikkingen terecht zijn genomen (of de Inspecteur
met juistheidheeft
vastgestelddat – kort gezegd – niet of niet volledig is voldaan aan de wettelijke informatieverplichtingen). [43] In het verzoekschrift worden vervolgens tien stellingen van de Ontvanger weergegeven die door de Ontvanger zijn aangevoerd.
subonderdelen2.3 en 2.4 wordt, kort samengevat, geklaagd dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting indien en voor zover het hof van oordeel is dat “het ter discussie stellen van de eerdergenoemde belastingaanslagen” in de maatstaf die het hof heeft ontleend aan het arrest
Rederij Volendam-Marken Express B.V./Gemeente Waterland, rov. 3.6, (ook) betrekking heeft op (discussie over) de bekendmaking van de belastingaanslagen en de (verdere) invordering van de belastingen door de Ontvanger (en in het kader van het voorgaande de vraag naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid aan de zijde van de vennootschap).
[…] /de Staaten
Rederij Volendam-Marken Express B.V./Gemeente Waterlandvoortvloeiende regel m.i. ook te gelden indien de belastingrechter heeft geoordeeld over een met de belastingaanslagen en informatiebeschikkingen samenhangende civielrechtelijke voorvraag. Daarnaast brengen de arresten
Groningen/Raatgeveren
SER/NVVmee dat de door de Ontvanger en de Inspecteur gemaakte keuze om de belastingrechter te verzoeken een inhoudelijk oordeel te geven over de informatiebeschikkingen en in dat verband het standpunt in te nemen dat de Vennootschap niet heeft opgehouden te bestaan, de consequentie heeft dat zij niet meer ontvankelijk zijn bij de (aanvankelijk niet geadieerde) civiele rechter. En ten derde geldt genoemde rechtspraak m.i. ook in interregionaal verband.
Bij deze stand van zaken ontbreekt het belang bij de klachten van de subonderdelen 2.1 t/m 2.4 omdat het er dan niet (meer) toe doet welk belang de Ontvanger en de Inspecteur bij het hof hebben aangevoerd voor hun vordering tot verklaring voor recht.
Onderdeel 3 kan derhalve evenmin tot cassatie leiden.