Conclusie
1.Feiten
Propositie”, aan [eiser] verstrekt. [2]
ja”.
Overdrachtsbelasting” vermeld hoeveel en over welk bedrag de verkoper (Groza) bij de voorgaande verkrijging overdrachtsbelasting verschuldigd is geweest. Er staat ook hoeveel en over welk bedrag [eiser] overdrachtsbelasting is verschuldigd.
2.Procesverloop
als ik weet dat er morgen een perceel is wat gaat wijzigen van bestemming houd ik het liever zelf. Dan ga ik het niet aan u verkopen”.
Onderhavige brochure heeft niet de pretentie volledig te zijn. [eiser] kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat daarin over de te verwachten bestemmingswijziging van de door hem aangekochte percelen onjuiste dan wel onvolledige informatie is verstrekt waardoor hij op dat punt op het verkeerde been is gezet. Het feit dat ten aanzien van deze percelen een bestemmingswijziging op dit moment niet te verwachten is, is niet strijdig met door Groza en Aktua gedane mededelingen. De daarop betrekking hebbende bewijsaanbiedingen zijn dan ook niet terzake dienend. Dat van de zijde van Groza of Aktua concrete opbrengsten binnen afzienbare tijd zouden zijn voorgespiegeld, is gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, en in het licht van de brochures en de uitgewerkte gespreksverslagen door [eiser] onvoldoende concreet onderbouwd, zodat ook op dat punt niet aan bewijslevering wordt toegekomen.”
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
onderdelen I en IIzien op enkele feitenvaststellingen van het hof;
onderdelen III, IV en Vzien op de oordeelsvorming van het hof met betrekking tot Groza en Aktua; en
onderdelen VI en VIIzien op de oordeelsvorming van het hof met betrekking tot het notariskantoor en de notaris.
een waardevaste investering” [18] deed en dus weinig tot geen risico liep. In dit kader spelen twee aspecten van de investering een rol: de kans op bestemmingswijzigingen en de (intrinsieke) waarde van de percelen. Op beide onderwerpen hebben Groza en Aktua [eiser] wat mij betreft onjuist/onvolledig geïnformeerd:
De kans op bestemmingswijzigingen. Groza en Aktua hebben [eiser] geen garanties gegeven en ze hebben hem in algemene zin gewaarschuwd dat mogelijk geen bestemmingswijzigingen zullen plaatsvinden. Daar staat echter tegenover dat ze hem keer op het hart hebben gedrukt dat de percelen gunstig zijn gelegen en de verwachtingen hoog zijn. [19] Deze hoopgevende/geruststellende mededelingen hebben Groza en Aktua niet onderbouwd, anders dan door [eiser] van brochures met publiekelijk verkrijgbare informatie over de percelen te voorzien (rov. 3.13). Deze brochures bevatten echter niet een onderbouwde, deskundige visie van Groza en Aktua waarom nu juist bij
deze specifieke percelen(bijvoorbeeld in verhouding tot andere percelen die Groza te koop aanbood) de verwachtingen zo hooggespannen zijn. Door dit gebrek aan perceel-specifieke informatie heeft [eiser] (als terzake onervaren en ondeskundige particulier) niet goed kunnen nagaan of de mededelingen van Groza en Aktua wel klopten en heeft hij zelf geen goede inschatting kunnen maken van de kans op bestemmingswijzigingen.
De (intrinsieke) waarde van de percelen. Groza en Aktua hebben [eiser] gemeld dat hij in 2014 méér voor de percelen betaalde, dan de percelen op dat moment waard waren (Groza en Aktua moesten zelf immers ook wat aan de verkoop verdienen). Volgens Groza zou [eiser] deze meerkosten echter binnen vijf à zeven jaar terugverdienen, omdat ook zonder bestemmingswijziging de gronden elk jaar in waarde zullen stijgen. [20] In elk geval Groza (maar waarschijnlijk ook Aktua) heeft [eiser] derhalve voorgespiegeld dat zijn investering risicoloos was: ook zonder bestemmingswijzigingen zou hij immers na vijf à zeven jaar door verkoop van de percelen zijn aankoopbedrag kunnen terugverdienen. Het is nu zeven jaar later, maar het lukt [eiser] niet om de gronden te verkopen voor de prijs die hij er in 2014 voor heeft betaald. Dit zet vraagtekens bij de juistheid van de mededelingen die Groza (en Aktua) in dit kader heeft (hebben) gedaan.
waardevaste investering” deed, terwijl hij tegelijkertijd de kans had om veel geld te verdienen indien één of meer van de percelen wél (conform de verwachting van Groza en Aktua) van bestemming zou wijzigen.
onderdeel Idat het hof heeft miskend dat hij de (volgens het hof niet betwiste) feiten in rov. 2.10 in hoger beroep wél heeft bestreden. [eiser] heeft namelijk betoogd dat (i) hij de artikelen moest paraferen onmiddellijk
nadathij de koopovereenkomsten had getekend, (ii) hem geen tijd is gegund om de artikelen te lezen en (iii) Aktua en Groza de geparafeerde artikelen direct weer hebben meegenomen, zonder [eiser] daarvan een afschrift te geven. Volgens [eiser] werkt de onjuiste feitenvaststelling in rov. 2.10 door in rov. 3.35, waarin het hof – kort gezegd – heeft geoordeeld dat de notaris niet was gehouden de vergunningplicht van Groza uit eigen beweging te onderzoeken. Dit oordeel kan, aldus [eiser] , evenmin standhouden.
onderdeel IIdat onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof eraan is voorbijgegaan dat [eiser] de in rov. 2.15 en 2.16 vastgestelde feiten in hoger beroep heeft bestreden met de volgende essentiële stellingen: (i) [eiser] heeft zelf nooit documenten per post aan de notaris geretourneerd, (ii) medewerkers van Aktua brachten de te tekenen documenten bij [eiser] langs en namen ze vervolgens getekend weer mee, (iii) [eiser] heeft nooit contact gehad met de notaris, (iv) [eiser] heeft slechts éénmaal, met betrekking tot het perceel in Grubbenvorst, kort telefonisch contact gehad met een medewerker van het notariskantoor en (v) [eiser] heeft ten aanzien van de overige negen transacties geen contact gehad met de notaris of een andere medewerker van het notariskantoor. [eiser] betoogt dat de onjuiste feitenvaststellingen in rov. 2.15 en 2.16 doorwerken in rov. 3.36 en 3.37, waarin het hof – kort gezegd – heeft geoordeeld dat de notaris voldoende inspanningen heeft gepleegd om zich ervan te vergewissen dat [eiser] de inhoud en consequenties van de te verlijden akten begreep en overzag en op de notaris geen waarschuwingsplicht rustte. Deze oordelen kunnen, aldus [eiser] , evenmin standhouden.
voorafgaand aande totstandkoming van de koopovereenkomsten, kopieën van twee op internet gepubliceerde artikelen aan [eiser] hebben doen toekomen die door [eiser] aan Groza en Aktua zijn geretourneerd [21] , (ii)
[eiser]de volmachten en de leveringsakten ondertekend respectievelijk geparafeerd aan de notaris retour heeft gezonden (volgens [eiser] heeft een medewerker van Aktua dit gedaan) [22] en (iii) een medewerkster van de notaris naar [eiser] heeft gebeld om te verifiëren dat [eiser] de inhoud en consequenties van de
leveringen(meervoud) begreep (volgens [eiser] ging het gesprek slechts over de transactie in Grubbenvorst). [23] Gelet op deze betwistingen is het onbegrijpelijk dat het hof voornoemde gebeurtenissen als niet betwiste feiten heeft vastgesteld.
het aan te kopen perceel” is weliswaar slordig, maar laat zich verklaren doordat de brief in één dossier (het Grubbenvorst-dossier) is aangemaakt. [24] Ik acht het aannemelijk dat het hof, zonder dit in rov. 3.36 te expliciteren, het betoog van de notaris met betrekking tot het gesprek op en de brief van 26 maart 2014 overtuigender heeft geacht dan het betoog van [eiser] in dit kader. Dit maakt dat de onterechte feitenvaststelling in rov. 2.16 niet meebrengt dat daarmee de oordelen van het hof in rov. 3.36 en 3.37 onbegrijpelijk zijn.
de centrale stelling van [eiser]”. Volgens het hof houdt die centrale stelling in dat [eiser] per perceel heeft toegelicht dat, kort samengevat, een waardevermeerdering als gevolg van een bestemmingswijziging niet in de lijn der verwachting ligt en Groza en Aktua ten onrechte het beeld hebben geschetst dat er een kans op bestemmingswijzigingen op korte termijn zou bestaan, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was.
álle relevante informatie en kenniste verschaffen,
waarover zij zelf beschiktenten aanzien van de te koop aangeboden percelen. Deze informatie diende juist en volledig te zijn en dus ook de eventuele (in de ogen van Groza en Aktua) risico’s en minpunten
van het betreffende perceelte omvatten. De informatie diende bovendien op duidelijke, compacte en overzichtelijke wijze te worden gepresenteerd, zodat [eiser] op basis van een helder, te overzien en volledig beeld een weloverwogen aankoopbeslissing kon maken. [26] Dat Groza en Aktua [eiser] volledig moesten informeren, geldt temeer nu, zoals [eiser] heeft benadrukt, in de koopovereenkomsten is opgenomen dat Groza ervoor instaat met betrekking tot de percelen alle informatie aan [eiser] te hebben gegeven die naar geldende verkeersopvatting aan [eiser] ter kennis behoort te worden gebracht (in cassatie door [eiser] aangeduid als ‘informatiegarantie’).
in algemene zinhebben gewaarschuwd dat het risico bestaat dat de percelen niet van bestemming wijzigen en dat [eiser] zich ook van dit risico bewust was. [27] Dergelijke algemene waarschuwingen kunnen echter een eventueel gebrek aan duidelijke, volledige en eerlijke informatie
over de specifiek aan [eiser] te verkopen percelenniet goedmaken. Dergelijke algemene waarschuwingen zeggen immers niets over de grootte van de kans dat
de aan [eiser] te koop aangeboden percelen(op korte termijn) van bestemming zullen wijzigen. Zonder die perceel-specifieke informatie heeft [eiser] de kans op bestemmingswijzigingen, ondanks de algemene waarschuwingen van Groza en Aktua, niet goed kunnen beoordelen.
intrinsieke waarde van de landbouwgrond”). In dit kader heeft het hof in rov. 3.14 overwogen dat – zelfs als met [eiser] zou moeten worden aangenomen dat de door hem aangekochte percelen op dit moment niet de waarde vertegenwoordigen die [eiser] daarvoor heeft betaald – dit niet meebrengt dat [eiser] bij de aankoop van de percelen op het verkeerde been is gezet. [eiser] was zich er immers van bewust dat hij méér betaalde dan de actuele marktwaarde van de percelen.
een waardevaste investeringdeed. Groza heeft [eiser] steeds voorgehouden dat de grond elk jaar in waarde stijgt, ook zónder bestemmingswijziging, waardoor de grond na vijf à zeven jaar evenveel waard is als de prijs die [eiser] er in 2014 voor heeft betaald. Zie in dit kader bijvoorbeeld het verslag van het verificatiegesprek dat [eiser] op 7 maart 2014 met de directeur van Groza ( [betrokkene 1] ) heeft gevoerd: [28]
common sense) niet verbazen als [eiser] de percelen – die voor zover ik uit de processtukken heb kunnen achterhalen geen van alle van bestemming zijn gewijzigd – op dit moment (in februari 2021, derhalve bijna zeven jaar na de aankoop in maart 2014) niet kan verkopen voor een prijs die in de buurt komt van de prijs die hij er in 2014 voor heeft betaald. [30] Indien dat inderdaad het geval is – hetgeen het hof had moeten (laten) onderzoeken – heeft in elk geval Groza [eiser] met betrekking tot de intrinsieke waarde van de grond (zonder bestemmingswijziging) op het verkeerde been gezet.
aannemelijkwordt gemaakt dat
mogelijkschade is geleden. [34] Aan deze voorwaarde is al snel voldaan; er worden geen hoge eisen gesteld aan de beslissing om de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen. [35] Ik zie geen reden bij een vordering tot verkrijging van een verklaring voor recht (die is ingesteld met als uiteindelijke doel om schadevergoeding te verkrijgen) ten aanzien van het schade-vereiste strenger te oordelen dan bij een vordering tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. [36] De gevolgen van beide vorderingen zijn immers (in grote mate) vergelijkbaar. [37] Het zou bovendien ongerijmd zijn als een eiser op basis van een bepaald feitencomplex wél naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen en een andere eiser, op basis van exact hetzelfde feitencomplex, geen verklaring voor recht toegewezen kan krijgen dat een grondslag voor aansprakelijkheid bestaat.
nietbeschikte – zich onder meer ervan had kunnen vergewissen dat Groza uitgebreid met [eiser] heeft besproken dat [eiser] (i) een grote investering deed van in totaal meer dan een miljoen euro, (ii) het geïnvesteerde geld niet op korte termijn (binnen een paar jaar) weer nodig had en (iii) een
waardevaste investeringdeed, omdat de percelen elk jaar in waarde zouden stijgen en na vijf à zeven jaar zonder verlies voor dezelfde prijs zouden kunnen worden doorverkocht, ook zonder bestemmingswijziging.
de kavel(s) alleen door u[ [eiser] , A-G]
conform de huidige bestemming mag (mogen) worden gebruikt en beheerd” (randnummer 1.13 hiervoor). Deze summiere vermeldingen wegen niet op tegen en doen niet af aan het feit dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat de notaris voorafgaand aan het passeren van de leveringsakten over de gespreksverslagen beschikte en uit die verslagen heeft kunnen afleiden dat Groza met [eiser] erover heeft gesproken dat [eiser] zelf het beheer over de percelen zou verkrijgen.
specifiek door [eiser] aangekochte percelenaanleiding had om te onderzoeken of sprake was van beheer door een derde.
in beginsel” geen waarschuwingsplicht rustte. Daaruit blijkt dat het hof het voorgaande niet in zijn algemeenheid en zonder nuancering heeft overwogen.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
bij aankoop van de percelenteveel voor de percelen zou hebben betaald. Hiermee zijn de aard en het peilmoment van de schade gegeven: ze liggen in het aangaan van de koopovereenkomsten besloten. De waardeontwikkeling van de percelen ná de aankoop doet niet ter zake. Het gaat volgens Groza en Aktua immers om speculatieve langetermijninvesteringen, waarbij de goede en slechte kansen, die aan de speculatie inherent zijn, voor rekening en risico van de koper/eigenaar komen.