Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod”,
2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”en 4.
“deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”. Het hof heeft in de hoofdzaak bewezen verklaard dat de betrokkene tezamen en in vereniging met anderen op verschillende data harddrugs heeft uitgevoerd naar Engeland en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op de export van harddrugs naar Engeland.
eerste middelbehelst de klacht dat de bestreden uitspraak niet de inhoud bevat van de bewijsmiddelen waaraan het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend, althans dat het hof niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid heeft aangeduid aan welke onderdelen van de genoemde bewijsmiddelen het de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend.
ter verduidelijking” het volgende overwogen:
"voldoende gemotiveerd"werd aangevochten.
tweede middelklaagt over het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene kan worden toegerekend.
derde middel, dat klaagt over de schending van de inzendtermijn, is naar ik meen terecht voorgesteld maar behoeft geen nadere bespreking nu het tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde kan worden gesteld.