Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelheeft betrekking op de zaak met parketnummer 18-730213-17 (poging tot doodslag) en klaagt dat het voorwaardelijk opzet op de dood onvoldoende met redenen is omkleed.
Hij op 8 juli 2017 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde] met een mes, in het onderlichaam (buikstreek) en in een hand heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
(het hof begrijpt man 1: verdachte)brengt zijn rechterhand naar achteren bij zijn kleding.
(Onderschrift bij afbeelding op pagina 154)
Door het hof aangenomen toedracht van feiten
‘de geconstateerde letsels onbehandeld mogelijk tot de dood hadden kunnen leiden maar dit lijkt niet heel waarschijnlijk’en
‘met het getoonde mes is het mogelijk om verwondingen in de buikholte te veroorzaken.’
[…]”
NJ2003/552, m.nt. Buruma heeft met betrekking tot het voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg het volgende overwogen:
NJ2019/103, m.nt. Wolswijk heeft de Hoge Raad voorts overwogen:
In de conclusie van de Advocaat-Generaal wordt de vraag opgeworpen of nadere algemene aanknopingspunten kunnen worden gegeven om te bepalen onder welke omstandigheden sprake is van een aanmerkelijke kans als hiervoor bedoeld. Daaromtrent merkt de Hoge Raad het volgende op. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954,
NJ1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans".
tweede middelkomt op tegen de vervangende hechtenis die aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel is verbonden.
NJ2020/409, m.nt. Ten Voorde ten aanzien van deze vervangende hechtenis heeft vooropgesteld, is het middel terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
derde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, aangezien de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.