Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
exclusiefjuist en vullen zij integendeel elkaar aan.
tezamenintreden. Dat is het mooiste, want zo komen die regels elk tot hun recht.
nietbehoort plaats te vinden.
eerstmoeten worden vastgesteld of splitsing in afzonderlijke overeenkomsten mogelijk is, voordat (in geval van ontkennende beantwoording van die vraag) aan toepassing van art. 6:215 BW Pro wordt toegekomen. Aldus scheiden de stellers van het middel wat niet behoort te worden gescheiden. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.12.5 geoordeeld dat de huurovereenkomst uit 2007 in 2014 is voortgezet en dat de benzinewet daarop van toepassing is gebleven. Dit oordeel berust op een beoordeling in rechtsoverweging 3.12.4 van de aard van de wijziging in 2014 in het samenstel van overeenkomsten tussen partijen tegen de achtergrond van de inhoud en strekking van de benzinewet in samenhang met de BW-bepalingen met betrekking tot huur. Het hof heeft vervolgens in rechtsoverweging 3.14 geoordeeld dat de benzinewet op het gehele samenstel van verbintenissen, aangegaan op 24 april 2014, van toepassing is. In een en ander ligt besloten dat volgens het hof in verband met de inhoud en strekking van de benzinewet en de aard van de overeenkomst (het samenstel van overeenkomsten) van splitsing in de door de klacht bedoelde zin geen sprake kan zijn, evenmin als van gecumuleerde toepassing. Aldus heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
nietaan in de weg staat dat gedurende de overgangsperiode tussen partijen een nieuwe overeenkomst wordt gesloten als bedoeld in art. 11 benzinewet Pro, ter vervanging van een eerdere overeenkomst op grond van dat artikel. De andersluidende opvatting van de stellers van het middel berust op een lezing van de bepalingen van art. 16 lid 5 en Pro art. 6 lid 1 onder Pro b van de benzinewet naar de letter. Die letter spreekt in art. 16 lid 5 van Pro een overeenkomst die op de voet van art. 11 met Pro een ‘bestaande exploitant’ tot stand komt en volgens art. 6 lid 1 onder Pro b is een bestaande exploitatieovereenkomst [37] een overeenkomst die reeds vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van de benzinewet bestond. Hieruit menen de advocaten van [eiseres] af te kunnen leiden dat een overeenkomst als bedoeld in art. 11 benzinewet Pro niet kan worden vervangen door een nieuwe overeenkomst waarop art. 11 benzinewet Pro óók van toepassing is; kennelijk gaan zij ervan uit dat met de eerste (volgens hen enige) overeenkomst als bedoeld in art. 11 benzinewet Pro de bestaande exploitant die hoedanigheid verliest. Niet een letterlijke maar een redelijke wetsuitleg is bepalend. Volgens een redelijke uitleg van art. 6, 11 en 16 benzinewet is wel degelijk mogelijk dat een overeenkomst in de zin van art. 11 door Pro een nieuwe overeenkomst wordt vervangen, waarop art. 11 eveneens Pro van toepassing is. Tegen een zodanige nieuwe overeenkomst bestaat geen bezwaar vanuit het perspectief van bescherming van ten tijde van de inwerkingtreding van de benzinewet bestaande rechten (hiervoor 3.7 e.v.). Tegen de andersluidende uitleg van het subonderdeel bestaat wel bezwaar, omdat zij ertoe zou leiden dat de met de benzinewet beoogde marktordening en de in verband daarmee tijdelijk geldende overgangsregeling (tot en met 31 december 2017), wordt doorkruist.
onder 2.1bevat, berust op de opvatting dat van een overeenkomst in de zin van art. 11 benzinewet Pro alleen sprake is indien de wederpartij van de huurder een exploitant in de zin art. 1 benzinewet Pro is en blijft. Deze uitleg ontlenen de stellers van het middel aan de ontstaansgeschiedenis van art. 11, zoals hiervoor 3.9 aangehaald (de MvT spreekt daar van een verplichting om aan de bestaande exploitant ‘een nieuwe exploitatieovereenkomst’ aan te bieden). In hun schriftelijke toelichting menen de advocaten van [eiseres] deze uitleg bovendien te kunnen ontlenen aan de hierna in de tekst van art. 11 lid 1 benzinewet Pro onderstreepte woorden:
exploitanteen
nieuwe overeenkomstaan (…)’
veelaleen exploitatieovereenkomst zal zijn. Dit betekent niet dat zij dit uitsluitend mag zijn. De wet zelf spreekt enkel van ‘een nieuwe overeenkomst’. Dat dit een exploitatieovereenkomst zou moeten zijn, kan niet worden afgeleid uit het voorafgaande gebruik van het woord ‘exploitant’. Dat woord wordt niet gebruikt om de vereiste inhoud van de nieuwe overeenkomst te definiëren, maar om de partij aan te duiden aan wie de hoogste inschrijver een nieuwe overeenkomst moet aanbieden. Die partij is de ‘bestaande exploitant’ (dus niet ‘exploitant’, maar ‘bestaande exploitant’). Dit begrip verwijst naar de situatie ten tijde van de inwerkingtreding van de benzinewet respectievelijk de veiling van de desbetreffende locatie en zegt dus iets over de inhoud van de op die momenten geldende overeenkomst. Zie de definities van ‘bestaande exploitant’ en ‘bestaande exploitatieovereenkomst’ van art. 6 lid 1 onder Pro b en c benzinewet. Nog even met zoveel woorden: voor de uitleg van art. 11 lid 1 benzinewet Pro is niet het begrip ‘exploitant’ in de zin van art. 1 benzinewet Pro, maar uitsluitend het begrip ‘bestaande exploitant’ in de zin van art. 6 lid 1 benzinewet Pro van belang. Laatstbedoelde definitie ziet uitdrukkelijk op de overgangsbepalingen van paragraaf 4 van de wet, waaronder art. 11.