Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte geen proces-verbaal heeft opgemaakt van de mondelinge behandeling op 20 oktober 2020. Daarmee heeft de rechtbank volgens het middelonderdeel in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 279 lid 4 Rv Pro, art. 290 lid 2 Rv Pro en art. 5 EVRM Pro, alsmede met hetgeen is overwogen in HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd, samengevat, dat de advocaat van betrokkene de rechtbank op 4, 15 en 20 januari 2021 vergeefs heeft verzocht om tijdig vóór het verstrijken van de cassatietermijn het proces-verbaal van de mondelinge behandeling te verstrekken. Volgens de klacht kan de beschikking van de rechtbank reeds om deze reden niet in stand blijven.
dictum) dat is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz en dat de zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden, ten minste zodanig te motiveren dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [5] Volgens het onderdeel volgt uit rov. 2.9 slechts dát verweer is gevoerd, maar wordt niet duidelijk welk verweer de rechtbank in haar oordeel heeft betrokken en waarom dit verweer niet opgaat.
allestellingen van betrokkene en haar advocaat; slechts op essentiële stellingen – d.w.z. stellingen die, indien juist bevonden, tot een andere beslissing op het verzoek van de officier van justitie kunnen leiden – diende de rechtbank te responderen.
welkeverweren betrokkene en haar advocaat ter zitting naar voren hebben gebracht en
waaromdie verweren van dien aard zijn dat de rechtbank daaraan niet ongemotiveerd voorbij kon gaan, meen ik dat deze klacht niet voldoet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld.