Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Betreft:betwisting aantekening licentie - EARTH WATER (846223); EARTH WATER (867238)
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
subonderdeel 1.1dat het hof met dit oordeel in strijd met art. 24 Rv Pro buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden of de feitelijke grondslag van het verweer van Upstream en/of EWI c.s. heeft aangevuld, nu noch Earth Concepts, noch Upstream heeft gesteld dat op 6 juni 2014 geen rechtsgeldig beslag tot levering gelegd zou zijn, laat staan dat dit beslag niet rechtsgeldig zou zijn om de reden dat op 6 juni 2014
“louter”aan het BBIE
“maar niet aan Upstream”een exploot zou zijn uitgebracht.
“louter aan het BBIE maar niet aan Upstream”een exploot zou zijn uitgebracht, onbegrijpelijk is. Het subonderdeel betoogt daartoe dat de stelling van Upstream (te weten dat Earth Concepts op 6 juni 2014 onder het BBIE conservatoir beslag tot levering heeft doen leggen op de Benelux-merken Earth Water) zich mede gezien de door haar overgelegde productie C1, niet anders laat verstaan dan dat het exploot van het op 6 juni 2014 onder het BBIE ten laste van Upstream gelegde conservatoir beslag tot levering óók is uitgebracht aan Upstream.
Carrier Tanker/LR Ice Shipping. [23]
Big Apple/Ontvanger [24] geoordeeld dat de voorschriften omtrent betekening van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve dienen te worden toegepast. Het staat de rechter dus niet vrij om aan deze regels voorbij te gaan, ook niet op grond van een daartoe strekkend eensluidend standpunt van partijen.
NJ2007/118).”
evenzeereen recht is om zich op het in beslag genomen goed te verhalen, althans een hieraan gelijk te stellen recht. Aan toewijzing van de eis tot veroordeling van de beslagene om de goederen waarop het beslag tot levering gelegd is over te dragen aan de beslaglegger, staat derhalve volgens het subonderdeel
nietin de weg dat deze goederen als gevolg van de overdracht door de beslagene aan de derde geen deel meer uitmaken van het vermogen van de beslagene. Anders dan het hof heeft geoordeeld is voor toewijzing van de eis
nietprohibitief dat de goederen, waarop het beslag is blijven rusten, als gevolg van de overdracht niet meer aan de beslagene, maar aan de derde toebehoren. [32]
subonderdeel 2.2klemt het voorgaande temeer nu EWI c.s. zich in dit geding aan de zijde van Upstream hebben gevoegd, zodat niet met juistheid gezegd kan worden dat zij te dezen in enig rechtens te respecteren belang zouden zijn geschaad.
Forward/ […]heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beslag (in dat geval een conservatoir beslag op onroerende zaken) niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid van degene ten laste van wie het beslag is gelegd en dat een dergelijk beslag dus ook niet in de weg staat aan overdracht van het beslagen goed aan een derde, maar wel meebrengt dat een vervreemding of bezwaring, tot stand gekomen na het beslag, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen. [41] De Hoge Raad heeft dit oordeel vervolgens herhaald in het arrest
Ontvanger/ […](dat handelde over beslag op roerende zaken [42] ) en in het arrest
Promneftstroy/Yukosvan 13 november 2015 (conservatoir beslag op onder meer door een rechtspersoon gehouden aandelen in het kapitaal van een dochteronderneming). [43]
Ontvanger/ […]heeft de Hoge Raad tevens de vraag beantwoord of het niet tegen de beslaglegger kunnen inroepen van bijvoorbeeld vervreemding in weerwil van een beslag op een vorm van beschikkingsonbevoegdheid duidt of dat het beslag een met zaaksgevolg vergelijkbaar effect heeft. De Hoge Raad overwoog dat de regel van art. 453a lid 1 Rv dat een na de inbeslagneming tot stand gekomen vervreemding niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen, meebrengt dat de beslaglegger bevoegd blijft zijn door de inbeslagneming ingeleide uitoefening van zijn recht zich op de in beslag genomen zaak te verhalen voort te zetten, ook al maakt die zaak door de overdracht aan een derde geen deel meer uit van het vermogen van de schuldenaar. [44] Het beslag blijft dus rusten op de goederen. Dit wordt ook wel omschreven als het met zaaksgevolg vergelijkbaar effect van een beslag. [45]
Promneftstroy/Yukosformuleerde de Hoge Raad de regel als volgt:
verhaalsbeslagen. De vraag is vervolgens of deze rechtspraak eveneens geldt bij een conservatoir leveringsbeslag.
Van Kooten/Wilminkuit 1994 [55] , dat het geval betrof waarin een eigenaar zijn huis twee keer had verkocht (in 1991 en in 1992) en elk van beide kopers vervolgens conservatoir beslag tot levering op het huis heeft gelegd. De Hoge Raad overwoog in het geding tussen beide kopers als volgt:
werkingvan de blokkeringsregel bij een 730-beslag in díe zin verschilt van hetzelfde mechanisme bij een verhaalsbeslag, dat het 730-beslag rechtens geen invloed heeft op de onderlinge verhouding van meerdere van die soort op hetzelfde goed gelegde – in beginsel met elkaar strijdige – beslagen. De uiteindelijke voorrang, in het geval van ‘botsende’ aanspraken wordt alleen vastgesteld aan de hand van het bepaalde in art. 3:298 BW Pro, terwijl bij de verhaalsbeslagen
prioriteitlouter aan mogelijke ‘wettige redenen van voorrang’ (art. 3:277 BW Pro) kan worden ontleend, maar voor het overige alle schuldeisers volkomen gelijk (‘paritas creditorum’) zijn. Dit markeert, aldus Broekveldt, ook het
wezenlijkeverschil tussen beide beslagtypen: bij verhaalsbeslag gaat het de schuldeiser louter en alleen om tegeldemaking (door executoriale verkoop of anderszins) van het beslagen goed, terwijl de schuldeiser die leveringsbeslag legt nu juist beoogt het goed (weer) zélf te verkrijgen. [57]
Promneftstroy/Yukos [61] de gevolgen geschetst van de situatie dat na het leggen van conservatoir beslag op aan de beslagene toebehorende vermogensbestanddelen, deze vermogensbestanddelen in weerwil van dat beslag zijn overgedragen, en vervolgens de beslagene heeft opgehouden te bestaan voordat de op grond van art. 700 lid 3 Rv Pro vereiste eis in de hoofdzaak is ingesteld (rov. 3.5.1). Hoewel dit arrest een rechtspersoon naar Russisch recht met in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen betrof, heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk overwogen dat een en ander zich ook kan voordoen ten aanzien van een rechtspersoon naar Nederlands recht (rov. 3.5.2).
Promneftstroy/Yukos, worden aangenomen dat er geen grond is voor het voortbestaan van Upstream.
Promneftstroy/Yukosaan de orde was). De tweede situatie ziet op het geval dat de rechtspersoon ophoudt te bestaan terwijl de hoofdzaak aanhangig is (zoals in onderhavige cassatiezaak aan de orde is).
Promneftstroy/Yukosvan toepassing op een conservatoir leveringsbeslag.
JOR2016/24, m.nt. A. Steneker
(Promneftstroy/Yukos Capital).Earth Concepts dient de verkrijger van de beslagen merkenrechten (EGH/EWI) op de voet van artikel 118 Rv Pro in de onderhavige procedure te betrekken en deze tegen haar voort te zetten.
Promneftstroy/Yukostoepassing mist. Volgens Earth Concepts wordt de rechtspersoon op de voet van art. 2:19 lid 1 onder Pro c BW pas ontbonden door hetzij opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, hetzij door insolventie en is Upstream niet ontbonden en dan ook niet opgehouden te bestaan. [64]
Promneftstroy/Yukosten onrechte niet heeft toegepast, slaagt de klacht.
Gelet op het feit dat EWI c.s. slechts als gevoegde partijen optreden - met de met name door Earth Concepts benadrukte beperkingen van dien - biedt dit geding geen plaats voor een verder debat en onderzoek op dit punt.Op de eventuele consequenties van een eventueel, te zijner tijd, in een separate procedure vast te stellen onrechtmatigheid jegens Earth Concepts van die verkrijging kan niet vooruitgelopen worden.”
kort gezegd, omdat de merken rechtsgeldig zijn overgedragen en geleverd aan Earth Water c.s. Tegen dat vonnis is Earth Concepts in hoger beroep gekomen.”
3.Ontvankelijkheid
Unidek Volumebouw/HDI [74] heeft de Hoge Raad over de procedure tegen een ontbonden rechtspersoon het volgende geoordeeld:
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I*2015/405 ook als die rechtspersoon op het moment van ontbinding geen baten meer heeft en daardoor ingevolge art. 2:19 lid 4 BW Pro ophoudt te bestaan. [76]
Promneftstroy/Yukos, dat van latere datum is, wijst m.i. echter in een andere richting. [77] De Hoge Raad overweegt in dat arrest onder meer – zakelijk weergegeven – dat vanaf het moment dat de rechtspersoon (de beslagene) heeft opgehouden te bestaan, de beslaglegger geen wederpartij meer heeft tegen wie hij de eis in de hoofdzaak kan instellen (rov. 3.5.4). De verkrijger is volgens de Hoge Raad in het in het arrest aan de orde zijnde geval de enig overgebleven belanghebbende met betrekking tot de goederen en met betrekking tot de vraag of de vorderingen waarvoor het beslag is gelegd, toewijsbaar zijn (rov. 3.5.6).