Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelklaagt de moeder – samengevat – ten eerste dat het hof in rov. 5.13 een onjuiste althans onbegrijpelijke toepassing van de door het hof in rov. 5.12 – op zichzelf juist – weergegeven maatstaf heeft gegeven. [6] Het hof lijkt in rov. 5.13 tot uitgangspunt te hebben genomen dat indien kan worden beargumenteerd dát een onderzoek belastend kan zijn voor het kind, die omstandigheid voldoende is om het verzoek ex art. 810a lid 2 Rv af te wijzen. Het hof miskent in rov. 5.13 dat het recht van de ouder op contra-expertise in art. 810a lid 2 Rv centraal staat, waarbij het gaat om het processuele grondrecht van
equality of arms,in het kader van art. 8 EVRM Pro en dat het belang van het kind een uitzondering vormt op dit recht. In dat kader dient het belang van het kind in de beoordeling te worden betrokken en niet in het meer algemene kader van de beoordeling van het al dan niet nemen van kinderbeschermende maatregelen, in dit geval gezagsbeëindiging. Het recht op
equality of armskan derhalve slechts opzij worden gezet indien het belang van het kind dat bepaaldelijk vereist, zodat sprake moet zijn van een aanzienlijke belasting van het kind als gevolg van het onderzoek. Zodoende moeten dus hoge eisen worden gesteld aan de motivering van de afwijzing. [7]
Strand Lobben/Noorwegenblijkt dat dit niet wegneemt dat de zienswijze van de ouders voldoende in een procedure moet worden betrokken:
RvdW2017/987 op basis van een analyse van rechtspraak gevallen waarin het onderzoek op zich te belastend wordt geacht voor het kind, gevallen waarin de appelrechter de afwijzing van een deskundigenonderzoek motiveert met het argument dat de onrust en de langere periode van onzekerheid die met een nieuw onderzoek gepaard gaan, in strijd worden geacht met het belang van het kind bij een stabiele leefsituatie in die periode en gevallen waarin de rechter van oordeel is dat het belang van het kind bij bestendiging van de bestaande (verblijfs)situatie zo groot is dat dit belang alle andere bij het geval betrokken belangen overheerst, ongeacht wat het resultaat zal zijn van het verzochte nader deskundigenonderzoek. Hij merkt op dat bij deze laatste categorie tot op zekere hoogte sprake is van een vermenging van de afwijzingsgrond dat het belang van het kind zich verzet tegen het onderzoek met de afwijzingsgrond dat het onderzoek niet tot beslissing van de zaak kan leiden. [20]
tweede onderdeelwordt namens de moeder geklaagd dat het hof heeft verzuimd de stelling van de moeder in de tweede grief in de beoordeling te betrekken, inhoudende dat de rechtbank heeft miskend dat de moeder, in strijd met het IVRK en art. 8 EVRM Pro, onvoldoende de kans heeft gekregen om zichzelf te bewijzen. Het hof heeft daarom een rechtens onjuist dan wel onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd oordeel gegeven. Het onderdeel voert daartoe ten eerste aan dat, voor zover de tweede grief geacht kan worden betrekking te hebben op de behandeling van de gezagsbeëindiging, de inhoud van de tweede grief nauwelijks valt te herkennen in de weergave van het standpunt van de moeder in rov. 5.1. Ook uit de inhoudelijke beoordeling in rov. 5.5 blijkt niet dat het hof het gestelde in de tweede grief in aanmerking heeft genomen. [22]
tweede en derde onderdeelwordt geklaagd dat voor zover het hof het door de moeder in de tweede grief gestelde wél bij de beoordeling in rov. 5.5 heeft betrokken, dat oordeel onbegrijpelijk is, nu het hof kennelijk in navolging van de GI oordeelt dat de – door de GI niet weersproken – voortgezette positieve ontwikkeling van de moeder ná het opvoedbesluit genomen in oktober 2018 op geen enkele wijze kan afdoen aan de vaststelling dat de aanvaardbare termijn nu eenmaal was verstreken en dat rov. 5.5 ook overigens onbegrijpelijk is. [26]