Conclusie
Nummer19/05862
Het cassatieberoep
De middelen
eerste middelbehelst de klacht dat het hof de verzoeken zes personen ( [betrokkene 13] , [betrokkene 12] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ) als getuigen te horen met toepassing van een onjuiste maatstaf heeft afgewezen, waardoor die afwijzende beslissingen onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn.
(…)
De voorzitter deelt mede dat ten aanzien van de verzochte getuigen in de straf- en ontnemingszaken van [medeverdachte] en [verdachte] het noodzakelijkheidscriterium geldt, nu de in de appelschriftuur d.d. 29 juni 2017 opgenomen, niet onderbouwde opsomming van getuigen niet aangemerkt kan worden als een opgave van getuigen als bedoeld in artikel 410, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. [1] De voorzitter deelt de volgende beslissingen van het hof mede:
(…)
NJ2014/441 het volgende overwogen:
NJ2008/20 was namens de verdachte tijdig een appelschriftuur ingediend. Deze hield onder meer het verzoek in om “als getuigen te doen horen alle personen, die voorkomen in het dossier en/of gehoord zijn door de politie en/of die belastend dan wel ontlastend over cliënt hebben verklaard en/of wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt. Hieronder schaart cliënt in ieder geval de verbalisanten die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het dossier.” In een latere brief aan de advocaat-generaal bij het hof, had de raadsman het verzoek gedaan twee verbalisanten op te roepen en deze verzoeken nader onderbouwd. De advocaat-generaal riep een van de twee verbalisanten op. Ter terechtzitting handhaafde de raadsman zijn verzoek ook de andere verbalisant te horen. Het hof achtte de inhoud van de overgelegde appelschriftuur zo summier en in dermate algemene bewoordingen gesteld, dat deze schriftuur redelijkerwijs niet kon worden aangemerkt als een schriftuur in de zin van art. 410 Sv Pro. Daarmee had het hof naar het oordeel van de Hoge Raad blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad overwoog voorts dat art. 410, derde lid, Sv ziet op een verzoek als hier was gedaan, zodat op het verzoek de verbalisant als getuige te horen om die reden het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing was. Naar het oordeel van de Hoge Raad was dus niet alleen sprake van een appelschriftuur, maar – ten aanzien van de betrokken verbalisant – ook van een opgave van getuigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv.
tweede middelkomt op tegen de bewezenverklaring, voor zover zij inhoudt dat de daarin genoemde geldbedragen en auto’s afkomstig uit enig misdrijf zijn.
- geldbedragen
heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet
terwijl hij wist, dat die auto’s en die geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren, van welk misdrijf de verdachte een gewoonte heeft gemaakt.”
NJ2019/298 tot uitgangspunt heeft genomen. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een “concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring” geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Dit houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte een dergelijke verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen ten aanzien van het bewijs. [16]
Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel was verdachte sinds 16 juli 1998 enig aandeelhouder van [B] . Uit de cheque van 27 augustus 1998 blijkt dat het bedrag van fl. 221.276,00 ten gunste is gekomen van [B] . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het bedrijf notarieel heeft overgedragen aan een andere persoon – verdachte heeft verklaard deze notariële stukken wel te hebben, maar hij heeft deze niet overgelegd – en dat genoemd bedrag wel ten gunste van hem privé is gekomen. In eerste instantie heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij het geld in een pot heeft gedaan en er heerlijk van heeft genoten. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij het potje niet hoefde open te breken, omdat hij leningen – die hem werden aangeboden door mensen die wilden meeliften in de winst in de autohandel – heeft afgesloten. Het potje zou hij bij vrienden in Spanje hebben ondergebracht voor zijn oude dag, aldus verdachte. Gelet op de wisselende verklaringen van verdachte, die tevens geheel niet concreet en verifieerbaar zijn, acht de rechtbank niet aannemelijk dat genoemd bedrag aan verdachte is uitgekeerd. Daarbij geldt dat, mocht dit wel zijn gebeurd, daarmee nog niet vaststaat dat verdachte dit bedrag veertien jaren later, op 1 januari 2012, nog contant beschikbaar had. Hij heeft dit in elk geval niet opgegeven bij de Belastingdienst.
3. Een bedrag van fl. 40.317,00, omgerekend € 18.295,06, ontvangen uit de erfenis van de vader van [medeverdachte] in 2000.
(…)
10. Storting van € 1.500,00 door [betrokkene 11] .
Autohandel
Bij de politie en ter terechtzitting heeft verdachte verder naar voren gebracht dat hij heeft gehandeld in sieraden en horloges. Op generlei wijze is onderbouwd dat verdachte en [medeverdachte] inkomsten uit deze veronderstelde handel hebben genoten, zodat ook deze verklaring niet concreet en niet verifieerbaar is.
Handel in sieraden/horloges (punt 13 en 14 van de pleitnotities)
De raadsman heeft voorts betoogd dat niet gezegd kan worden dat de verklaring van de verdachte over de opbrengsten uit handel in sieraden en horloges niet concreet is.
Reeds omdat gesteld noch gebleken is dat de verdachte en de medeverdachte op 1 januari 2012, de datum van het beginsaldo voor de kasopstelling, nog beschikten over dit bedrag van de erfenis, dient ook dit verweer te worden verworpen.
medeop basis van de resultaten van nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte beoordelen of (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Hieruit volgt dat de rechter zich bij deze finale beoordeling ook kan laten leiden door zijn eigen bevindingen ten aanzien van de verklaring(en) van de verdachte. Ook daarom faalt de klacht.