Geldleenovereenkomsten
Verdachte heeft gesteld twee geldleenovereenkomsten te hebben afgesloten, waarvan hij de schriftelijke overeenkomsten aan de politie heeft verstrekt. Het gaat om een geldleenovereenkomst d.d. 1 augustus 2013 met [betrokkene 6] voor een bedrag van € 20.000,00 en een geldleenovereenkomst d.d. 9 juli 2012 met [A] voor een bedrag van € 30.000,00.
Met de officier van justitie acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte daadwerkelijk geld heeft geleend van [betrokkene 6] en [A] en overweegt daartoe als volgt.
[betrokkene 6] heeft op 1 juli 2015 bij de politie en op 31 maart 2017 bij de rechtercommissaris verklaard dat hij geen geld heeft geleend aan verdachte en dat het om een papieren constructie ging. De rechtbank ziet geen aanleiding aan deze verklaring van [betrokkene 6] te twijfelen en gaat dan ook voorbij aan de verklaring van verdachte dat hij € 20.000,00 contant van [betrokkene 6] heeft ontvangen.
Met betrekking tot de geldleenovereenkomst met [A] overweegt de rechtbank dat uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [A] sinds 12 september 2013 niet meer actief is. In de administratie van [A] van 2012 is de geldleenovereenkomst niet terug te vinden en staat verdachte niet in de openstaande debiteuren 2012 opgenomen. Volgens [betrokkene 7] , de Voormalige boekhouder van [A] , was [A] in 2012 technisch failliet en beschikte dus niet over zo een groot geldbedrag. [betrokkene 8] , wiens naam namens [A] onder de overeenkomst staat, weet niet meer of hij voornoemd geldbedrag aan verdachte heeft uitgeleend; de naam van verdachte daagt hem niet. Ook weet hij niet of er is afgelost. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen zaken heeft gedaan met [betrokkene 8] , maar met diens vader [betrokkene 13] , die de overeenkomst heeft ondertekend. [betrokkene 13] heeft bij de politie echter verklaard niets te maken te hebben met de zaak en heeft de politie verwezen naar zijn zoon. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij nog een bedrag van ongeveer € 27.000,00 op deze geldlening moet aflossen en dat [betrokkene 13] geen contact met hem heeft gezocht over het aflossen van dit bedrag. Dit is opmerkelijk aangezien uit de geldleenovereenkomst volgt dat het bedrag van € 30.000,00 op 9 juli 2014 afgelost had moeten zijn. De rechtbank kan, gelet op het bovenstaande, niet anders concluderen dan dat het ook in dit geval gaat om een papieren constructie en dat verdachte derhalve geen € 30.000,00 van [A] heeft ontvangen.
Aanvullende stukken
Op 15 mei 2017 heeft de verdediging een aantal stukken aan het openbaar ministerie en de rechtbank doen toekomen, waaruit zou moeten blijken dat het openbaar ministerie in de kasopstelling ten onrechte uitgaat van een contant beginsaldo van € 1.000,00. Volgens de verdediging waren er meer gelden beschikbaar voor het doen van uitgaven. De rechtbank zal hieronder de door de verdediging ingebrachte stukken bespreken.
1. Opbrengsten [B] , pot van verdachte, fl. 221.271,00, omgerekend € 100.408,40.
Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel was verdachte sinds 16 juli 1998 enig aandeelhouder van [B] . Uit de cheque van 27 augustus 1998 blijkt dat het bedrag van fl. 221.276,00 ten gunste is gekomen van [B] . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het bedrijf notarieel heeft overgedragen aan een andere persoon – verdachte heeft verklaard deze notariële stukken wel te hebben, maar hij heeft deze niet overgelegd – en dat genoemd bedrag wel ten gunste van hem privé is gekomen. In eerste instantie heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij het geld in een pot heeft gedaan en er heerlijk van heeft genoten. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij het potje niet hoefde open te breken, omdat hij leningen – die hem werden aangeboden door mensen die wilden meeliften in de winst in de autohandel – heeft afgesloten. Het potje zou hij bij vrienden in Spanje hebben ondergebracht voor zijn oude dag, aldus verdachte. Gelet op de wisselende verklaringen van verdachte, die tevens geheel niet concreet en verifieerbaar zijn, acht de rechtbank niet aannemelijk dat genoemd bedrag aan verdachte is uitgekeerd. Daarbij geldt dat, mocht dit wel zijn gebeurd, daarmee nog niet vaststaat dat verdachte dit bedrag veertien jaren later, op 1 januari 2012, nog contant beschikbaar had. Hij heeft dit in elk geval niet opgegeven bij de Belastingdienst.
2. Een bedrag van fl. 40.852,00, omgerekend € 18.537,83, dat zou zijn uitgekeerd na een inbraak in 2000.
Dit bedrag is in drie delen giraal (en dus niet contant) overgemaakt naar een rekening van [medeverdachte] . Voor het geval dit bedrag vervolgens contant is opgenomen door verdachten, staat niet vast dat verdachten twaalf jaren later, op 1 januari 2012, nog steeds over dit bedrag beschikten. Deze post is dan ook niet deugdelijk onderbouwd en daarmee niet concreet en niet verifieerbaar.
3. Een bedrag van fl. 40.317,00, omgerekend € 18.295,06, ontvangen uit de erfenis van de vader van [medeverdachte] in 2000.
Door verdachte en [medeverdachte] is gesteld dat de opbrengst van de verkoop van de spullen van de overleden vader aan [medeverdachte] is gaan toebehoren. Dit is echter niet onderbouwd en evenmin verifieerbaar. Maar ook al zou [medeverdachte] een bepaald bedrag uit de erfenis hebben ontvangen, staat ook hiervan niet vast dat verdachte en [medeverdachte] twaalf jaren later, op 1 januari 2012, nog steeds daarover beschikten.
4. Een bedrag van € 4.400,00 als opbrengst van de verkoop van een aantal goederen.
Dit bedrag is slechts onderbouwd met een overzicht van verkochte oude spullen en gekochte nieuwe spullen. Deze post is derhalve niet concreet en verifieerbaar.
5. Inkomen van [medeverdachte] over de jaren 2002-2005 en 2008
Dit betreft girale ontvangsten vóór aanvang van de periode van de kasopstelling. Deze inkomsten hebben derhalve geen invloed op de uitkomst van de kasopstelling en kunnen dan ook verder onbesproken blijven.
6. Lening van [A] van € 30.000,00.
Deze post is hiervoor onder het kopje ‘geldleenovereenkomsten’ besproken.
(…)
8. Lening van [betrokkene 9] van € 16.500,00 in 2012.
Aangezien het bedrag van € 12.000,00 op 10 maart 2012 giraal is overgemaakt aan [medeverdachte] valt dit buiten de kasopstelling. Voorts wordt gesteld dat het bedrag van € 4.500,00 dat op 12 maart 2012 op de rekening van [medeverdachte] is gestort, afkomstig is van de door [betrokkene 9] verstrekte lening. Dit blijkt echter nergens uit, zodat ook de herkomst van dit bedrag niet concreet en verifieerbaar is.
9. Casino inkomsten van € 30.000,00.
Volgens bijgevoegde schriftelijke verklaring van [betrokkene 10] d.d. 10 april 2017 heeft verdachte in augustus 2012 een bedrag van € 30.000,00 in een casino gewonnen. Uit de verklaring komt echter naar voren dat [betrokkene 10] een ander spel speelde dan verdachte en dat hij van verdachte hoorde dat deze had gewonnen. Deze verklaring is onvoldoende concreet. Daar komt bij dat deze verklaring pas in een laat stadium van het onderzoek in het proces is ingebracht. Verder strookt deze verklaring niet met de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring: “Ik gok niet. Bij de illegale lotto in Spanje heb ik wel eens € 5.500,00 gewonnen, maar dat was een jaar of anderhalf jaar geleden. Ik kom niet in een casino”.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, anders dan verklaard bij de politie, wel eens naar het casino ging, naar illegale pokertoernooien.
Gelet op de niet concrete verklaring van [betrokkene 10] , het tijdstip waarop deze verklaring in het proces is ingebracht en de wisselende verklaringen van verdachte zelf, acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet concreet, niet verifieerbaar en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.
10. Storting van € 1.500,00 door [betrokkene 11] .
Uit bijgevoegde bankafschrift blijkt dat verdachte op 24 juli 2013 een bedrag van € 1.500,00 giraal heeft overgemaakt aan [betrokkene 11] . Aangezien verdachte dit bedrag niet heeft ontvangen, is dit niet van belang voor de kasopstelling.
11. Lening van [betrokkene 12] aan verdachte ten bedrage van € 17.000,00.
Dit bedrag is op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij deze lening reeds voor zijn detentie in 2012 heeft terugbetaald, zodat deze sowieso buiten de kasopstelling valt.
12. Aangifte inbraak 2005.
Bijgevoegd is een proces-verbaal van aangifte van inbraak d.d. 22 september 2005, gedaan door [medeverdachte] , met als bijlage een overzicht van gestolen goederen. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden welke invloed deze aangifte op de kasopstelling zou moeten hebben zodat zij hieraan voorbij gaat.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen van de gestelde posten van invloed is op de uitkomst van de kasopstelling.
Autohandel
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in de in- en verkoop van auto’s zit. Op 22 mei 2017, een dag voor de terechtzitting, heeft de verdediging een excel-bestand met een overzicht van auto’s aan het openbaar ministerie en de rechtbank doen toekomen. Volgens de verdediging blijkt uit dit overzicht welke auto’s door verdachte zijn ingekocht en vervolgens doorverkocht in de periode van 2005 tot en met 2014. In genoemde periode is een bedrag van € 92.583,00 betaald voor de auto’s en is bij doorverkoop een opbrengst van € 102.600,00 gegeneerd. Het verschil bedraagt € 10.017,00.
De rechtbank stelt vast dat stukken ter onderbouwing van deze bedragen ontbreken. Daar komt bij dat [medeverdachte] op 30 juni 2015 bij de politie heeft verklaard dat er van de autohandel nog niet zoveel terecht is gekomen. De auto’s die in voornoemd overzicht staan genoemd en die betrekking hebben op de periode van vóór 1 januari 2012, hebben voorts geen invloed op de kasopstelling. Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte en [medeverdachte] daadwerkelijk contant inkomen hebben gegenereerd uit de autohandel.
Handel in sieraden/horloges
Bij de politie en ter terechtzitting heeft verdachte verder naar voren gebracht dat hij heeft gehandeld in sieraden en horloges. Op generlei wijze is onderbouwd dat verdachte en [medeverdachte] inkomsten uit deze veronderstelde handel hebben genoten, zodat ook deze verklaring niet concreet en niet verifieerbaar is.
Handel in vakantiewoningen
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij heeft gehandeld in het onderverhuren van vakantiewoningen in Spanje aan buitenlanders en dat de huur contant werd betaald. Aangezien verdachte niet in staat is geweest aan te geven welke woningen zijn verhuurd, aan wie en wanneer deze zijn verhuurd, en evenmin voor welke bedragen de woningen zijn verhuurd, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte niet concreet en niet verifieerbaar is. Daar komt bij dat verdachte pas ter terechtzitting en dus in een zeer laat stadium van het onderzoek met deze verklaring is gekomen.
Aangaande het verblijf in Spanje heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat niet alle in de woning van verdachte en [medeverdachte] op 29 juni 2015 aangetroffen kassabonnen uit Spanje van hem en [medeverdachte] zijn. Volgens verdachte waren deze deels van familieleden die ook in Spanje in de woning verbleven. Alle bonnen van alle vakantiegangers werden verzameld en verdachte nam deze vervolgens mee naar Nederland. De rechtbank is van oordeel dat ook deze verklaring van verdachte niet concreet en niet verifieerbaar is. Hij heeft immers niet verklaard welke goederen wel door hem en [medeverdachte] zijn aangeschaft en welke door de vakantiegangers. Deze verklaring is dan ook geenszins onderbouwd. Daar komt bij dat verdachte pas ter terechtzitting en dus in een zeer laat stadium van het onderzoek met deze verklaring is gekomen.”
34. In aanvulling op het vonnis van de rechtbank heeft het hof het volgende overwogen:
“Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman – in aanvulling op hetgeen in eerste aanleg is bepleit – primair naar voren gebracht dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor het ten laste gelegde – in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen – bestanddeel ‘van misdrijf afkomstig’. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de in de tenlastelegging genoemde contante geldbedragen, en personenauto's van misdrijf afkomstig waren. Hiertoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van de auto's en geldbedragen niet alledaags kan worden genoemd, maar dat dat de geschetste gang van zaken nog niet onwaar maakt. De verdachte dient derhalve van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Ter zake van hetgeen door de raadsman bij pleidooi in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt het hof in aanvulling op het vonnis waarvan beroep als volgt.
Leningsovereenkomsten (punt 8 van de pleitnotities)
De raadsman heeft naar voren gebracht dat het feit dat de personen bij wie de verdachte een lening heeft afgesloten zich niet bereid hebben getoond het bestaan van die leningen te bevestigen niet betekent dat deze leningen niet hebben bestaan.
Het hof stelt vast dat [betrokkene 6] op 1 juli 2015 bij de politie en op 31 maart 2017 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij geen geld heeft geleend aan de verdachte en dat de tussen hen opgemaakte geldleenovereenkomst d.d. 1 augustus 2013 een papieren constructie is. Net als de rechtbank ziet het hof geen aanleiding aan deze verklaring van [betrokkene 6] te twijfelen en het hof gaat dan ook voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij € 20.000,- contant van [betrokkene 6] heeft ontvangen.
Met betrekking tot de door de verdachte gestelde geldleenovereenkomst d.d. 9 juli 2012 voor een bedrag van € 30.000,- met [A] geldt het volgende. Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel van 23 april 2015 blijkt dat [A] sinds 12 september 2013 niet meer actief is. In de administratie van [A] van 2012 is de geldleenovereenkomst niet terug te vinden. Voorts staat de verdachte niet op de lijst van openstaande debiteuren 2012. Volgens [betrokkene 7] , de voormalige boekhouder van [A] , was [A] in 2012 technisch failliet en beschikte het bedrijf dus niet over zo een groot geldbedrag. [betrokkene 8] , wiens naam namens [A] onder de overeenkomst staat, weet niet meer of hij voornoemd geldbedrag aan de verdachte heeft uitgeleend; de naam van de verdachte daagt hem niet. Ook weet hij niet of er is afgelost. Verdachte heeft ook in hoger beroep verklaard dat hij geen zaken heeft gedaan met [betrokkene 8] , maar met diens vader [betrokkene 13] , die de overeenkomst heeft ondertekend. [betrokkene 13] heeft bij de politie echter verklaard niets te maken te hebben met de zaak en heeft de politie verwezen naar zijn zoon. Uit deze feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat sprake is van een papieren constructie en dat nooit een geldlening heeft bestaan. Anders dan de raadsman heeft betoogd, kan uit de weergave van de telefoongesprekken van de verdachte met onderscheidenlijk [betrokkene 13] en een persoon, genaamd [betrokkene 14] , evenmin worden afgeleid dat werkelijk sprake van een lening is geweest. Nu uit die gesprekken blijkt, dat de gespreksdeelnemers zich ervan bewust waren dat zij werden afgeluisterd, heeft het hof reeds hierom gerede twijfel aan de oprechtheid van wat werd besproken. Het verweer van de raadsman, voor zover dit betrekking heeft op de overeenkomsten van geldlening, wordt daarom verworpen.
Pot [B] (punten 9, 10, 11 en 12 van de pleitnotities)
De raadsman heeft onder verwijzing naar een uitspraak van het hof Amsterdam betoogd dat het enkele feit dat inkomsten die niet aan de Belastingdienst zijn opgegeven geen reden zijn om aan te nemen dat een legale herkomst van die inkomsten dient te worden uitgesloten. Dat daarvan geen aangifte is gedaan, maakt immers niet dat de verdachte die inkomsten niet kan hebben gehad. Voorts is de verklaring van de verdachte concreet en wordt die voorts bevestigd door een uittreksel van de Kamer van Koophandel.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de opbrengsten uit de verkoop in 1998 van [B] , van welk bedrijf de verdachte toen enig aandeelhouder was – het zogenoemde 'potje [B] ' – ook heeft gebruikt om te investeren. Zo had hij wel eens een café in Spanje gekocht om dit vervolgens weer te verkopen. Een naam van dit café heeft de verdachte evenwel niet kunnen noemen. Daarenboven stelt het hof vast dat deze verklaring weer anders luidt dan de andere door de verdachte bij de politie en in eerste aanleg gegeven verklaringen voor de herkomst van de betreffende geldbedragen. Gelet op de wisselende verklaringen van de verdachte, die ook overigens niet concreet en verifieerbaar zijn, acht het hof niet aannemelijk dat de door de verdachte gestelde opbrengst van (omgerekend) € 100.408,40 uit de verkoop van- [B] . aan hem is uitgekeerd. Daarbij geldt dat, mocht dit wel zijn gebeurd, daarmee nog niet vaststaat dat de verdachte dit bedrag veertien jaren later, op 1 januari 2012, nog contant beschikbaar had.
Handel in sieraden/horloges (punt 13 en 14 van de pleitnotities)
De raadsman heeft voorts betoogd dat niet gezegd kan worden dat de verklaring van de verdachte over de opbrengsten uit handel in sieraden en horloges niet concreet is.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat hij op bestelling handelde in sieraden en horloges. Bonnetjes en/of facturen ontving de verdachte nooit. Daarmee is naar het oordeel van het hof – nog daargelaten of sprake was van de door de verdachte gestelde handel – op generlei wijze een nadere onderbouwing gegeven voor de (hoogte van de) daaruit gestelde genoten inkomsten. Gelet hierop is de verklaring van de verdachte niet concreet en ook niet verifieerbaar.
Inkomsten uit de bemiddeling bij de verhuur van vakantiewoningen (punt 15 van de pleitnotities)
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaringen overgelegd van een aantal horecaexploitanten over de bemiddelende rol van de verdachte bij de verhuur van vakantiewoningen. Uit deze verklaringen blijkt aldus de raadsman dat de verdachte actief was in de bemiddeling bij de verhuur van vakantiewoningen in Spanje.
Ter terechtzitting heeft de verdachte nader toegelicht dat hij inkomsten had uit het onderverhuren van vakantiewoningen in Spanje en dat de huur contant aan hem werd betaald.
Het hof stelt vast dat voormelde door de raadsman overgelegde verklaringen in gelijkluidende algemene termen zijn opgesteld en geen informatie geven over welke woningen zijn verhuurd, aan wie deze zijn verhuurd en wanneer deze zijn verhuurd. Evenmin blijkt uit die verklaringen voor welke bedragen de woningen zijn verhuurd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte over de inkomsten uit zijn rol van bemiddelaar nog steeds niet concreet en niet verifieerbaar is.
Aangetroffen kassabonnen (punt 16 van de pleitnotities)
Door de raadsman is voorts naar voren gebracht dat niet alle in de woning van de verdachte en de medeverdachte aangetroffen kassabonnen van hen zijn, maar dat ook huurders van de woningen kassabonnen bewaarden.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte daarover verklaard dat hij zijn huurders adviseerde de bonnen van aangekochte goederen te bewaren ten bewijze van de aankoop van deze goederen voor het geval in de woning zou worden ingebroken. Tijdens het schoonmaken van de appartementen kon het gebeuren dat deze bonnen onbedoeld door de verdachte werden meegenomen.
Naar het oordeel van het hof is deze in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte voor de aanwezigheid van een grote hoeveelheid kassabonnen niet aannemelijk geworden en valt uit die verklaring dus niet af te leiden dat de uit die bonnen blijkende contante uitgaven niet door de verdachte en/of de medeverdachte zijn gedaan. Gelet hierop dient het verweer van de raadsman in zoverre ook te worden verworpen.
Erfenis vader van de medeverdachte
Tot slot heeft de raadsman naar voren gebracht dat de medeverdachte uit de nalatenschap van haar vader een auto heeft verkocht, waaruit volgens de raadsman eveneens blijkt dat het beginsaldo waarvan in de onderhavige zaak wordt uitgegaan hoger is dan € 1.000,-.
Reeds omdat gesteld noch gebleken is dat de verdachte en de medeverdachte op 1 januari 2012, de datum van het beginsaldo voor de kasopstelling, nog beschikten over dit bedrag van de erfenis, dient ook dit verweer te worden verworpen.
(…)”
35. Het hof heeft aan de bovenstaande overwegingen de conclusie verbonden dat “van de kant van de verdachte geen concrete, verifieerbare op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaringen zijn gegeven omtrent de herkomst van de in de kasopstelling opgenomen geldbedragen en het verschil tussen het contante legale inkomen en de contante uitgaven van de verdachte en de medeverdachte.” Op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde auto’s en geldbedragen uit misdrijf zijn verkregen.
36. Het middel bevat ten eerste de klacht dat het hof de rechtspraak van de Hoge Raad heeft miskend door zelf onderzoek te doen naar de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte over de herkomst van de aangetroffen voorwerpen, terwijl die taak aan het openbaar ministerie had moeten worden toebedeeld. Het hof zou met de hiervoor weergegeven bewijsoverwegingen eraan voorbij hebben gezien dat het op grond van het ‘stappenplan’ dat de Hoge Raad in zijn genoemde arrest van 18 december 2018 heeft samengevat op de weg van het openbaar ministerie had gelegen nader onderzoek te doen naar de verklaring die de verdachte heeft gegeven.
37. Ik deel het standpunt van de steller van het middel niet. Het hof heeft geoordeeld dat de diverse verklaringen die de verdachte heeft gegeven geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring opleveren dat de auto’s en geldbedragen niet uit misdrijf afkomstig zijn. In het ‘stappenplan’ van de Hoge Raad is het hof daardoor aan een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte niet toegekomen. Door aldus te oordelen heeft het hof de rechtspraak van de Hoge Raad niet miskend. Reeds daarom faalt de klacht.
18. Daarbij komt het volgende. De rechtspraak van de Hoge Raad komt erop neer dat van de verdachte niet mag worden gevergd diens concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring aannemelijk te maken. Heeft de verdachte een dergelijke verklaring gegeven, dan ligt het op de weg van het openbaar ministerie naar die verklaring nader onderzoek te doen, zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 18 december 2018. Waar het vooral om gaat is dat niet op de verdediging de last mag worden gelegd de gegeven verklaring aannemelijk te maken. Zeker indien de verdachte reeds in het voorbereidend onderzoek een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd, zal het doorgaans het openbaar ministerie zijn dat in dat stadium van het geding naar die verklaring nader onderzoek doet. De omstandigheid dat het in de woorden van de Hoge Raad op de weg van het openbaar ministerie ligt dat onderzoek te doen, wil echter niet zeggen dat de rechter niet ook zelf nader onderzoek zou kunnen (doen) verrichten. Ook als de zittingsrechter zelf onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte, respecteert hij immers het uitgangspunt dat de last die verklaring aannemelijk te maken niet op de schouders van de verdediging mag worden gelegd. Anders dan de steller van het middel suggereert, is van een omkering van de bewijslast in dat geval geen sprake. Bovendien moet de rechter volgens de rechtspraak van de Hoge Raad
medeop basis van de resultaten van nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte beoordelen of (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Hieruit volgt dat de rechter zich bij deze finale beoordeling ook kan laten leiden door zijn eigen bevindingen ten aanzien van de verklaring(en) van de verdachte. Ook daarom faalt de klacht.
39. Het middel houdt daarnaast in dat het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de legale herkomst van de voorwerpen heeft gegeven, ontoereikend is gemotiveerd.
40. Uit de hiervoor onder 33 en 34 weergegeven nadere bewijsoverwegingen blijkt dat diverse vermeende bronnen van legale inkomsten door de verdediging naar voren zijn gebracht. In de bewijsvoering zijn deze gestelde inkomstenbronnen elk afzonderlijk besproken. Het hof heeft daarmee telkens gemotiveerd en onder verwijzing naar wettige bewijsmiddelen uiteengezet dat en waarom de desbetreffende verklaring in zoverre niet concreet, niet verifieerbaar en/of op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
41. Voor zover daartegen in algemene zin in cassatie wordt opgekomen, komt het aangevoerde voor onderzoek door de cassatierechter niet in aanmerking. In zoverre is immers geen sprake van een duidelijke en stellige klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.In de toelichting op het middel wordt slechts in algemene bewoordingen aangevoerd dat het oordeel van het hof dat geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is verschaft, onbegrijpelijk zou zijn “gelet op hetgeen in dat verband door de verdediging is aangevoerd (met name de gegeven concretisering van het legale vermogen en de verzoeken te dier zake getuigen te horen)”. De bezwaren tegen het bewijsoordeel van het hof zijn niet toegespitst op een of meer van de aangevoerde en door het hof besproken inkomstenbronnen, terwijl evenmin is aangegeven waarom het door het hof gegeven bewijsoordeel onbegrijpelijk is of ontoereikend is gemotiveerd.