Uitspraak
1.Geding in cassatie
(inclusief bankopnamen): € 62.729,37
(inclusief bankstortingen): € 135.038,92
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor gewoontewitwassen, waarbij het hof oordeelde dat een groot verschil van circa €55.000 tussen legale contante inkomsten en feitelijke uitgaven een vermoeden van witwassen rechtvaardigt. Verdachte kon dit verschil niet aannemelijk verklaren met legale spaargelden.
Het hof baseerde zich op een gedetailleerde kasopstelling en diverse bewijsstukken, waaronder aankoopbewijzen van auto's, sieraden, wapens en andere goederen. Verdachte voerde aan dat hij over contant spaargeld beschikte, maar deze verklaring werd door het hof niet als aannemelijk beoordeeld.
De Hoge Raad herhaalt de rechtspraak dat bij een vermoeden van witwassen van verdachte een concrete, verifieerbare en niet onwaarschijnlijke verklaring mag worden verlangd. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af, behalve dat vanwege overschrijding van de redelijke termijn de opgelegde taakstraf wordt verminderd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring van gewoontewitwassen en vermindert de taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn tot 228 uur, subsidiair 114 dagen hechtenis.