ECLI:NL:PHR:2021:405

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 2021
Publicatiedatum
19 april 2021
Zaaknummer
20/01191
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 577c SvArt. 445 SvArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beschikking tot tenuitvoerlegging lijfsdwang

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 17 februari 2020 verlof verleend tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor een periode van 540 dagen wegens het uitblijven van betaling van een ontnemingsmaatregel van € 62.637,00, waarvan nog € 59.287,00 openstond.

De veroordeelde stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking en voerde twee middelen aan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde echter tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat tegen beschikkingen op grond van art. 577c (oud) Sv, zoals het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang, geen cassatieberoep openstaat.

Met de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet USB per 1 januari 2020 is art. 577c (oud) Sv vervallen en vervangen door art. 6:6:25 Sv Pro, waarbij gijzeling het dwangmiddel is geworden. Deze wetswijziging heeft echter geen verandering gebracht in het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke beschikkingen.

Daarom is het cassatieberoep van de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard en kan de beschikking tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang niet in cassatie worden aangevochten.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de beschikking tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang is niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01191 B
Zitting9 maart 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de veroordeelde.

1.Het cassatieberoep

1.1.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 17 februari 2020 de vordering van de advocaat-generaal ex art. 577c (oud) Sv, strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor een periode van 540 dagen toegewezen.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de veroordeelde. Mr. M. Berkel, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3.
Deze zaak gaat over het volgende. Aan de veroordeelde is bij uitspraak van 15 maart 2017 van het hof Arnhem-Leeuwarden een ontnemingsmaatregel van € 62.637,00 opgelegd. Na gedeeltelijke betaling resteert nog een bedrag van € 59.287,00. Op grond van het uitblijven van betaling van dit bedrag, heeft de advocaat-generaal bij schriftelijke vordering van 30 juli 2019 gevorderd dat verlof wordt verleend tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor een periode van 540 dagen.
1.4.
Ik vrees dat ik aan de bespreking van de middelen niet toekom vanwege de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

2.Ontvankelijkheid

2.1.
De Hoge Raad heeft in zijn arresten van HR 9 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1706 en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5408 bepaald dat voor de veroordeelde tegen een beschikking op een vordering op de voet van art. 577c (oud) Sv tot het verlenen van verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang geen cassatieberoep openstaat. De Hoge Raad heeft in het laatstgenoemde arrest onder meer overwogen:
“2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Volgens art. 445 Sv Pro staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald.
Nu in dat wetboek geen bepaling voorkomt volgens welke tegen een beschikking als de onderhavige, waarbij verlof is verleend tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang als bedoeld in art. 577c Sv, beroep in cassatie openstaat, kan de veroordeelde in het ingestelde beroep niet worden ontvangen.”
2.2.
Met de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020 is art. 577c (oud) Sv komen te vervallen en is art. 6:6:25 Sv Pro ingevoerd. Op grond van art. 6:6:25 lid 1 onder Pro b Sv kan het openbaar ministerie een vordering instellen om te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde toe te passen indien – kort gezegd – volledig verhaal niet mogelijk blijkt bij een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De wetswijziging komt erop neer dat als een veroordeelde de onherroepelijk aan hem opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet voldoet en volledig verhaal niet mogelijk is gebleken, het openbaar ministerie geen verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang meer kan vorderen. In plaats daarvan kan het openbaar ministerie een vordering instellen om te worden gemachtigd gijzeling jegens de veroordeelde toe te passen. De regeling van de lijfsdwang en die van de gijzeling komen in hoofdlijnen overeen. [1]
2.3.
Het voorgaande laat onverlet dat de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet USB geen verandering heeft gebracht in het stelsel van rechtsmiddelen zoals dat geldt voor beschikkingen. [2]
2.4.
Dat brengt mee dat de veroordeelde niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.

3.Conclusie

3.1.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 26 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:109.
2.Vgl. in ander verband ook HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389.