Conclusie
Readen)
[eiser 2])
[eiser 3])
Readen c.s.)
[verweerder])
1.Feiten
Bvba) opgericht. [verweerder] heeft sinds die datum tot het moment van faillietverklaring gefungeerd als bestuurder van deze vennootschap, en was enig aandeelhouder van deze vennootschap. De onderneming had onder meer tot doel om [het landgoed] te [plaats] (België) (hierna: het
landgoed) te exploiteren. [verweerder] was destijds woonachtig op het landgoed.
koopovereenkomst), waarbij [verweerder] de roerende zaken die zich bevonden op het landgoed en waren beschreven in de aan de koopovereenkomst gehechte bijlagen I t/m III verkocht aan Readen. De koopsom bedroeg € 110.000,-- alsmede één miljoen aandelen in Readen. De koopsom zou deels worden voldaan door verrekening van de door [verweerder] van Readen ontvangen leningen ten bedrage van in totaal € 110.000,--. In de koopovereenkomst is voorts bepaald dat mocht het aandelenpakket op 22 mei 2014 een waardering hebben van minder dan € 450.000,-- voor het verschil extra aandelen op naam van verkoper zouden worden uitgegeven. Op de koopovereenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard.
sideletter) ondertekend behorend bij de koopovereenkomst. Daarin is het volgende opgenomen:
[A]). [eiser 3] was enig bestuurder en aandeelhouder van deze vennootschap. Met ingang van 28 april 2015 is deze vennootschap in staat van faillissement verklaard.
2.Procesverloop
hof) is bij eindarrest van 1 oktober 2019 [6] tot de conclusie gekomen, kort gezegd, dat de grieven van Readen c.s. tegen het eindvonnis van de rechtbank van 31 mei 2017 voor een (klein) deel opgaan (in zoverre wordt het eindvonnis vernietigd) en dat het hoger beroep tegen het vonnis in het incident van 28 december 2016 wordt verworpen nu daartegen geen grieven zijn aangevoerd. Het hof heeft, recht doende in hoger beroep en zakelijk weergegeven, in het eindarrest:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Toepasselijk recht
Motiveringsklacht onder a.)
Rechtsklacht onder b.)
Motiveringsklacht onder c.)
Motiveringsklacht onder d.)
de motiveringsklacht onder a. Voor zover het subonderdeel daar voorbijziet aan wat het hof daadwerkelijk doet in rov. 5.6, mist het feitelijk grondslag. In het andere geval miskent het subonderdeel dat wat het hof bedoelt, zich, aldus in context bezien, afdoende laat begrijpen.
de rechtsklacht onder b, nu het voorbijziet aan wat het hof daadwerkelijk doet in rov. 5.6 en daarmee feitelijke grondslag mist.
de motiveringsklachten onder c en d. Voor zover het subonderdeel daar voorbijziet aan wat het hof daadwerkelijk doet (ook) in rov. 5.6, mist het feitelijk grondslag. In het andere geval miskent het subonderdeel dat het hof bij deze stand van zaken in rov. 5.6 (en in het verlengde daarvan rov. 5.8) niet tot een nadere motivering gehouden was, ook niet op grond van de in noot 1 aldaar genoemde stellingen van Readen c.s. [16]
Rechtsklacht althans motiveringsklacht onder a tegen rov. 5.5.)
Rechtsklacht onder b tegen rov. 5.4.) [20]
Motiveringsklacht onder c tegen rov. 5.4.)
de rechtsklacht althans motiveringsklacht onder a, reeds omdat het voorbijziet aan wat het hof daadwerkelijk doet in rov. 5.5 en rov. 5.7 en daarmee feitelijke grondslag mist. Dat het hof in rov. 5.7, gevoegd bij de vaststelling aldaar dat de claims van de genoemde derden (wat daarvan verder ook zij) “immers alleen [zagen] op de zaken nodig voor de bedrijfsuitoefening”, de eerdere vaststelling in rov. 5.4-5.5 betrekt dat van dit laatste (zaken nodig voor de bedrijfsuitoefening) geen sprake is bij die verkochte zaken, maakt overigens ook niet dat het hof daarmee een onjuiste rechtsnorm zou toepassen of een onbegrijpelijke argumentatie zou volgen bij de verwerping in rov. 5.7 van het genoemde argument van Readen c.s.
rechtsklacht onder b. Deze miskent dat het hof met de bestreden uitleg van de sideletter in rov. 5.4 [23] niet is voorbijgegaan aan de stellingen van partijen ter zake (voor zover die er zijn) [24] en “de uitlegmaatstaf van de Haviltexnorm”, [25] waarbij bedacht moet worden:
motiveringsklacht onder cstrandt in het voetspoor van de rechtsklacht onder b. Niet alleen neemt deze klacht ten onrechte tot uitgangspunt dat hier sprake is van een “door het hof zelf (ondeugdelijk) gekozen verkeerde uitleg”, gelet op het stranden van de rechtsklacht onder b. Readen c.s. zien hier tevens eraan voorbij dat het hof de bestreden overweging in rov. 5.4, voorlaatste zin (“Dat is immers niet logisch en vraagt om meer uitleg, die Readen c.s. niet heeft gegeven”) niet “als argument beschouwt ter ondersteuning van de uit de lucht vallende uitleg” van de sideletter, maar, uitgaande van die uitleg, relateert aan de vaststelling in de voorafgaande zin (rov. 5.4, voor-voorlaatste zin) dat Readen c.s. niet hebben uitgelegd waarom Readen aan [verweerder] zou moeten betalen voor zaken die niet aan [verweerder] , maar aan de Bvba toebehoorden, wat (evenals rov. 5.4, slotzin) weer verband houdt met de vooropstellingen van het hof in rov. 5.4, eerste zes zinnen (in cassatie onbestreden). Ook hier geldt dus dat het subonderdeel voorbijziet aan wat het hof daadwerkelijk doet in rov. 5.4 en daarmee feitelijke grondslag mist. Overigens valt niet in te zien dat wat het hof daadwerkelijk doet met die bestreden overweging in rov. 5.4, voorlaatste zin (waarover hiervoor) een “drogreden en daarmee een gebrekkige motivering” zou opleveren, nu alleszins navolgbaar is dat zonder nadere uitleg, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom Readen aan [verweerder] zou moeten betalen voor zaken die niet aan [verweerder] , maar aan de Bvba toebehoorden (alsmede dat gelet daarop, gevoegd bij de vaststelling in rov. 5.4, slotzin, Readen c.s. te weinig concrete, specifieke feiten en omstandigheden hebben gesteld om het op grond van Belgisch recht geldende vermoeden van [verweerder] eigenaarschap te kunnen weerleggen).
de staart van het onderdeel op p. 7 van de procesinleiding, onder het kopje “
Gevolgen van het slagen van de klachten”.
Het belang van subonderdeel 1.2 voor de rechtsstrijd na cassatie”, wat daarvan verder zij. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Levering aanvullende aandelen tot waarde van € 450.000,-: niet voldaan
Rechtsklacht onder a.)
Rechtsklacht onder b.)
de rechtsklacht onder abetoogt het onderdeel in wezen dat het hof in rov. 5.11 het concept van schuldeisersverzuim heeft miskend, door aan te nemen dat voor het intreden van schuldeisersverzuim nodig is dat de schuldeiser in gebreke wordt gesteld. M.i. is dat niet het geval.
de rechtsklacht onder bbetoogt het onderdeel in wezen dat het hof in rov. 5.11 het procesrechtelijke beginsel van hoor- en wederhoor (vgl. art. 19 Rv Pro) heeft geschonden in het licht van de comparitie van partijen op 24 juni 2019. [44] M.i. is dat niet het geval.
Aansprakelijkheid [eiser 2] en [eiser 3]
Rechtsklacht onder a.)
Rechtsklacht onder b.)
de rechtsklacht onder aen
de rechtsklacht onder bbetoogt subonderdeel 3.3 in wezen dat het hof hoe dan ook een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bewijsrecht. M.i. is dat niet het geval.
V.S.), [68] een formeel buitenlandse vennootschap is in de zin van art. 1 van Pro de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen (Wfbv); [69] dat [eiser 2] en [eiser 3] hebben gesteld van niet, en [verweerder] heeft gesteld van wel; dat van belang is om vast te stellen op welke partij in deze de stelplicht en bewijslast rust; en dat deze naar het oordeel van de rechtbank op de vennootschap (dus: Readen), en (in afgeleide zin) op de bestuurder (dus: [eiser 2] ) en de feitelijk leidinggevende (dus: [eiser 3] ), rust. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar wetsgeschiedenis en literatuur. [70] In rov. 4.32 van het eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld, kort gezegd, dat [eiser 2] en [eiser 3] – in het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerder] – niet aan deze stelplicht hebben voldaan. Voor een goed begrip citeer ik rov. 4.31-4.32 van het eindvonnis:
Het ligt in de rede dat de rechter, geconfronteerd met een gemotiveerde vordering, waaruit helder naar voren komt dat de vennootschap slechts formeel buitenlands is, van de vennootschap zal verlangen dat zij vervolgens feiten en omstandigheden stelt en zo nodig bewijst, waaruit blijkt dat zij wèl buitenlandse activiteiten ontplooit of wèl een werkelijke band met haar staat van oprichting heeft.” [79]
subonderdeel 3.2, welk subonderdeel in wezen betoogt dat het hof een onjuiste toepassing heeft gegeven aan “de norm” van art. 1 Wfbv Pro. M.i. is ook dat niet het geval.