Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Iwordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof er blijkens zijn overweging dat vanaf 2013 pogingen zijn ondernomen door de kantonrechter om de bewindvoerders te bewegen rekening en verantwoording af te leggen, kennelijk vanuit gaat dat het gaat om een beslissing in een al in 2013 begonnen procedure. Dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De ouders zijn immers pas bij brief van 14 mei 2019 op de voet van art. 271 Rv Pro opgeroepen voor een zitting. De bevoegdheid van de kantonrechter dient beoordeeld te worden naar de situatie op het moment dat de oproeping werd verzonden.
zonodig ambtshalve’beslist dat niet hij, maar een andere rechter van gelijke rang bevoegd is, zijn ingevoerd per 15 oktober 2005. [8] In het per 1 januari 2002 ingevoerde art. 270 Rv Pro was dit niet opgenomen. De ambtshalve beoordeling van de relatieve bevoegdheid was toen beperkt tot de gevallen waarin een of meer opgeroepen belanghebbenden niet in de procedure was verschenen. [9] Ook de in de tweede volzin van art. 110 lid 1 Rv Pro opgenomen plicht tot ambtshalve beoordeling van de relatieve bevoegdheid in de daar omschreven dagvaardingszaken, is toen ingevoerd.
een betwisting van bevoegdheid wordt verworpen of de zaak naar een andere rechter wordt verwezen’, dus, met andere woorden,
alleenin de gevallen (i) dat de rechter een door een belanghebbende opgeworpen bevoegdheidsverweer heeft verworpen, [13] (ii) de rechter een door een belanghebbende opgeworpen bevoegdheidsverweer heeft gehonoreerd en de zaak heeft verwezen naar een andere rechter, of (iii) de rechter ambtshalve de zaak naar een andere rechter heeft verwezen.
de categorische uitsluiting van het hoger beroep in de eerste zin van het derde lid’, [14] maar toen was de tweede volzin in lid 1 nog niet opgenomen en gold dus enkel de hoofregel, dat het verweer dat de rechter niet relatief bevoegd is, op straffe van verval van het recht daartoe gevoerd moet worden vóór alle verweren ten gronde. [15]
als het gaat om bepalingen van relatieve competentie die van openbare orde zijn. Zie het commentaar op art. 110 lid 3 Rv Pro (voor de regeling van art. 270 Rv Pro verwijst Snijders/Wendels naar het commentaar bij art. 110 Rv Pro [16] ): [17]
een redelijke uitleg van deze bepaling [mee] brengt […] dat ook geen hogere voorziening is toegelaten tegen het achterwege laten door de rechter van een ambtshalve beoordeling van zijn relatieve bevoegdheid op de voet van de tweede volzin van artikel 110 lid 1 Rv Pro”. [19] Overigens ging het in deze zaak om een dagvaardingszaak, met betrekking tot een van de uitzonderingsgevallen genoemd in art. 110 lid Pro 1, tweede volzin, Rv, waarin de rechter ambtshalve moet beoordelen of hij relatief bevoegd is.