Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt dat het gerechtshof de vordering van de benadeelde partij tot een hoger bedrag heeft toegewezen dan de schade die aan de verdachte op grond van de bewezenverklaarde onrechtmatige gedragingen daadwerkelijk kan worden toegerekend en/of dat het gerechtshof zijn oordeel ten aanzien van de materiële en immateriële schade in het licht van hetgeen daaromtrent door de raadsman is aangevoerd onvoldoende met redenen heeft omkleed. Het middel ziet zowel op de beslissing op de vordering van de benadeelde partij als op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
TOELICHTING IMMATERIËLE SCHADE VAN [slachtoffer]
(BFK: 2015).
Noodzakelijkerwijs is het toe te kennen bedrag een inschatting van de geleden schade. Harde gegevens met betrekking tot het aantal uren dat gewerkt is, het aantal klanten dat per dag werd ontvangen en de inkomsten die daarmee werden verdiend, zijn immers niet voorhanden.
€ 5500,- tenminste redelijk.
Immateriële schade
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
de periode in Ridderkerkvan 24 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 (3 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door het hof, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 15 dagen en
de periode in Rotterdamvan 14 november 2015 tot en met 18 december 2015 (5 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door het hof, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 25 dagen.
periode in Amsterdamgeldt dat 5/13 van € 15.000,00, zijnde
€ 5.769,23voor toewijzing vatbaar is. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich in deze periode samen met [medeverdachte 4] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. Het hof acht derhalve zowel de verdachte als [medeverdachte 4] hoofdelijk aansprakelijk voor dit bedrag van
€ 5.769,23. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten op 7 oktober 2015.
€ 8.269,23en het bedrag van
€ 185,60, derhalve op
€ 8.454,83. De verdachte is voor het bedrag van
€ 8.269,23hoofdelijk aansprakelijk met haar mededader, zoals hierboven is weergegeven.
€ 25,00die gevorderd is in verband met de verkoop van sieraden, wordt de vordering afgewezen.
NJ2019/379 m.nt. Vellinga, het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij, heeft Uw Raad onder meer het volgende overwogen (met weglating van een voetnoot):
informatief gesprek mensenhandelheeft aangeefster verteld dat zij [medeverdachte 4] via Badoo heeft leren kennen, dat hij haar in contact heeft gebracht met de verdachte en dat de verdachte haar heeft verteld dat zij met klanten naar bed moest. Aangeefster moest lang werken, ze begon om 11.00 uur en werkte tot soms 22.00 uur. Soms had zij één klant per dag maar soms ook vier. Het tarief was € 60,- voor een half uur; € 20,- erbij voor pijpen zonder condoom, € 100,- voor een uur en € 20,- erbij voor pijpen zonder condoom. Aangeefster geeft aan dat zij altijd klanten heeft gehad in de woning van de verdachte. Op 7 oktober 2015 is aangeefster door haar vader opgehaald in Amsterdam. In een
verhoor door de politieop 18 december 2015 heeft aangeefster verteld dat zij twee à drie dagen nadat de site op 31 augustus 2015 was aangemaakt voor de eerste keer seks had met een klant. Zij had seks met de klanten op de slaapkamer van de verdachte en gaf daarna het geld aan de verdachte of [medeverdachte 4] . Aangeefster kreeg van het geld wat zij ‘nodig had. Verzorgingsspullen, kleding. Zoals make-up, shampoo’. In een
verhoor door de politieop 19 december 2015 verklaart aangeefster dat zij soms 3, 4 klanten, ‘soms meer, soms niks’ kreeg. In de ‘laatste dagen’ kreeg aangeefster van [medeverdachte 4] € 600,- als haar ‘deel’, maar daarvan moest ze € 500,- ‘betalen voor de huur’. Aangeefster verklaart dat zij na de 13e (BFK: ik begrijp november 2015) twee klanten heeft gehad en dat zij er in Amsterdam meer had: ‘4 of 6 per dag. Ik had ook een klant van 23.00 tot 06.00 uur. Hij heeft 400 euro betaald’. In een
verhoor door de rechter-commissarisvan 3 maart 2016 verklaart aangeefster tevens dat de afspraak ‘was dat ik niet op zondag werkte, maar dat werd al snel veranderd’. En zij geeft aan dat ‘het klopt dat ik één of twee klanten per dag had’. De vraag ‘of er ook dagen waren dat er geen klanten waren’ beantwoordt aangeefster ontkennend. Er kwamen volgens haar gemiddeld ‘2 klanten per dag soms meer. Deze betaalden dan ongeveer 50 tot 70 euro’.
Inleiding
tweedemiddel houdt in dat het sanctierecht sinds 1 januari 2020 ten gunste van de verdachte is veranderd, ‘meer in het bijzonder door opneming van art. 6:4:20 Sv Pro’. De steller van het middel verzoekt Uw Raad de beslissing van het gerechtshof te casseren voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast en te bepalen dat met toepassing van voornoemd artikel gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.