“Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verdachte heeft zich schuldig [gemaakt] aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Het hof heeft daarbij gelet op:
- de omstandigheid dat de verdachte, zo blijkt uit hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 februari 2019, reeds eerder ter zake van overtreding van de Wet wapens en munitie meermalen onherroepelijk is veroordeeld;
- de omstandigheid dat verdachte het vuurwapen in de auto bij zich heeft gehad, geladen met scherpe patronen, en dit vuurwapen uit zijn auto heeft gegooid waardoor het op de openbare weg is beland. Indien het wapen niet tijdig was gevonden had het in handen van onoordeelkundige gebruikers, zoals bijvoorbeeld kinderen, terecht kunnen komen, met alle risico’s van dien.
Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn in de onderhavige strafzaak geschonden. Het hof stelt namelijk vast dat de inzendingstermijn van 8 maanden vanaf de datum waarop het hoger beroep is ingesteld (te weten: 20 april 2015) tot aan de datum waarop de stukken van de zaak zijn ontvangen ter griffie van het gerechtshof(te weten: 2 augustus 2016) in ruime mate is overschreden. Ook de behandeling in hoger beroep heeft niet binnen een termijn van twee jaren plaatsgevonden. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die voormelde overschrijding rechtvaardigen en vindt in de termijnoverschrijding derhalve aanleiding een lagere straf op te leggen dan het hof zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, zoals door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van de hierna aan te geven straf.”