Conclusie
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Het eerste middel
b. de betrokken inspecteurs, waaronder één dierenarts, van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit, die in de periode 2014 tot en met 2017 de konijnenfokkerij van [aangeefster] hebben gecontroleerd op dierenwelzijn;
De voorzitter vraagt de advocaat-generaal naar haar standpunt.
Ook het verzoek inspectierapporten toe te voegen moet worden afgewezen. De inspectierapporten zeggen niets over de wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte.
De advocaat-generaal en de raadsman delen, daar naar gevraagd door de voorzitter, mede er geen bezwaar tegen te hebben dat het hof bij de voortzetting van de behandeling op 4 maart 2020 anders zal zijn samengesteld.”
5.Het tweede middel
(…)
(…)
10. Deze alarmerende beelden tonen wat de verdediging betreft aan dat de huisvesting in de bewuste fokkerij ernstig tekortschoot: stinkende hokken, zieke, verminkte en stervende/dode konijnen. De ontlasting onder de kooien was zo veel/erg dat het ammoniakgehalte in de lucht leidt tot ademhalingsstoornissen en zwerende ogen. De voedsters lijden het zwaarst, die moeten in een jaar ongeveer zeven nestjes werpen. En dat alles levend op draadstaal.
lid 1: Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen,
6.Het derde middel
Daartoe heeft de verdediging (…) gesteld dat sprake was van een noodtoestand (…).
(…)
7.Het vierde middel
Daartoe heeft de verdediging (…) gesteld dat sprake was van (…) psychische overmacht.
27. Deze combinatie van de allesoverheersende idealen van cliënt en de stoornis waar hij aan lijdt, brengt met zich dat er sprake is van psychische overmacht: cliënt heeft gehandeld onder invloed van een van buiten komende dwang waartegen weerstand weliswaar niet volkomen onmogelijk is, doch redelijkerwijs niet kan worden gevergd (HR 30 november 2004, NJ 2005, 94). Het gaat in de kern om de vraag of er sprake is van een zodanige druk dat in gemoede kan worden gezegd dat de wilsvrijheid van de dader is aangetast en of van de dader in concreto redelijkerwijs te vergen valt dat hij weerstand biedt aan de druk van de omstandigheden. Daarbij komt een belangrijke betekenis toe aan diens persoonlijkheid, zoals hiervoor beschreven. Er is bovendien een duidelijk verband tussen de persoonlijkheid van cliënt en het gepleegde feit. Hij had in die zin niet de vrije keuze om zijn gewetensdrang te laten prevaleren boven het inzicht in de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen. Zoals is beschreven in het oude PO-rapport was cliënt niet in staat om zijn gedrag bij te sturen. Onder invloed van zijn allesoverheersende idealen en het feit dat eerdere acties nog niet het gewenste effect opleverden, kwam hij tot zijn daad. Gelet op al deze omstandigheden meent de verdediging dat sprake is van psychische overmacht en wordt verzocht cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging.”