Conclusie
1.Inleiding
onderdeel 1) en de advisering door PFC als cliëntenremisier (
onderdeel 2). Naar mijn mening slaagt onderdeel 1 en behoeft onderdeel 2 geen behandeling.
2.Feiten en procesverloop
Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen. Dexia heeft voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW Pro bij de door haar gevorderde verklaring voor recht (rov. 6.2). [eisers] hebben onvoldoende feitelijk onderbouwd dat Dexia de vordering met geen ander doel heeft ingesteld dan om hen te schaden. De stelling van [eisers] dat de jurisprudentie van de Hoge Raad en de gerechtshoven zich onvoldoende zou hebben uitgekristalliseerd op het moment dat Dexia de vordering instelde, levert op zichzelf evenmin misbruik van bevoegdheid op als bedoeld in art. 3:13 BW Pro (rov. 6.4). Het hof beoordeelt vervolgens of de gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen. De vorderingen die [eisers] menen te hebben op Dexia – wegens het niet daadwerkelijk aankopen van de aandelen door Dexia (rov. 6.9), het hanteren van onjuiste afrekenkoersen (rov. 6.10-6.12), beleggingstechnische gebreken (rov. 6.13), schending van de zorgplicht nu ten aanzien van de overeenkomst sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last (rov. 6.14-6.30), advisering door een tussenpersoon (rov. 6.31-6.40), hypotheekschade (6.41-6.44), de onverschuldigdheid van door [eisers] betaalde resterende termijnen bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst (rov. 6.45-6.53) en de buitengerechtelijke kosten (rov. 6.54-6.57) – zijn alle ongegrond.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
In de nrs. 119 e.v. van de conclusie van antwoord nemen [eisers], samengevat, het standpunt in dat (i) Dexia ten onrechte betoogt dat het oordeel dat zij art. 41 NR Pro 1999 heeft overtreden geen stand houdt, omdat PFC optrad als orderremisier; (ii) indien Dexia zich aan het verbod (van art. 41 NR Pro 1999) had gehouden, de overeenkomst niet tot stand had kunnen komen; Dexia had immers de gehele aanvraag niet in behandeling mogen nemen, en geen overeenkomst aan PFC (bestemd voor [eisers]) mogen sturen, zodat enig handelen door [eisers] (hoe lichtvaardig ook) nimmer tot totstandkoming van de onderhavige verbintenis had kunnen leiden (nr. 124); (iii) voorwaarde voor de vrijstelling van de vergunningsplicht is dat de remisier geen effectenorders doorgeeft en niet adviseert over de belegging (nr. 126); (iv) PFC door middel van het aanvraagformulier een order heeft doorgegeven (nr. 127); (v) [eisers] geen handeling hebben verricht waardoor Dexia ondanks het verbod toch de order van PFC aannam (nr. 136); (vi) bij eventuele toepassing van art. 6:101 BW Pro van belang is (1) dat de (bewuste) verbodsovertreding een ernstige normschending betreft nu Dexia zelf PFC ertoe aanzette om zonder vergunning als orderremisier te handelen (althans wel vergunningsplichtige activiteiten te verrichten), en (2) dat de overeenkomst in het geheel niet tot stand had mogen komen (nr. 138).