Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Betrokkene) heeft verweerster in cassatie (hierna:
Google) verzocht om bepaalde zoekresultaten te verwijderen uit de resultaten bij een zoekopdracht op haar naam. Google heeft dat verzoek afgewezen, volgens de rechtbank ten onrechte maar volgens het hof terecht. [1]
SIN-NL), waaronder ‘zwarte lijst artsen’. Betrokkene, die werkzaam is als chirurg, staat met naam en foto op die zwarte lijst naar aanleiding van een haar opgelegde tuchtrechtelijke maatregel. Ik heb er ambtshalve kennis van genomen dat de website zwartelijsartsen.nl hangende deze cassatieprocedure door de rechtbank Midden-Nederland is verboden in het kader van een collectieve actie. [2] Op dit moment is Betrokkene dan ook niet meer vindbaar op genoemde website op de wijze als weergegeven in het verzoekschrift tot cassatie onder 1.1. en 1.2.
GC e.a./CNILvan het Hof van Justitie. [6] Van deze ontwikkelingen, die van direct belang zijn voor de beoordeling van dit cassatieberoep, geef ik in hoofdstuk 4 een samenvatting.
2.Feiten
Wet BIG).
de koppelingen) ingediend. Google heeft dit verzoek afgewezen. Haar afwijzende reactie luidt – voor zover hier relevant – als volgt:
3.Procesverloop
de rechtbank) verzocht om Google op te dragen de koppelingen te verwijderen en verwijderd te houden uit de zoekresultaten, zodanig dat deze niet meer worden getoond aan gebruikers die vanuit Nederland deze zoekopdracht geven, en ook te verwijderen uit Google.com, Google.nl en alle lokale EU versies van Google Search, op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van Google in de proceskosten.
Subsidiairheeft Betrokkene zich beroepen op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak
Google Spain/Costeja(hierna:
Costeja-arrest), op het in 1.3 genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (hierna:
X/Google-arrest), alsmede op art. 17 AVG Pro. De te verrichten belangenafweging moet in dit geval in haar voordeel uitvallen, aldus Betrokkene. Google heeft tegen dit verzoek gemotiveerd verweer gevoerd.
X/Google-arrest onder meer, onder verwijzing naar het
Costeja-arrest, geoordeeld dat het recht op privacy en op eerbiediging van persoonsgegevens in de regel zwaarder weegt dan het recht op informatievrijheid. De belangenafweging valt in het onderhavige geval in het voordeel van Betrokkene uit omdat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat haar recht op eerbiediging van haar privacy en haar persoonsgegevens moet wijken voor het belang van het publiek.
het hof). Bij tussenbeschikking van 7 april 2020 heeft het hof de feiten vastgesteld en partijen gelegenheid gegeven zich uit te laten over de relatieve rechtsmacht.
4.Juridisch kader
ex nunc, werking. [13] De AVG is een verordening (art. 288, tweede alinea, VWEU) en daarom rechtstreeks toepasselijk. Zij bevat autonome begrippen die binnen de EU uniform dienen te worden uitgelegd. De AVG laat echter op verschillende deelterreinen ruimte voor nationaal beleid. [14]
UAVG), [16] die op 25 mei 2018 in werking is getreden. In de memorie van toelichting is aangegeven dat de UAVG op ‘beleidsneutrale’ wijze invulling geeft aan de nationale beleidsruimte, hetgeen inhoudt dat het tot aan de invoering van de UAVG geldende Nederlandse recht – de Wbp - zoveel mogelijk wordt gerespecteerd. [17]
een door de rechter opgelegd verbod naar aanleiding van onrechtmatig of hinderlijk gedrag. Dit wordt voortgezet in de Uitvoeringswetdoor ook deze gegevens onderdeel te laten zijn van de definitie van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. De verordening biedt deze ruimte.”
door de rechteropgelegd verbod naar aanleiding van onrechtmatig of hinderlijk gedrag onder de definitie van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard te brengen. Net zo min als de tekst van art. 1 UAVG Pro bevat de memorie van toelichting een verwijzing naar tuchtrechtelijke maatregelen. [20]
Google/X-arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, dat dateert van vóór het van toepassing worden van de AVG, had verzoeker gevraagd zoekresultaten te verwijderen die berichten bevatten waarin de veroordeling van betrokkenen in die zaak slechts was te vinden met voornaam en het tussenvoegsel en de eerste letter van zijn achternaam. Volgens de Hoge Raad rechtvaardigt het enkele feit dat iemand strafrechtelijk is veroordeeld en dit feit in de publiciteit is geweest, nog niet de vindbaarheid van die gegevens via Google. Nagegaan dient te worden of het publiek er belang bij heeft dat als op de volledige naam van eiser wordt gezocht, de desbetreffende berichten verschijnen. Dit belang dient vervolgens te worden afgewogen tegen dat van verdachte. [21] Daarbij kan onder meer van belang zijn of verdachte een rol in het openbare leven speelt en, zo ja, welke. [22]
a fortiorivoor een tuchtrechtelijke veroordeling als die van Betrokkene. [23]
van tuchtrechtelijke aard.
the right to be forgotten). Ik vind dat een iets minder gelukkige term: de persoon van wie gegevens zijn verwerkt, wil zelf doorgaans niet vergeten worden, maar alleen dat minder gunstige informatie over professionele handelingen niet meer op internet te vinden is. Art. 17 AVG Pro gebruikt hiervoor de term ‘recht op vergetelheid’, naast de term ‘recht op gegevenswissing’ (
right of erasure). Ik zal hierna die laatste term gebruiken, of de term ‘verwijderingsrecht’ als passend synoniem daarvan.
de uitwissingof de afscherming
van de gegevenswaarvan de verwerking niet overeenstemt met de bepalingen van deze richtlijn, met name op grond van het onvolledige of onjuiste karakter van de gegevens;”
Costeja-arrest [26] het recht op verwijdering afgeleid (punt 88 en petitum, onder 3; mijn onderstreping):
gelijktijdig van deze webpagina’s is gewisten, in voorkomend geval, zelfs wanneer de publicatie ervan op deze webpagina’s op zich rechtmatig is.”
krijgen deze rechten in beginsel voorrang niet enkel op het economische belang van de exploitant van de zoekmachine, maar ook op het belang van dit publiek om toegang tot deze informatie te krijgen wanneer op de naam van deze persoon wordt gezocht. Dit zal echter niet het geval zijn indien de inmenging in de grondrechten van de betrokkene wegens bijzondere redenen, zoals de rol die deze persoon in het openbare leven speelt, wordt gerechtvaardigd door het overwegende belang dat het publiek erbij heeft om, door deze opneming, toegang tot de betrokken informatie te krijgen.”
Costeja-arrest genoemde ‘rangorde’ (vgl. de onderstreepte passage in het citaat weergegeven in nr. 4.20) niet terug te vinden. De precisering dat het recht op gegevenswissing niet van toepassing is voor zover de verwerking nodig is voor het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie (art. 17 lid Pro 3, onder a) vormt een belangrijke aanvulling op het
Costeja-arrest. In dat arrest wordt namelijk niet gerept over de vrijheid van meningsuiting en van informatie (art. 11 Handvest Pro), maar alleen over de bescherming van het privéleven (art. 7 Handvest Pro) en de bescherming van persoonsgegevens (art. 8 Handvest Pro). Daarop is de nodige kritiek geweest. [28]
right to be forgotten(niet bindende) richtsnoeren gepubliceerd. Daarin wordt onder meer het volgende wordt opgemerkt: [29]
Costeja-arrest heeft geleid tot een aanzienlijk aantal zaken bij Nederlandse gerechten. Ik verwijs kortheidshalve naar de verschillende rechtspraakoverzichten waarin die zaken (soms met andere rechtspraak over de AVG) wordt samengevat. [30] Volgens een recente kroniek in het Nederlands Juristenblad gaat het daarbij om verzoeken van personen die willen dat bepaalde publicaties over hen niet langer verschijnen in de zoekresultaten bij een zoekopdracht op hun naam (deze zaak is daar een voorbeeld van) of om procedures van personen die hun gegevens uit de BKR-registraties verwijderd willen zien. [31] Tot de tweede categorie behoort een aanhangig verzoek om een prejudiciële beslissing van de rechtbank Amsterdam. [32] Het aantal zaken over verwijderingsverzoeken lijkt af te nemen.
GC e.a./CNILvan (de Grote Kamer) het Hof van Justitie, [33] dat is gewezen hangende het hoger beroep bij het hof. In die zaak ging het om vier verzoeken tot verwijdering van links naar informatie op bronpagina’s die, voor een deel, bijzondere persoonsgegevens bevatten als bedoeld in art. 9 AVG Pro of strafrechtelijke gegevens als bedoeld in art. 10 AVG Pro.
GC e.a./CNILwas allereerst aan de orde of dat verbod (onder voorbehoud van de daarop bestaande uitzonderingen) ook van toepassing is op de exploitant van een zoekmachine als Google. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend, maar komt tevens met een oplossing om te vermijden dat zoekmachines geen zoekresultaten zouden mogen tonen die verwijzen naar bijzondere persoonsgegevens. Het Hof vindt die oplossing in art. 17 lid Pro 3, onder a) AVG:
GC e.a./CNILlaat het Hof van Justitie meer ruimte voor de informatievrijheid van internetgebruikers dan in het
Costeja-arrest. Anderzijds krijgt de exploitant van een zoekmachine wel een actieve rol toebedeeld. Het is aan de exploitant van de zoekmachine om aan te tonen dat de zoekresultaten waarvan verwijdering is verzocht noodzakelijk zijn om het recht op informatievrijheid te beschermen. In zoverre blijft bescherming van de privacy het uitgangspunt, maar van een ‘rangorde’ kan naar mijn mening niet langer worden gesproken.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
GC e.a./CNIL. Tevens heeft het hof miskend dat het toetsingskader van art. 10 AVG Pro jo. art. 1, 31 en 32 UAVG niet hetzelfde is als en dus gelijk te stellen is met dat van art. 17 lid 3 AVG Pro. De klacht is uitgewerkt in subonderdelen.
GC e.a./CNIL-arrest kan worden afgeleid dat tuchtrechtelijke uitspraken niet onder art. 10 AVG Pro vallen. Het middel wijst op rov. 72 van het genoemde arrest waarin het Hof van Justitie heeft overwogen dat informatie inzake een gerechtelijke procedure die tegen een natuurlijk persoon is gevoerd, ziet op gegevens inzake ‘overtredingen’ en ‘strafrechtelijke veroordelingen’ in de zin van art. 8 lid Pro 5, eerste alinea, Richtlijn 95/46/EG en art. 10 AVG Pro, ongeacht of tijdens die gerechtelijke procedure al dan niet is komen vast te staan dat de overtreding waarvoor de persoon is vervolgd is begaan. Hieruit leidt het middel af dat het criterium persoonsgegevens van strafrechtelijke aard ruim dient te worden uitgelegd en, ook een tuchtrechtelijke procedure daaronder valt. Dientengevolge dient allereerst te worden nagegaan of Google een link doorgeeft naar een door de overheid gecontroleerde verwerker. Bij de verwerking van tuchtrechtgegevens als een voorwaardelijk verbod zoals aan Betrokkene opgelegd, moet het immers gaan om een door de overheid gecontroleerde verwerker. In casu is daarvan geen sprake nu zwartelijsten.com een privélijst is van SIN-NL, hetgeen indruist tegen de Wet BIG en de AVG. Ten tweede dient te worden nagegaan of de gegevens voldoen aan het door de wetgever gestelde doel en of de gegevens nog langer noodzakelijk zijn in het licht van de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of verwerkt. Daarbij dient voor de aard doel en strekking te worden gekeken naar het stelsel van de BIG-registratie alsmede het medisch tuchtrecht.
GC e.a./CNIL-arrest kan worden afgeleid dat tuchtrechtelijke uitspraken niet onder art. 10 AVG Pro vallen, gaat het uit van een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. Het hof heeft namelijk overwogen dat ook in geval het hier zou gaan om strafrechtelijke persoonsgegevens, getoetst dient te worden aan art. 17 lid 3 AVG Pro op de wijze zoals is overwogen in rov. 66-69 van het
GC e.a./CNIL-arrest. Het hof heeft dus niet geoordeeld dat uit het
GC e.a./CNIL-arrest volgt dat tuchtrechtelijke uitspraken
nietonder art. 10 AVG Pro vallen.
welonder art. 10 AVG Pro vallen. In rov. 72 wordt overwogen:
betreffen. [35] Het ging onder meer om informatie in artikelen over een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek naar partijfinanciering en een verslag over een strafzitting. Niet blijkt uit het arrest dat het Hof het toepassingsgebied van art. 10 AVG Pro zou hebben verruimd en al helemaal niet dat het Hof met de term ‘gerechtelijke procedure’ in rov. 72 van het
GC c.s./CNIL-arrest zou hebben gedoeld op een tuchtrechtelijke procedure. Ik wijs er nog op dat geen van de vier verzoeken die aan de orde waren in die zaak betrekking had op een tuchtrechtelijke maatregel of procedure.
GC e.a./CNIL-arrestheeft miskend, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof heeft in het bijzonder miskend dat het toetsingskader van art. 10 AVG Pro jo. art. 1, 31 en 32 UAVG niet gelijk te stellen is met dat van art. 17 lid 3 AVG Pro.
GC e.a./CNIL-arrest is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting want zou hebben miskend dat het Hof van Justitie in dat arrest uitgangspunten geeft voor de beoordeling van de vraag of Google tegemoet moet komen aan een verwijderingsverzoek wanneer het gaat om bijzondere persoonsgegevens. Het subonderdeel somt onder a t/m i deze uitgangspunten op met verwijzing naar de relevante passages uit het
GC e.a./CNIL-arrest.
GC e.a./CNIL-arrest aangegeven op welke wijze Google invulling moet geven aan de beoordeling van een verwijderingsverzoek van strafrechtelijke gegevens. Die toetsing is anders, namelijk strenger voor Google en meer in het voordeel van de betrokkenen dan de gewone toetsing van art. 17 lid 3 AVG Pro.
GC e.a./CNIL, volgt uit art. 17 AVG Pro dat de uitzondering in lid 3 van toepassing is op
alle grondenvoor het recht op gegevenswissing genoemd in lid 1 en dus ook in het geval genoemd onder c) dat bezwaar is ingediend en in het geval genoemd onder d) dat de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Ook in de gevallen dat ingevolge art. 10 AVG Pro de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt – bijvoorbeeld omdat de gegevens niet onder toezicht van de overheid zijn verwerkt –, kan de uitzondering van lid 3 van toepassing zijn. In dat geval behoeft de exploitant van een zoekmachine niet die persoonsgegevens te wissen. Door in rov. 2.18 te overwegen dat, ook
alshet in het onderhavige geval persoonsgegevens van strafrechtelijke aard betreft in de zin van art. 10 AVG Pro, er getoetst dient te worden aan art. 17 lid 3 AVG Pro, heeft het hof dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
GC e.a./CNIL-arrest heeft het Hof van Justitie overwogen, kort gezegd, dat onder meer in het geval van strafrechtelijke persoonsgegevens de inbreuk op de grondrechten van eerbiediging van het privéleven en van de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkene(n) mogelijk bijzonder ernstig is vanwege de gevoeligheid van deze gegevens. Om die reden moet de exploitant van een zoekmachine na de ontvangst van een verzoek tot verwijdering op basis van alle relevante elementen van het geval en gelet op de ernst van de inbreuk op de genoemde grondrechten van de betrokkene(n) om de redenen van algemeen zwaarwegend belang nagaan of de opname van de link in de resultatenlijst strikt noodzakelijk blijkt ter bescherming van het recht op vrijheid van informatie van internetgebruikers.
GC e.a./CNIL-arrest heeft aangebracht op het
Costeja-arrest (zie hiervoor, 4.27-4.29)
.Ik benadruk dat het Hof van Justitie in het
GC e.a./CNIL-arrest heeft overwogen (rov. 66) dat ofschoon de door art. 7 en Pro 8 van het Handvest beschermde rechten van de betrokkene in de regel voorrang hebben op dit recht van vrijheid van informatie van internetgebruikers, het evenwicht in bijzondere gevallen kan afhangen van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt.
GC e.a./CNIL-arrest.
GC e.a./CNIL-arrest volgt niet dat dit anders zou zijn. De klachten onder 2.2.7 en 2.2.8 falen mitsdien.
GC e.a./CNIL-arrest in het kader van het evenwicht tussen bescherming van privéleven en de vrijheid van informatie van het publiek heeft verwezen naar jurisprudentie van het EHRM over de essentiële rol van de pers in een democratische samenleving en dat het in die zaak gaat over artikelen in de pers waarin door de pers verslag werd gedaan van opsporingsonderzoek en strafzaken. De betreffende media voldoen in die zaken aan de eisen die aan betrouwbare en nauwkeurige verslaggeving mogen worden gesteld, anders dan de verslaglegging over Betrokkene op zwartelijstartsen.com.
GC e.a./CNIL-arrest wordt het volgende overwogen:
de primaire grondslagfalen.
Costeja-zaak geldt nog onverkort.
ex nunc, onder meer heeft gesteld dat tuchtrechtelijke sancties tegenwoordig wél rechtstreeks via Google vindbaar zijn. [39] Hiermee heeft zij echter niet weersproken dat het BIG-register in de praktijk nauwelijks wordt geraadpleegd. Betrokkene is evenmin ingegaan op de stellingen van Google over de technische set-up van de website en de anonimisering die de informatie ontoegankelijk maken. Het hof behoefde daarom niet nader in te gaan op de stelling van Betrokkene.
naming and shamingte voorkomen. Het hof heeft deze stelling volgens het middel niet in zijn inhoudelijk beoordeling betrokken.
door Google. Zij betreffen de rechtmatigheid van het opnemen van informatie over Betrokkene op de lijst van zwartelijstartsen. Gelet op hetgeen het hof hierover in rov. 2.15 heeft overwogen, behoefde het hof niet nader in te gaan op deze stellingen.
onder 2.5.1dat het hof het bezwaar van Betrokkene heeft miskend dat de koppeling van haar naam aan de aanduiding ‘zwarte lijst’ de onjuiste indruk wekt dat zij niet mag werken als arts, waarvan zij veel hinder ondervindt,
onder 2.5.2dat het hof niet heeft gemotiveerd op welke gronden het op dit punt tot een ander oordeel is gekomen dan de rechtbank,
onder 2.5.5dat onjuist en onbegrijpelijk is het oordeel dat Betrokkene onvoldoende heeft onderbouwd dat zij substantiële hinder ondervindt en
onder 2.5.6dat het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig is waar eerst in rov. 2.16 wordt geoordeeld dat Betrokkene onvoldoende heeft onderbouwd dat zij substantiële hinder ondervindt en vervolgens wordt overwogen dat het niet onaannemelijk is dat potentiële patiënten zich door een andere arts hebben laten behandelen.
substantiëlehinder ondervindt van de litigieuze zoekresultaten. Met de overweging in rov. 2.15 dat de aanduiding ‘zwarte lijst’ een negatieve lading heeft en dat invoelbaar is dat Betrokkene tegen haar vermelding op de lijst bezwaar heeft, heeft het hof bovendien te kennen dat het onder ogen heeft gezien wat haar bezwaar is. Het hof heeft echter met juistheid geoordeeld dat Google niet verantwoordelijk is voor de aanduiding ‘zwarte lijst’ op de website en dat de rechtmatigheid daarvan in deze zaak niet ter beoordeling voorligt. Hiermee heeft het hof ook voldoende gemotiveerd waarom het tot een ander oordeel is gekomen dan de rechtbank. Het feit dat de appelrechter een ander oordeel geeft dan de rechter in eerste aanleg betekent niet dat de appelrechter een verzwaarde motiveringsplicht heeft, zoals het middel lijkt te suggereren. De reikwijdte van de motiveringsplicht van de appelrechter wordt bepaald door het debat tussen partijen. De klachten onder 2.5.1 en 2.5.2 falen.
Onder 2.8.2klaagt het middel dat het bestreden oordeel van het hof inhoudelijk onjuist en onbegrijpelijk is. Het publiek zal op basis van de subtitel ‘Een initiatief van SIN NL’ niet herkennen dat het hier om een privé-initiatief gaat. Daarnaast is het voor de hinder die Betrokkene ondervindt niet relevant of het publiek zwartelijstartsen.nl al dan niet als ‘officiële zwarte lijst van overheidswege’ zal herkennen.
Onderdeel 9is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.16 (hiervoor geciteerd in 5.61).
Onder 2.9.1betoogt het middel dat het hof zonder nadere toelichting voorbijgaat aan het standpunt van A-G Langemeijer dat een arts gebonden is aan zijn professionele geheimhoudingsplicht waardoor hij niet altijd in het openbaar gedetailleerd kan reageren.
Onder 2.9.2klaagt het middel dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd hoe het tot het oordeel is gekomen dat het feit dat Betrokkene een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen relevant is voor het debat over de risico’s van borstimplantaten.
Onder 2.9.3betoogt het middel, als ik het goed zie, dat het hof heeft miskend dat het feit dat Betrokkene een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen op dit moment wel in het BIG-register staat.
Onder 2.9.4klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat de opgelegde maatregel zwaar is, onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is, gezien het door Betrokkene in feitelijke instanties ingenomen standpunt dat de maatregel niet zwaar is.
Onder 2.9.5klaagt het middel dat het hof een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door te overwegen dat Betrokkene zich bezig houdt met de promotie van het ‘zonedieet’ en met controversiële behandelingen van mensen met seksuele problemen. Google heeft hier pas op gewezen bij pleidooi in hoger beroep. Dit betreft derhalve een nieuwe stelling die het hof op grond van art. 347 Rv Pro buiten beschouwing had moeten laten. Tevens heeft hierover geen debat meer plaatsgevonden waardoor het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen.
Onderdeel 10bestaat uit drie subonderdelen en is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.16 dat het belang van potentiële patiënten dat online informatie beschikbaar en eenvoudig toegankelijk is in de belangenafweging de doorslag geeft.
2.10.1slagen niet. De klacht onder (i) is een herhaling van de klacht onder 2.9.4 en faalt om dezelfde redenen. De klachten onder (ii) en (iv) voldoen niet aan de op grond van art. 426a lid 2 Rv aan een cassatieklacht te stellen eisen. De klacht onder (iii) vormt een herhaling van de klachten van onderdeel 7 en faalt om dezelfde redenen.
Onder 2.10.2voert het middel aan dat het hof met zijn oordeel dat de vermelding van Betrokkene op zwartelijstartsen.nl inclusief de daar opgenomen volledige tekst van de tuchtrechtelijke uitspraak juist voor de (potentiële) patiënten van groot belang is, heeft miskend dat het verzoek van Betrokkene helemaal niet gericht is op het buiten het zicht houden van de tuchtrechtelijke uitspraak, maar enkel om niet op Google als ‘zwarte lijst arts’ te worden neergezet. Daarnaast heeft het hof ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend aan de vaststelling dat de patiënten van Betrokkene weinig behandelopties hebben en dat het hof hiermee ten onrechte een andere maatstaf heeft aangelegd dan de medisch tuchtrechter.
Onder 2.10.3betoogt het middel dat het hof heeft miskend dat er via zwartelijstartsen.nl helemaal niet ‘eenvoudig online informatie beschikbaar en toegankelijk is over de voor- en nadelen van de behandelingen van [Betrokkene]’.
onlineinformatie daarover beschikbaar en eenvoudig toegankelijk is.
Onder 2.11komt het middel tot een conclusie betreffende de onderdelen 2.5 t/m 2.10, hetgeen afzonderlijke bespreking behoeft.
de subsidiaire grondslagfalen.
Onderdeel 12is gericht tegen de kostenveroordeling (rov. 2.20).
Onder 2.12.1voert het middel aan dat het hof Betrokkene ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten in beide feitelijke instanties. Het hof heeft hierbij miskend dat bij een procedure waarbij een natuurlijk persoon van zijn rechten in het kader van de Wbp/AVG gebruik maakt, die persoon, ook als hij of zij in het ongelijk wordt gesteld, niet dient te worden veroordeeld in de proceskosten van de aangesproken verwerker van zijn persoonsgegevens. Het middel beroept zich op art. 79 AVG Pro en op art. 47 Handvest Pro, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in de zaak
Puškár [43] en in twee uitspraken van het hof Den Bosch. [44] Het hof heeft met zijn oordeel over de proceskosten blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel op dit punt onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Onder 2.12.2voert het middel aan dat indien geen van de klachten in cassatie zou slagen, de proceskosten in alle instanties dienen te worden gecompenseerd en indien één of meer van de klachten in cassatie wél zouden slagen, Google dient te worden veroordeeld in de proceskosten van Betrokkene in alle instanties.
Onder 2.12.3geeft het middel in overweging om bij twijfel hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
kaninhouden. De rechter kan hiertoe ook ambtshalve overgaan. [45] Het uitgangspunt is dat het aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt is overgelaten of deze aanleiding ziet in het gegeven geval een veroordeling in de proceskosten uit te spreken. Een dergelijk oordeel behoeft in beginsel geen motivering. [46] Ik merk tot slot op dat in verzoekschriftprocedures de rechter niet het Liquidatietarief hoeft toe te passen.
Puškár-arrest heeft het Hof van Justitie de vraag moeten beantwoorden of art. 47 Handvest Pro in de weg staat aan nationale wetgeving op grond waarvan een persoon die stelt dat zijn door richtlijn 95/46 gewaarborgde recht op bescherming van persoonsgegevens is geschonden, pas beroep in rechte kan instellen nadat hij eerst beschikbare administratieve beroepswegen heeft uitgeput. Het Hof oordeelde dat dit niet het geval is, mits de wijze waarop
in concretoover die beroepswegen kan worden beschikt, het in art. 47 Handvest Pro bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet onevenredig aantast. [47] Het staat de lidstaten in beginsel vrij om een passende vergoeding voor de instelling van beroep voor een bestuurlijke instantie vast te stellen, die echter niet op een niveau mag liggen waardoor de uitoefening van het in art. 47 Handvest Pro gewaarborgde recht wordt belemmerd. Het gaat hier om kosten die ontstaan naast de kosten voor de (eventueel later te vragen) voorziening in rechte. [48]
Puškár-arrest niet worden afgeleid dat het door art. 79 AVG Pro en art. 47 Handvest Pro gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte in de weg staat aan een kostenveroordeling in een gerechtelijke procedure zoals hier aan de orde is.
Puškár-arrest een aanknopingspunt gezien om gelet op de aard van de procedure (waarin een natuurlijk persoon rechten ten aanzien van zijn persoonsgegevens uitoefende) de proceskosten te compenseren, ook al werd die persoon in het ongelijk gesteld. [49] Deze uitspraken bevestigen dat art. 47 Handvest Pro de rechter een handvat kan geven om procedurele obstakels (gedeeltelijk) weg te nemen. Het Bossche hof gaf daarmee invulling aan zijn discretionaire bevoegdheid om gezien de omstandigheden van het geval al dan niet een proceskostenveroordeling uit te spreken. [50] Uit deze uitspraken kan niet worden afgeleid dat in procedures inzake verzoeken van een natuurlijk persoon op grond van de AVG deze persoon, indien zijn verzoek wordt afgewezen, niet in de kosten zou mogen worden veroordeeld. In de procedures waarin een feitenrechter een verzoek tot gegevenswissing afwees, wat het geval is in de meerderheid van de zaken, werd de verzoeker ex art. 289 Rv Pro in de kosten veroordeeld.
Onderdeel 13is een voortbouwklacht en behoeft evenmin bespreking.