ECLI:NL:PHR:2021:567

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
7 juni 2021
Zaaknummer
19/04263
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 onder D OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 68 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs medeplegen vervaardigen amfetamine

Op 26 maart 2015 werd in een woning te Well een amfetaminelaboratorium aangetroffen waar op die dag amfetamine werd geproduceerd. De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van het vervaardigen van amfetamine op basis van onder meer DNA-sporen op handschoenen en de aanwezigheid van productieapparatuur.

De verdachte verklaarde in hoger beroep dat hij slechts caustic soda had geleverd en niet wist dat er amfetamine werd vervaardigd. De verdediging voerde aan dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat daadwerkelijk op die dag amfetamine werd geproduceerd en dat de verdachte daarbij betrokken was.

De advocaat-generaal concludeerde dat het bewijs onvoldoende is om vast te stellen dat de verdachte daadwerkelijk handelingen verrichtte voor de productie van amfetamine op 26 maart 2015. De temperatuur van de stoomgenerator en de overige bewijsmiddelen laten te veel vragen open over het daadwerkelijke productieproces op die dag.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en wees de zaak terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde behandeling. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing, zonder dat ambtshalve andere gronden tot vernietiging zijn aangetroffen.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd en zaak terugverwezen wegens onvoldoende bewijs medeplegen vervaardigen amfetamine.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/04263
Zitting15 juni 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 16 september 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro D van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot 35 maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 19/04267 ( [medeverdachte 1] ), 19/04368 ( [medeverdachte 2] ), 19/04445 ( [medeverdachte 3] ), 19/04296 ( [medeverdachte 4] ) en 19/04339 ( [medeverdachte 5] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. [1] Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen de bewezenverklaring.

2.Feiten en procesverloop

2.1.
In deze zaak gaat het om het volgende. Op 26 maart 2015 omstreeks 16:20 uur hebben twee buurtbewoners de politie gemeld dat zij vier mannen hebben zien lopen vanuit de Bergweg te Well in de richting van de Knikkerdorpweg naar het bos. Deze mannen droegen allemaal minimaal één tas bij zich. In het bos zijn deze vier mannen, te weten de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] (medeverdachten in onderhavige zaak), in de nabijheid van elkaar aangehouden. Daar werden tevens verschillende goederen aangetroffen, waaronder (big shopper) tassen met daarin diverse zwarte latex handschoenen, lege blikjes, halfgelaatsmaskers, kleding, een filter, veiligheidsbrillen en werkhandschoenen. Een andere getuige heeft de politie gemeld dat hij twee mannen had gezien bij een woning aan de [a-straat 1] te Well (hierna: de woning). Dat vond hij vreemd omdat de woning volgens de getuige al een aantal jaren leeg stond. Daarop heeft de politie om 21:35 uur in deze woning een amfetaminelaboratorium aangetroffen.
2.2.
In eerste aanleg heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht. De rechtbank heeft de verdachte voor het op 26 maart 2015 met anderen vervaardigen van amfetamine veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat in de woning op 26 maart 2015 al amfetamine werd geproduceerd omdat er amfetaminebase werd aangetroffen. De betrokkenheid van de verdachte heeft de rechtbank voornamelijk gebaseerd op de ‘verdachte omstandigheden’ waaronder de verdachte is aangetroffen met de medeverdachten, het aantreffen van het rijbewijs van medeverdachte [medeverdachte 3] bij de verdachte, de resultaten van het DNA-onderzoek en de plekken waar DNA-sporen van de verdachte zijn gevonden in de woning.
2.3.
In hoger beroep heeft de verdachte zijn zwijgen doorbroken en verklaard dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het vervaardigen van amfetamine. Daartoe is door en namens de verdachte – kort gezegd – aangevoerd dat hij in de woning is geweest waar het amfetaminelaboratorium is aangetroffen en dat hij daar ongeveer 20 zakken caustic soda in de woning heeft neergelegd. Hij wist niet dat het laboratorium op 26 maart 2015 in werking was. Het afleveren van de zakken caustic soda heeft hij gedaan voor ‘een paar centen’ omdat hij geldproblemen had. Hij wist wel dat hij de zakken ‘niet bij bijvoorbeeld de Praxis zou afleveren’. Dat er bij de verdachte zwarte handschoenen zijn aangetroffen klopt omdat hij die aan heeft gehad tijdens het uitladen van de zakken caustic soda. De handschoenen heeft hij in paniek achtergelaten in de woning. Ook heeft hij tijdens het uitladen vanwege zweten en niesen meerdere keren van handschoenen gewisseld. Over het feit dat van de verdachte in verschillende ruimtes handschoenen met daarop zijn DNA is aangetroffen heeft de verdachte verklaard dat hij de sleutels is gaan zoeken van zijn bus die hij kwijt was, er in een tijdsbestek van 15 minuten heel veel is gebeurd en hij ook heeft geniesd waardoor er sporen van hem op de handschoenen terecht kunnen zijn gekomen.
2.4.
Naar aanleiding van deze verklaring is door de advocaat-generaal in hoger beroep een vordering tot wijziging van de tenlastelegging gedaan die – kort gezegd – inhield dat als subsidiair feit aan de tenlastelegging zou worden toegevoegd dat de verdachte zich in de periode van 23 maart 2015 tot en met 26 maart 2015 in Well met andere schuldig had gemaakt aan de voorbereiding, het bevorderen en het (onder meer) voorhanden hebben van amfetamine (art. 10a Opiumwet). Deze vordering is door het hof afgewezen omdat er geen sprake meer was van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 68 Sr Pro. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
“Voorbereidingshandelingen zijn als zelfstandige handelingen strafbaar gesteld, naast de handelingen van het bereiden en vervaardigen van (synthetische) drugs. Voorbereidingshandelingen hebben ook betrekking op een fase die voorafgaat aan het bereiden en vervaardigen van (synthetische) drugs. In de vordering tot wijziging van de tenlastelegging wordt een zelfstandig voorbereidingsdelict ten laste gelegd. De raadsman heeft zich voor zijn pleidooi ook niet op een dergelijke wijziging van de tenlastelegging kunnen voorbereiden. Naar het oordeel van het hof betreft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging dan ook een ander feit in die zin dat het verschil in de juridische aard van de aan de verdachte in de tenlastelegging en de vordering tot wijziging van de tenlastelegging verweten feiten, als ook tussen de daarin omschreven gedragingen dermate groot is dat geen sprake is van "hetzelfde feit" in de zin van artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht.”
2.5.
Het hof heeft de verdachte vervolgens veroordeeld voor het feit dat onder 1.1. is vermeld.

3.Het middel

3.1.
Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd, aangezien uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat
op 26 maart 2015sprake is geweest van het daadwerkelijk vervaardigen van amfetamine en de verdachte ten behoeve van die productie werkzaamheden heeft verricht.
3.2.
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:
“hij op 26 maart 2015 te Well (Limburg), gemeente Bergen (Limburg), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
3.3.
De bewezenverklaring is door het hof met gebruik van de Promis-werkwijze gemotiveerd (p. 3-6 van het bestreden arrest). Daarnaast heeft het hof nadere bewijsoverwegingen opgenomen in het arrest. Deze bewijsoverwegingen houden het volgende in:
“Algemene overweging
Het hof stelt voorop dat selectie en waardering van het bewijs aan de feitenrechter is voorbehouden. Dit betekent dat ingeval het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, het aan het hof is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Oordeel van het hof
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 26 maart 2015 samen met anderen betrokken is geweest bij het opzettelijk vervaardigen van amfetamine in de woning, gelegen aan de [a-straat 1] te Well. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
In de woning [a-straat 1] te Well werd amfetamine geproduceerd; er is immers een geheel van voorwerpen, grondstoffen en instructies aangetroffen die wijzen op de productie van amfetamine én er is amfetaminebase aangetroffen. Op basis van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat ook op 26 maart 2015 amfetamine werd geproduceerd. Ter zake van de in de woonkamer (ruimte A) aangetroffen stoomgenerator blijkt namelijk dat middels een warmtebeeldcamera is vastgesteld dat deze een temperatuur had van ongeveer 43 °C. Dit duidt er op dat de aangetroffen productieopstelling recent is gebruikt ten behoeve van het zuiveren van de ruwe amfetamine-base(olie). Uit de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en de locaties waar DNA- en dactyloscopische sporen zijn aangetroffen - direct gerelateerd aan het productieproces van amfetamine en op voorwerpen die daarmee verband houden - leidt het hof af dat [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 3] directe werkzaamheden hebben verricht voor de productie van amfetamine in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well. Het hof leidt uit de omvang van het laboratorium en de aard van de sporen af dat sprake was van productie die overleg en op elkaar afgestemd handelen vergde. Dat merkt het hof aan als medeplegen. In dit verband overweegt het hof nog dat het weliswaar sporen betreft die zich bevinden op voorwerpen die in beginsel verplaatsbaar zijn, maar dat aan de locatie waar die sporen zijn aangetroffen, zeker gelet op de hoeveelheid, de verscheidenheid en de samenhang, wel degelijk betekenis toekomt, zolang er geen concrete en toetsbare verklaring voor de aanwezigheid op die plaats wordt gegeven.
Uit het feit dat [medeverdachte 1] met [medeverdachte 5] en [verdachte] werd aangetroffen in het bos, in de nabijheid van tassen met materiaal dat ook aan het laboratorium gerelateerd kan worden (halfgelaatsmasker, handschoenen) terwijl hij ook in het bezit van zwarte latex handschoenen was acht het hof een aanwijzing dat hij een soortgelijke rol had. Bewezen oordeelt het hof die rol op grond van de transponder die [medeverdachte 1] in zijn zak had. Deze “elektrische sleutel” van de poort veronderstelt immers een zekere zeggenschap over de toegang tot het erf en de woning.
[medeverdachte 4] is op 26 maart 2015 in de nabijheid van voornoemde personen en in de directe omgeving van de betreffende woning samen met de medeverdachten aangehouden. Van [medeverdachte 4] zijn weliswaar geen DNA- of dactyloscopische sporen in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well aangetroffen, maar in de linkerbroekzak van de verdachte zijn wel zwarte latex handschoenen aangetroffen. In de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well zijn eveneens dergelijke handschoenen gevonden. Ook bij de medeverdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn zwarte latex/rubber handschoenen aangetroffen. Blijkens het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] lagen in het bosperceel waar [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn aangehouden meerdere (bigshopper) tassen. Ook in deze tassen zijn (diverse) zwarte latex handschoenen aangetroffen. Voorts zijn daarin aangetroffen: halfgelaatsmaskers, een filter en veiligheidsbrillen. Het gaat om voorwerpen die gebruikt kunnen worden in het kader van de productie van synthetische drugs.
Uit het feit dat [medeverdachte 4] met handschoenen en nabij deze attributen en personen is aangetroffen leidt het hof af dat hij een soortgelijke rol vervulde als de anderen. Uit de hoeveelheid peuken in de zak van [medeverdachte 4] kan worden afgeleid dat hij heeft geprobeerd voorwerpen die in het algemeen DNA materiaal bevatten te verwijderen van een plaats waar hij zich eerder bevond. [medeverdachte 3] is weliswaar op een andere plaats aangehouden dan [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 5] , maar de gehuurde auto en de uitslagen van het DNA-onderzoek bewijzen zijn betrokkenheid bij het laboratorium en zijn paspoort (in de spijkerbroek) in de tas die onder [verdachte] werd aangetroffen bewijst zijn nauwe relatie tot de andere medeplegers, zodat het hof daaruit een soortgelijke rol afleidt.
Verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe is - zakelijk weergegeven en op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota - het navolgende aangevoerd.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd ter zake van zijn betrokkenheid bij het aangetroffen drugslaboratorium. Deze verklaring houdt in dat de verdachte op 26 maart 2015 20 tot 25 zakken caustic soda in de woning heeft neergelegd. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich op 26 maart 2015 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervaardigen van amfetamine. Gelet op bovengenoemde verklaring van de verdachte heeft hij het ten laste gelegde feit niet gepleegd. Ten aanzien van de omstandigheid dat er meerdere handschoenen met daarop DNA-materiaal van de verdachte in de woning zijn aangetroffen, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 26 maart 2015 veel moest niezen en dat er door het dragen van de handschoenen op zijn handen zweet ontstond. Om die reden heeft de verdachte op 26 maart 2015 verschillende keren nieuwe handschoenen aangetrokken en zijn er aldus ook meerdere handschoenen gevonden met daarop zijn DNA-materiaal. Voorts kan de verdachte niet worden herkend in de door de getuige [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] opgegeven signalementen. De mogelijkheid van een vijfde of zesde man die is/zijn ontkomen, staat derhalve open. Gelet hierop kan de aangetroffen plastic zak met toebehoren ook niet aan de verdachte worden toegeschreven.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof acht de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, inhoudende dat hij op 26 maart 2015 niet meer heeft gedaan dan het in de woning neerleggen van zakken caustic soda, niet aannemelijk geworden.
Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat de verdachte deze verklaring pas ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Het geheel van feiten en omstandigheden, dat op zichzelf de conclusie kan dragen dat sprake was van de tenlastegelegde betrokkenheid bij het amfetaminelaboratorium, riep al veel eerder, in een fase dat nog onderzoek liep, om een uitleg. Bovendien sluit het door de verdachte geschetste scenario naar het oordeel van het hof niet aan bij het aangetroffen sporenbeeld. In het bijzonder niet bij het feit dat in verschillende ruimtes (ruimte A en ruimte D) handschoenen met daarop DNA-materiaal matchend met dat van de verdachte is aangetroffen en op één van die handschoenen eveneens DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met een medeverdachte.
Voor wat betreft de omstandigheid dat bij de verdachte het rijbewijs van medeverdachte [medeverdachte 3] is aangetroffen, stelt het hof vast dat verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] daaromtrent hebben gerelateerd dat tijdens de aanhouding van [verdachte] onder hem een plastic zak werd aangetroffen, dat in deze plastic zak (onder andere) een blauwe spijkerbroek zat en dat in deze broek het rijbewijs van [medeverdachte 3] werd aangetroffen. Voornoemde verbalisanten hebben hun bevindingen in een door hen op respectievelijk ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal opgenomen. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd.
Maar al zou de tas niet direct onder de verdachte zijn aangetroffen, dan nog is de verdachte aangetroffen in de nabijheid van deze tas en overige attributen en personen waaruit een verdergaande betrokkenheid, als medepleger, van de verdachte kan worden afgeleid. Het feit dat het merk van de spijkerbroek in de tas en [verdachte] vest en van de door [verdachte] gedragen onderbroek en dat van de onderbroek in de tas overeenkomen, wijst overigens op een verband tussen [verdachte] en die tas.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.”
3.4.
Uit de vaststellingen van het hof kan worden afgeleid dat in de woning aan de [a-straat 1] te Well op 26 maart 2015 een amfetaminelaboratorium is aangetroffen, dat in dit laboratorium ook amfetamine is geproduceerd en dat de verdachte in die woning aanwezig is geweest. In de woonkamer (ruimte A), welke was ingericht met productiemiddelen en chemicaliën ten behoeve van de eerste en tweede kookstap van amfetamine, zijn zwarte latex handschoenen aangetroffen waarin DNA-materiaal is aangetroffen van de verdachte en DNA-nevenkenmerken van medeverdachte [medeverdachte 3] (met een onbekende matchkans). Ook in een andere kamer (ruimte D) welke was ingericht en in gebruik met een groot aantal 120 liter klemdekselvaten ten behoeve van het ‘logen’ van ruwe zure amfetaminebase(olie) zijn meerdere zwarte latex handschoenen aangetroffen met daarin DNA-materiaal van de verdachte. Het voorgaande wordt in de schriftuur niet bestreden, zodat daarvan in cassatie kan worden uitgegaan.
3.5.
De hamvraag in deze zaak is of er op 26 maart 2015 amfetamine is geproduceerd, zoals het hof heeft bewezenverklaard.
3.6.
De bewezenverklaring heeft het hof onder meer doen steunen op het als bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal van bevindingen van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmanteling (LFO) waarin is gerelateerd dat op 26 maart 2015 een aantal ruimtes van de woning waren ingericht en in gebruik waren ten behoeve van de illegale vervaardiging van synthetische drugs, met name amfetamine met behulp van de zogenaamde Leukartmethode. De woonkamer (ruimte A) was daartoe ingericht met productiemiddelen en chemicaliën ten behoeve van de eerste en tweede kookstap van amfetamine en een stoomdestillatieopstelling bestaande uit een rvs kookketel en een goed gemodificeerde gasfles (stoomgenerator) ten behoeve van het zuiveren van de ruwe amfetamine-base(olie). Met behulp van een warmtebeeldcamera bleek dat de stoomgenerator een temperatuur had van ongeveer 43 graden. De omgevingstemperatuur van de ruimte was op dat moment 19 graden. Op grond hiervan is door het hof vastgesteld dat ook op 26 maart 2015 amfetamine in de woning is geproduceerd nu dit erop duidt ‘dat de aangetroffen productieopstelling recent is gebruikt ten behoeve van het zuiveren van de ruwe amfetamine-base (olie)’. Uit de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en de locaties waar DNA- en dactyloscopische sporen zijn aangetroffen – direct gerelateerd aan het productieproces van amfetamine en op voorwerpen die daarmee verband houden – heeft het hof afgeleid dat de verdachte, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] directe werkzaamheden hebben verricht voor de productie van amfetamine in de woning aan de [a-straat 1] te Well.
3.7.
De klacht in cassatie is, zoals hiervoor reeds vermeld, dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat ‘ook daadwerkelijk op 26 maart 2015 door verdachte amfetamine is vervaardigd’. Gesteld wordt dat hetgeen het hof daartoe heeft overwogen ontoereikend is, nu niet duidelijk wordt op grond waarvan deze conclusie is getrokken. Uit de bewijsmiddelen kan immers niet worden afgeleid ‘hoe warm de stoomgenerator is als deze in werking is en hoe lang het duurt voordat de stoomgenerator afkoelt, terwijl dit ook geen feit van algemene bekendheid is dat een op 26 maart 2015 in gebruik genomen en weer uitgezette gebruikte stoomgenerator op het moment van binnentreden een temperatuur heeft van 43 graden’.
3.8.
Ik deel de opvatting van de stellers van het middel dat enkel uit de omstandigheid dat de stoomgenerator is gebruikt niet zonder meer kan worden afgeleid dat er daadwerkelijk door de verdachte samen met anderen
op26 maart 2015 amfetamine is geproduceerd. [2] Daarvoor blijven mijns inziens te veel vragen over het gebruik van de stoomgenerator onbeantwoord. Zo wordt verwezen naar het gebruik van de ‘zogenaamde Leukartmethode’ maar wat deze methode inhoudt blijkt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden opgemaakt hoe warm de stoomgenerator is als deze in werking is, hoelang het duurt voordat de stoomgenerator is opgewarmd of hoelang het duurt voordat deze weer is afgekoeld. Dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de broekzak van medeverdachte [medeverdachte 5] een briefje is aangetroffen waarop is beschreven: “
stomen 80 of 85 liter. 140 graden brengen. Stoompin erin en op 155 houden tot aan einde. Stoomvat op 4 bar laten”,maakt dat niet anders. Ook hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat er daadwerkelijk is geproduceerd op 26 maart 2015. Ik voeg daar nog aan toe dat de vastgestelde temperatuur bovendien de mogelijkheid openlaat dat de stoomgenerator is aangezet om op te warmen en is uitgezet toen de verdachten om 16:20 uur op 26 maart 2015 inderhaast de woning hebben verlaten. Gelet op het moment van binnentreden van de woning op 26 maart 2015 om 21:35 uur lijkt het bovendien onwaarschijnlijk dat tussen het verlaten van de woning en het moment van binnentreden, amfetamine is geproduceerd.
3.9.
Ik heb mij nog afgevraagd of uit de resterende vaststellingen van het hof kan worden afgeleid dat door de verdachte
op26 maart 2015 werkzaamheden zijn verricht ten hoeve van het vervaardigen van amfetamine. Ik meen van niet. Uit de overige vaststellingen blijkt enkel dat (i) de verdachte samen met zijn medeverdachten in een bosperceel is aangehouden en dat bij de verdachten diverse goederen zijn aangetroffen waaronder zwarte latex handschoenen, een halfgelaatsmasker, een filter in een verpakking, veiligheidsbrillen en werkhandschoenen en (ii) dat in een broek aangetroffen bij de verdachte het rijbewijs van medeverdachte [medeverdachte 3] is gevonden. Het aantreffen van deze goederen sluiten de verklaring van de verdachte – dat hij die dag enkel caustic soda heeft geleverd ( een voorbereidingshandeling) – echter niet uit. [3] Met andere woorden: de bewijsvoering laat, afgezien van de vraag of er op 26 maart 2015 daadwerkelijk amfetamine is geproduceerd, daarnaast nog het scenario open dat – indien dit wel het geval zou zijn geweest – niet de verdachte maar een ander de daadwerkelijke vervaardigingshandelingen heeft verricht. Daardoor kan uit de bewijsvoering van het hof het daderschap dan wel het mededaderschap van de verdachte zoals bewezen is verklaard, niet zonder meer volgen. [4] Ook de omstandigheid dat in twee verschillende productieruimtes DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen op handschoenen is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte betrokken is geweest bij het vervaardigen van amfetamine
op26 maart 2015. Daaruit kan enkel worden afgeleid – zoals de verdachte zelf ook heeft verklaard – dat hij (op enig moment) in die ruimte aanwezig is geweest, maar niet dat de verdachte ook daadwerkelijk handelingen heeft verricht voor het vervaardigen van amfetamine. Daarbij neem ik in overweging dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt waar en op welke plek in ruimte A en D de amfetaminebase(olie) is aangetroffen zodat uit het aantreffen van de handschoenen in die ruimte ook niet direct een link kan worden gelegd tussen de verdachte en het productieproces. [5]
3.10.
Hoewel de omstandigheden waaronder de verdachte is aangetroffen en bovenal ook de goederen die daarbij zijn gevonden zonder meer verdacht zijn, zeggen de bewijsmiddelen tezamen nog niets over de betrokkenheid van de verdachte bij het vervaardigen van amfetamine op 26 maart 2015, in de zin van medeplegen. Zoals de advocaat-generaal bij het hof al voelde aankomen, zou het meer voor de hand liggen dat de verdachte zich met het afleveren van caustic soda op die dag heeft schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van amfetamine. Maar dat is niet tenlaste gelegd. Al met al meen ik dat de bewezenverklaring door het hof onvoldoende is gemotiveerd en dat het middel terecht is voorgesteld.

4.Conclusie

4.1.
Het middel slaagt.
4.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bij akte van 27 oktober 2020 is het cassatieberoep partieel ingetrokken ten aanzien van de door het hof uitgesproken vrijspraak van het in de periode van 23 maart 2015 tot en met 25 maart 2015 opzettelijk amfetamine bereiden en/of bewerken en/of vervaardigen en/of aanwezig te hebben.
2.Of uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte daadwerkelijk de rol van medepleger heeft gehad betwijfel ik overigens ook, maar daarover wordt in cassatie niet geklaagd.
3.Namens de verdachte is hiermee kennelijk een beroep gedaan op een zogenoemd ‘Meer en Vaart-gat’ in de bewijsvoering waarbij een door de verdachte gegeven verklaring is gebaseerd op niet hoogst onwaarschijnlijke feiten en/of omstandigheden die met de inhoud van de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in zijn strijd zijn maar die – wanneer deze verklaring juist is – onverenigbaar is met de bewezenverklaring, zie o.m. HR 1 februari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB3369,
4.Vgl. HR 17 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1347 waaruit niet zonder meer uit de bewijsvoering kon worden afgeleid dat de verdachte hennep had geteeld in een woning, het enkele aantreffen van DNA-materiaal in de kwekerij was daartoe niet voldoende en ook HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6764 waarbij ik overigens opmerk dat in deze zaken medeplegen niet bewezen was verklaard. Zie verder ook HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:243.
5.Anders was dit in de zaak van 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1073 waarin vingersporen van de verdachte in de kweekruimte op een weegschaal en een vuilniszak waren aangetroffen. Het hof oordeelde dat de aangetroffen vingersporen in directe relatie stonden tot de exploitatie van de hennepkwekerij. Dit oordeel achtte mijn ambtgenoot Aben niet onbegrijpelijk waarbij hij in aanmerking nam “dat deze dactyloscopische sporen waren aangetroffen op goederen die in verband konden worden gebracht met het kweken van hennep en waren aangetroffen in een ruimte waarin zich ook (en uitsluitend) allerlei andere goederen bevonden die kennelijk bestemd waren voor het gebruik ten behoeve van de hennepkwekerij”. Daarnaast kon uit de overige bewijsmiddelen worden afgeleid dat getuigen de verdachte regelmatig bij de woning hebben gezien, voor het laatst enkele weken voordat de kwekerij werd ontdekt. De Hoge Raad deed de zaak af met art. 81 lid 1 RO Pro.